De beste tien van 2008

Je zou het niet zeggen op grond van telkens diezelfde stapels die je aangrijnzen in willekeurig welke boekhandel, maar er verscheen in het afgelopen jaar meer dan Fokke en Sukke, bundelingen van Bril en Kluun, nieuwe romans van Siebelink, Enquist en De Winter, en eindeloze heruitgaven van Noort en Verhoeff.
Er verschenen zelfs erg veel mooie en opwekkende boeken, die moeiteloos hun weg vonden naar het immer kloppende lezershart van deze krant. De vaste recensenten werd gevraagd naar hun favoriete drie titels (fictie) van het afgelopen jaar, en in hun keuze tonen zij zichzelf: eigenzinnig, onverwacht en tegen de grijze middenmoot in. De lijstjes met toelichting zijn in hun geheel te lezen via deze links:

Joost de Vries
Jacq Vogelaar
Marja Pruis
Mirjam Noorduijn
Janita Monna
Jan Luijten
Erik Lindner
Rob Hartmans
Kees ’t Hart
Piet Gerbrandy
Graa Boomsma
Maarten van Buuren

Uit deze lijstjes is vervolgens een ‘toptien’ samengesteld, op basis van de geringe overlap (die was er vooral bij de poëziekeuze) en met het oog op een mooie verdeling van proza en poëzie, Nederlands en vertaald. De liefhebbers lichten hun favoriet op deze pagina’s nog een keer toe. Als je hun liefdesverklaringen leest denk je weer even te weten wat het is, literatuur.

Hartstochtelijk en satirisch
H.C. TEN BERGE
HOLLANDSE SERMOENEN
Atlas, 96 blz., € 17,50

Hoe spreek je je als dichter uit over de tijdgeest zonder een verzuurde moralist te worden? Hoe snijd je de aloude thema’s van verlangen en verval aan zonder platgetreden wegen te bewandelen? Hoe laat je zien dat de taal ontoereikend is zonder je gedichten te laten ontaarden in machteloos gestamel of ontspoord geraaskal? De grote modernistische dichters – Pound, Eliot, Pessoa – hebben deze problemen tot de kern van hun poëtische missie gemaakt. Een van de effectiefste middelen die ze hebben ingezet is de techniek van het citeren, transformeren en pasticheren van oudere literatuur. Dat schept context én afstand. Bovendien deinsden ze niet terug voor het brede, bladzijdenlang voortstuwende gedicht.
De voornaamste vertegenwoordiger van deze poëzie in ons taalgebied is H.C. ten Berge (1938), van wie onlangs een substantiële bundel verscheen met de licht ironische titel Hollandse sermoenen. De toon is beurtelings bezwerend, vilein, hartstochtelijk en satirisch, waarbij de dichter ook zichzelf stevig onder handen neemt. In het ‘zweepvormig sermoen’ waarmee de bundel opent, staan deze aanbevelingen: ‘Laat je gedachten/ onzichtbaar vertakken. Wees/ subversief en grotesk. Doem/ op en verdwijn, ondermijn/ de venijnige macht van bankierende/ wormen, zaai paniek onder wezels/ & jakhalzen van de beurs.’ Het is een swingende boetepreek die ook zichzelf thematiseert: ‘Leg een kordon van woorden om het heden.’ Daarmee neemt de dichter een zware taak op zich, want hij wil de tekenen des tijds verstaan en er invloed op uitoefenen, terwijl hij anderzijds zijn eigen stem als het ware tussen aanhalingstekens plaatst door de tekst een sermoen te noemen. Het dichterschap is misschien een archaïsch en marginaal verschijnsel, maar dat betekent absoluut niet dat wat de dichter zegt slechts irrelevant spel behelst.
Ten Berge kruipt in de huid van Occitaanse troubadours, bezingt Amerikaanse landschappen, gaat in discussie met mystici en Engelse dichters, identificeert zich met een verkrachte vrouw en observeert een fluitende pad in een karrenspoor. ‘De zittende vitter houdt stand in zijn stoel in de tuin/ en verdedigt een stilte van voor de geboorte.’ Dit is een imposant boek.
PIET GERBRANDY

Beschaafd
en stinkend
FJODOR DOSTOJEVSKI
DUIVELS
Vertaald door Hans Boland, Athenaeum-Polak
& Van Gennep, 711 blz., € 49,95

