De beste opera van 2013

In het feestelijke operajaar 2013 was er heel erg veel Richard Wagner (1813) te horen, wat Benjamin Britten (1913) en in het geheel geen Giuseppe Verdi (eveneens 1813). Wél twee opzienbarende, min of meer verdiaanse herontdekkingen.

Medium sunken garden

Guillaume Tell uit 1829 van Rossini was, in de regie van Pierre Audi, bij De Nederlandse Opera een aangrijpend, tijdloos drama over gewone mensen die worden onderdrukt, in gewetensnood verkeren en in opstand komen. De Brusselse opera De Munt toonde een curieuze Hamlet van Ambroise Thomas uit 1868, met bijna te populaire muziek, maar prachtig menselijk geregisseerd door Olivier Py in een opzienbarend bewegende esscheriaans trappendecor van Pierre-André Weitz, met een verbluffende hoofdrol van de jonge bariton Stéphane Degout.

In Spanga heeft regisseur Corina van Eijk samen met componist Floris van Bergeijk en het Fries Jeugd Harmonie Orkest deze zomer een tegelijk hilarische en aangrijpende Fries-Marokkaanse Romeo & Julia in elkaar geknutseld, met muziek van vele componisten zoals Bellini, Berlioz, Gounod, Tsjaikovski, Prokofjev, Nino Rota en Bernstein. Vlak daarbij, in het Friese Nijetrijne deed dirigent Vaughan Schlepp daar nauwelijks voor onder. Hij maakte een gloednieuwe Mozart-opera van Goldoni’s toneelstuk De knecht van twee meesters, met heel veel muziek van Mozart, door regisseur Ria Marks gezet in het Friesland van de jaren vijftig tijdens de komst van de eerste gastarbeiders.

In Madrid deed Peter Sellars iets dergelijks met de onafgemaakte semi-opera The Indian Queen van Purcell. Hij vulde het aan met andere muziek van Purcell en teksten uit de roman La niña blanca y los pájaros sin pies van de Nicaraguaanse schrijfster Rosario Aguilar tot een fijnzinnig spektakel, dat nu op tournee gaat in de oude en nieuwe wereld.

In het Holland Festival was er dit jaar heel veel nieuw muziektheater, zoals het indrukwekkend vormgegeven Quartett van Luca Francesconi naar Heiner Müller en, geregisseerd door Peter Sellars, het ontroerende Desdemona, geschreven door Toni Morrison, met muziek van Rokia Traoré uit Mali. Hoogtepunt was de 3D-opera Sunken Garden van Michel van der Aa op een bijna te beladen tekst van David Mitchell over de poreuze grenzen tussen leven en dood.

Maar er waren ook kleinschaliger openbaringen. Sopraan Tania Kross nam het initiatief voor de Antilliaanse slavernijopera Khatib di schoon; Slaaf en meester naar een boek van Carel de Haseth en met swingende muziek van Randal Corsen. Het project werd geadopteerd door de Nationale Reisopera en gaat nu ook naar de Antillen. Nog mooier vond ik Maria Nuñez, gebaseerd op het ware verhaal van een katholiek geworden joods meisje dat in de zeventiende eeuw vanuit Portugal naar Amsterdam vlucht. Het werd geschreven door Frans Lavell en gecomponeerd door Patricio Wang met gebruikmaking van sefardische en Latijns-Amerikaanse muziek. Jammer dat maar zo weinig mensen dit kleine juweel hebben kunnen zien door gebrek aan belangstelling van de theaters.

Sommige opera’s zijn op internet te vinden: gestreamd (Hamlet, vanaf 31 december) of bij Uitzending gemist (Guillaume Tell (preview), The Making of Sunken Garden)

Beeld: Sunken Garden