Frits Barend

De beste Nederlander in de Tour

Het schijnt humor te zijn wat we zondag live van de Tour de France zagen. In het wandelende peloton dronk geletruidrager en latere winnaar Lance Armstrong op zijn gemak een glas champagne. Ik houd niet van dat soort humor, ik wil wielrennen zien en geen renner die weet dat hem niets meer kan overkomen. Zo is de laatste etappe al jaren een veredelde kermis met alleen een mooie eindsprint op de Champs-Elysées. Ik zou zeggen: schaf de eerste honderd kilometer van die etappe af.

Vooraf werd dit jaar door de gemiddelde Nederlandse wielerliefhebber opgekeken naar drie weken Tour omdat we het moesten doen zonder de geliefde Belg. De Vlamingen hebben deze zomer Sporza opgericht, een sportkanaal van de BRT. Omdat Sporza niet wordt doorgegeven via de kabel konden we in Nederland niet kijken naar de Belgische verslaggeving van de Tour. Was dat erg? Het cliché wilde uitdrukkelijk van wel, in de praktijk viel het erg mee. Natuurlijk kunnen we niet vergelijken, maar wij hadden dit jaar Maarten Ducrot, de nieuwe deskundige van de NOS. Is hij slechter dan de bewierookte Belg Michel Wuyts? Ik vraag het me af en dat komt niet alleen door de wijze waarop Maarten de als commentator kleurloze Erik Breukink is opgevolgd, maar ook door een column van de deskundige Belg in het Vlaamse weekblad Sport Magazine. Samengevat begreep Wuyts «geen snars» van het rijden van de CSC-ploeg van de Deense ploegleider Bjarne Riis in de eerste tien dagen. Het geroemde tactische brein van Riis werd door de deskundige van de BRT «danig beneveld» genoemd, omdat de kopmannen Ivan Basso en Carlos Sastre er «geen donder mee opschoten» en blij mochten zijn als ze Parijs zouden halen onder de eerste veertig. Basso eindigde als derde. Sastre werd achtste, nog voor de ooit door Jan Raas aangetrokken kopman Leipheimer van Rabo. En CSC werd de op één na best verdienende ploeg in de Tour.

Nee, dan debutant Ducrot. Hij bewijst dat je gewoon in het diepe gegooid moet worden en dan alleen moet doen wat je kunt. Maarten was een ontzettend leuke wielrenner. Ik schrijf bewust «leuke» en niet «goede». Maarten was leuk gek, zoals alle mensen die extreem sporten gek moeten zijn. Wat dachten we op dit moment van Inge de Bruijn, hoe die in haar eentje in het verre Amerika elke dag afziet? Zo heeft een voetballer nog nooit afgezien. Ver weg van familie en vrienden beult ze zich af ten koste van alles wat haar lichaam te bieden heeft met maar één doel: in Athene weer goud winnen. En dat kan alleen met zo breed mogelijke schouders en zo weinig mogelijk vrouwelijkheid.

Maarten was zo’n wielrenner die zich zoals dat (geloof ik) heet het snot voor de ogen reed. Hij was ook een beetje een denker in het peloton, een soort Peter Winnen après Peter. Winnen is inmiddels in de NRC uitgegroeid tot de beste wielercolumnist van Nederland. En Maarten is in elk geval al uitgegroeid tot een prima deskundige. Jaren kregen we bij de NOS te horen wat we zelf ook zagen. En heel vaak zagen we wat de commentatoren niet zagen. Maarten kijkt en analyseert voor de kijker wat hij wél ziet en wij níet meteen zien en durft ook fouten te maken. Hij geeft aan wat de renners voelen, hoe kapot ze zitten en hoe ze er ’s avonds na de etappe bij liggen. Anders dan zijn voorgangers heeft hij geen verstand van wijn maar des te meer van de koers. Hij gaat niet af op namen en rugnummers maar op wat hij in de koers heeft gezien en baseert daarop de voorspelling wie aan het eind van de etappe de grootste kans maakt op de zege en wat voor finale we kunnen verwachten. Vooral daarmee heeft hij me overtuigd. En hij is niet lullig over doping. Dat hij in de Tour heeft kunnen groeien, dankt hij deels ook aan Herbert Dijkstra, die Maarten de ruimte gaf en niet bang was zelf soms minder aan het woord te zijn. Maarten was de beste Nederlander in de Tour.