Dostojevski vlecht in Duivels (1872) twee verhalen door elkaar. Het leven van Stepan Verchovenski, een ‘vijftigjarige kleuter’ die op de zak leeft van een steenrijke adellijke dame, wordt verstoord door de komst van zijn zoon Pjotr, die hij uit het oog verloren was, maar die zich blijkt te hebben ontpopt tot een niets ontziende nihilist en terrorist die moordaanslagen pleegt. De roman bestaat uit een glanzende, beschaafde, welgemanierde buitenkant zolang Dostojevski vertelt over vader Stepan en een groezelige, getroebleerde naar verrotting stinkende binnenkant, zodra Dostojevski afdaalt naar de kringen waarin zoon Pjotr verkeert.
Toergenjev had met Vaders en zonen (1862) al een beroemde roman over nihilisme geschreven. Tegen deze roman neemt Dostojevski stelling. Hij verwijt Toergenjev dat hij een veel te romantisch beeld geeft van het nihilisme. Volgens Dostojevski is er niets romantisch aan het nihilisme te ontdekken. Het is een gif dat de Russische ziel is binnengedrongen, het geloof heeft aangetast en met dat geloof alle ethische en nationale waarden.
Alle progressieve bewegingen die zich aan het eind van de negentiende eeuw in Rusland en daarbuiten roerden: socialisten, liberalen, anarchisten, democraten en utopisten, zijn volgens Dostojevski één pot nihilistisch nat. Dostojevski beschrijft het nihilisme als een vorm van geestesziekte. De nihilisten die hij ten tonele voert, worden bijna allemaal waanzinnig. Nihilisme en waanzin zijn voor hem nagenoeg synoniem. Waar Nietzsche het nihilisme beschouwt als fasen van een emancipatie die uitmondt in de geboorte van de Übermensch, daar beschouwt Dostojevski hetzelfde traject als een gang naar waanzin, ontbinding en dood.
Dostojevski’s roman is een antinihilistisch pamflet en een hartstochtelijk pleidooi voor alle waarden die volgens hem door het nihilisme in gevaar zijn gebracht: geloof, beschaving, geestelijke volksgezondheid, en vooral: geloof in de Russische natie. In Duivels belijdt Dostojevski zijn slavofilie, hij verkettert alle westerse nieuwlichterij en keert terug tot het geloof van zijn vaderen.
MAARTEN VAN BUUREN

Pijnlijk en gestileerd
DOESCHKA MEIJSING
OVER DE LIEFDE
Querido, 237 blz., € 18,95

De beste boeken doen een beetje pijn als je ze leest. Als je er desondanks ook nog bij kunt lachen, dan heb je wel echt iets bijzonders in handen. Over de liefde van Doeschka Meijsing schaart zich in de reeks moderne Nederlandse klassiekers die tegen het egodocument aanschuren. Niets te verliezen en toch bang van Renate Rubinstein staat bijvoorbeeld in dat rijtje, maar ook Familiefeest van Theodor Holman. Glashelder, maar geheel gestileerd ontrafelt Meijsing in haar roman het vernederende proces van verraden en verlaten worden. Geen slachtofferproza, geen klaagschrift, maar een genadeloos onderzoek naar zichzelf en haar omgeving. Een gevaarlijk boek ook, dat dicht op de eigen huid is geschreven, en zich kwetsbaar maakt voor voyeuristische blikken en kwaadwillende bejegening. Ook dat zijn de beste boeken: die alles op alles lijken te zetten. Het knapste is misschien de consequente toon, zielig noch superieur, meedogenloos maar ook melancholiek, doortrokken van een verlangen naar ‘een vroeger ik, dat nog geen fouten had gemaakt’.
MARJA PRUIS

Speels en helemaal Obama
KEITH GESSEN
ALL THE SAD YOUNG LITERARY MEN
Viking, 242 blz., € 19,90 (vertaald door Paul van
der Lecq als Al die droevige jonge literaire mannen. De Bezige Bij, 268 blz., € 19,90)

‘Morris is zoals Amerikaanse buitenlandse politiek. Het enige dat hij weet te doen is mensen bombarderen. Maar soms verdienden de mensen die hij bombardeert het ook.’ De drie hoofdpersonen uit All the Sad Young Literary Men, het romandebuut van de Amerikaanse Keith Gessen, zijn te laat geboren. Ze zijn jong, hoog opgeleid, en zouden misschien het liefst een politiek bevlogen intellectueel geworden zijn, maar ja, politiek is eigenlijk niet meer iets dat echt bediscussieerd hoeft te worden, dat is al genoeg gedaan, en door alle boeken, in Hollywood-films en tv-series is het gewoon deel gaan uitmaken van hun alledaagse referentiekader, zoals Spider-Man en Woody Allen dat doen.
Natuurlijk gaat dit boek over veel meer – over ouder worden, over tekortschieten in je eigen ambities, over onvervulde beloftes – maar ondanks alle Seinfeld-achtige relatiehumor overheerst de teleurstelling van de personages. Gessen speelt met engagement; telkens als zijn karakters het beet lijken te hebben glijdt het weer als zand door de vingers heen. Ze denken met hun verse universiteitsdiploma op zak in het intellectuele debat te stappen, maar komen er vervolgens achter dat elk argument al beargumenteerd is. Zelfs met terugwerkende kracht blijkt het debat slap en onecht. Een van de droevige jongemannen, Mark, krijgt spontaan een aversie jegens zijn eigen promotieonderwerp, de bolsjewieken met hun pathetische waarheidsideeën: ‘Mark couldn’t get over what a bunch of fuckers the Bolsheviks were.’ Het is grappig, pijnlijk, moeilijk en herkenbaar. Want inderdaad! Dat denk ik ook, wat een eikels moeten die bolsjewieken geweest zijn! Met hun idealen.
Godzijdank heeft Gessen niet gedacht dat hij eventjes de grote post-9/11-, post-Irak-, post-Katherina-generatieroman zou schrijven. Hij, oprichter van het literaire tijdschrift n + 1, schrijft voor zijn eigen doelgroep; de progressieve eastcoast liberal democrats. En zo eindigt het ook, met een hartenwens van een van de hoofdpersonen als hij denkt aan zijn zwangere vriendin: ‘We would take back the White House, and the statehouses and city halls and town councils. We’d keep the Congress. And in order to ensure a permanent left majority, Gwen, we’d have many left-wing babies. My love.’ Misschien is het wel de eerste roman van het Obama-tijdperk.
JOOST DE VRIES

Bevlogen en lyrisch

RODAAN AL GALIDI
DORSTIGE RIVIER
Meulenhoff/Manteau,
394 blz., € 24,95

Dorstige rivier is een belangrijk boek. Het vertelt de geschiedenis van Irak via de lotgevallen van een Iraakse familie. We krijgen niet de feiten en de namen van de politieke heersers van dit totaal kapot gemaakte land, maar de uitwerking van alle ingrepen, militaire avonturen en onderdrukkingmechanismen. Rodaan al Galidi bracht een schat aan vertellingen bijeen rond ‘gewone’ mensen en altijd weet hij aan zijn verhalen een lichte toets mee te geven. Deze sterk betrokken schrijver begreep als geen ander dat je het in een roman als deze niet moet zoeken in een realistische stijl met realistische ingrepen, maar het verschrikkelijke van de Iraakse geschiedenis alleen voelbaar en leesbaar kunt maken door een lyrische, groteske en soms zelfs absurdistische stijl. Realisme slaat hier dood. Wat dit betreft doet deze roman sterk denken aan het meesterwerk van Hugo Claus Het verdriet van België, waarin ook een eigen taal en stijl het geheel uittillen boven een directe politieke aanval op politieke verhoudingen. Dit is wat geëngageerde literatuur vermag. Bevlogenheid, lyriek en ongeposeerde vertelkunst werken veel indringender uit dan de haastig verpakte directe politieke boodschap. Ik kreeg bij lezing van dit boek steeds sterker het idee dat literair engagement alleen op deze manier voelbaar kan worden. Woede en verdriet moeten een vertaalslag doormaken, moeten dwars door afstandelijkheid en ironie getrokken worden, daar bovenuit getild. Ze moeten de stilistische verworvenheden van literatuur, de omweg, de gewaagde metaforiek, de gekunsteldheid, niet aan hun laars lappen maar juist scherp slijpen en inzetten. Pas dan krijg je een boek als dit. Sprookjesachtig, vlijmscherp, geestig en schitterend.
KEES ’T HART

Meer dan interessant: opmerkelijk
WILLEM JARDIN
MONOGRAFIE VAN DE MOND
Meulenhoff, 352 blz., € 19,90

Geen slager kun je vragen als hij alleen maar gehakt half-om-half heeft om de sliertjes varkensellende er voor jou uit te halen. Van een boek dat ongeveer voor de helft goed is, kun je als lezer de andere helft negeren of vergeten; de vraag is of het dan een beter boek wordt. De bespreking van Kees ’t Hart in deze krant had mij nieuwsgierig gemaakt; nu ik zijn stuk overlees, zie ik dat ook hij op tweederde te kennen gaf dat het deel in New York hem gestolen had kunnen worden. Dat is gewoon een ander boek: de filosofische slaapkamergesprekken van docent Frank met zijn studente, de intelligente en uiteraard mooie Naomi; en dan broer Paul die opgetogen een parade van oorlogsveteranen fotografeert.
En het begon zo goed. Niet met een monografie van de mond (de titel belooft veel), maar met een min of meer gesorteerde vergaarbak weetjes over de mond; later idem dito over huid en haar, op het laatst nog eens de mond, vooral het bruine gebit van Hitler. Atte Jongstra doet meer met zulk materiaal, maar Jardin weet er weg mee. Meer dan alleen maar interessant is de maquette die Paul, de broer van de geleerd doende Frank in de States, bouwt om de geschiedenis van zijn grootvader te memoriseren: een maquette waarin het Amsterdamse abattoir waar grootvader Heineman als keurmeester werkte en het Arbeitererziehungslager waar hij in 1943 als (vrijwillige?) dwangarbeider terecht was gekomen met elkaar vermengd worden. Je krijgt ook nog eens een hoop details over vleesverwerking op je bord, en vooral ook veel onbekende woorden. Ondertussen ligt de vader op sterven, tandarts: protheticus. Het beroep van vader en grootvader is een mooie aanleiding voor de uitstapjes over de mond en huid & haar. De joodse mystiek van broer Frank en de terugkeer van de moeder naar de synagoge horen wat mij betreft bij de tweede helft, die niet onder mijn aanbeveling van dit verder zeker opmerkelijke boek valt.
JACQ VOGELAAR

Beheerst
en studieus
JHUMPA LAHIRI
VREEMD LAND
Vertaald (Unaccustomed Earth) door Ko Kooman, Meulenhoff, 352 blz., € 19,95

Het motto van deze verhalenbundel ontleent Jhumpa Lahiri aan een zinsnede van Nathaniel Hawthorne, waarin hij betoogt dat planten beter en rijker groeien in verse, onbekende aarde, net zo zeer als menselijk fortuin verbeterd zal worden als het zijn wortels schiet in ‘unaccustomed earth’. In de acht verhalen test Lahiri dit citaat, dat de Amerikaanse droom lijkt te behelzen, maar komt misschien niet tot de conclusies waar Hawthorne op gehoopt zou hebben: de hoogopgeleide, ijverige immigranten in haar verhalen doen hun best, maar het lukt hen niet hun Indiase wortels te vergeten in hun nieuwe beloofde land, de Verenigde Staten.
Ergens doen deze verhalen denken aan The Reluctant Fundamentalist van Mohsin Hamid (shortlist Booker Prize vorig jaar), een suspensevol verhaal over een jonge immigrant, een succesvolle beurshandelaar, die na de aanslagen van 11 september wordt losgeslagen van zijn autochtone vriendengroep. Nergens schrijft Lahiri zo expliciet over 11 september, maar de nieuwe verhoudingen in de VS tussen autochtoon en immigrant die de aanslagen veroorzaakten moet ergens in haar achterhoofd hebben gezeten.
Maar behalve sociale achtergrond zijn de verhalen vooral ook familieportretten. Volwassen kinderen met hun ouders, broers en zussen onderling. Lahiri schrijft beheerst, vanzelfsprekend, zoals sommige oude Russen dat deden. Niet alleen botsen de immigrantenfamilies met hun nieuwe land, maar ook onderling: waar ligt hun hart, in het oude moederland, of in het nieuwe?
Al eerder won Jhumpa Lahiri de Pulitzerprijs en met deze verhalenbundel had ze dat net zo goed nog een keer kunnen doen. Deze keer won ze de Frank O’Connor-prijs. Lahiri heeft niet alleen een prachtige verhalenbundel geschreven, ze heeft bovendien bijna een antropologische studie op papier gezet, over het leven van hoogopgeleide Indiase immigranten in de VS. Met gevoel voor detail van de alledaagse en overkoepelende levensvragen schrijft ze in elk kort verhaal steeds een mensenleven bij elkaar.
JOOST DE VRIES

Doodeerlijk
en grimmig
BART MEULEMAN
OMDAT IK ZIEK WERD
Querido, 48 blz., € 16,95

De gedichten van Bart Meuleman zijn onmogelijk mis te verstaan. Het lijken wel op de spits gedreven gesprekken, met lichte tegenzin geformuleerde opmerkingen over de stand van zaken tussen mensen. Die opmerkingen hebben een omgekeerd effect: juist door zijn afkerige bitterheid toont Meuleman een grote gehechtheid aan de ander. ‘soms valt het mee, zoals toen twee kussende veulens’, dicht hij. Dieren zijn geregeld prooi in omdat ik ziek werd. In plaats van zich af te wenden van het onbehagen kijkt Meuleman zijn onderwerp recht in de ogen en spreekt het toe, zoals een hond die uitgelegd moet dat zijn baasje is overleden met beide handen bij de kop wordt vastgepakt.
omdat ik ziek werd opent met een lange serie wakker blijven, waarin de dichter op een natuurlijke en kalme manier zowel concrete als abstracte noties aaneenrijgt door ze als mededelingen te presenteren. Het is moeilijk je als lezer niet aangesproken te voelen. Af en toe ketsen de woorden in hun directheid van de pagina. Twee korte series besluiten het werk, vier gedichten en wat ik deed. Werkelijk negatief is Meuleman niet: ‘dat diep in ons een aanwinst schuilt/ als niemand wacht.’ De grimmige ondertoon is op een aangename wijze ongeposeerd. Het zijn doodeerlijke gedichten die Bart Meuleman schrijft. omdat ik ziek werd is een dunne bundel met een fikse spanwijdte.
‘ik kwam iets van mijzelf op het spoor, waarachtig./ moeilijk mee te delen, onbruikbaar in een breed maatschappelijk verband,/ tenzij/ voor wie niet luisteren wil/ naar wat ons dag na dag vergeefs wordt aangeleerd.’ Voor minder dan dat doet de dichter het niet. De onafwendbare ernst van Bart Meuleman is draaglijk door scherpe, niet zelden humoristische formuleringen.
ERIK LINDNER

Prikkelend
en hoekig
K. MICHEL
IN EEN HANDPALM
Augustus, 160 blz., € 19,90

Een informatiecentrum is ‘reuze instructief’, een lucht ‘bar rommelig’, een kerstpakket ‘belazerd’ en verkeerspijlen zijn ‘fors’ en ‘bazig’. De ziel is ‘iets dat het midden hield tussen een fantastische vogel en een vliegende omelet’. Nuchtere adjectieven, sprekende beelden – prettig montere taal typeert het werk van K. Michel.
In een handpalm is een van-alles-wat-boek met gedichten, foto’s, verhalen, ontwerpen voor T-shirts, aforismen en anekdotes. Het is een aangenaam bladerboek zonder voorgeschreven leesrichting. Je kunt beginnen bij de Niet-verzonden brief (aan Julio Cortázar), waarin via kolderieke observaties over kattenvoer wezenlijke vragen over betekenis worden gesteld. Of bij de beschouwing over een film van een douchende man op Schiphol, bij Walter Benjamin of H.H. ter Balkt. Je kunt je vermaken met een intrigerende (broodje aap-)anekdote over Henri Michaux, kennismaken met de strips van Ben Katchor, melige gedichten over Balkenende-taal lezen en nog veel meer.
Een dik boek is het niet, vol is het wel. K. Michel is niet van de uitweiding, meer van de omweg. En altijd weet hij die omwegen en zijpaden in een onverwacht, een prikkelend en vaak geestig verband te plaatsen. In Over het monteren schrijft K. Michel over de werkwijze van Ezra Pound: ‘Twee beelden uit totaal verschillende registers worden hoekig met elkaar gecombineerd.’
Michels werk heeft ook zo’n hoekigheid. Het wil nergens behagen maar weet kraakhelder de alleringewikkeldste kwesties aan de orde te stellen. Met een soort natuurwetenschappelijk ontledingsvermogen kan hij snijden tot in de ziel, zoals in het gedicht Voorbij de schaal van Beaufort, dat begint met een kale, hier en daar bijna educatieve opsomming van de verschijnselen die optreden bij toenemende windkracht: ‘3/ vlaggen wapperen, spinnen lopen niet meer’. En dat je dan onverwacht, klaboem, met een slotstrofe compleet uit het lood slaat:

En dan is er hors série
natuurlijk nog een dertiende windkracht
adembenemend klokstokkend
waarvoor alle dingen
niet meer zijn dan paardenbloempluis
een kracht die
een gigantisch zwart ei door de graslanden rolt
over de dorpen en verkeerspleinen
een ei dat walst en log stuitert
door de heuvels over de voorsteden onder de sterren
– zachtjes krakend – maar zelf nooit breekt
omdat het zo niets is als nergens maar kan zijn
zo niets als het gegaap van het heelal
maar slaap kan worden – dag zusje

JANITA MONNA
Waanzinnig en echt

JOSEPH O’CONNOR
REDEMPTION FALLS
Vertaald door Harm Damsma en Niek Miedema, Nieuw Amsterdam, 511 blz., € 22,50

Redemption Falls van de Ier Joseph O’Connor begint faulkneriaans: een hongerig zestienjarig meisje, Eliza Mooney, zwerft in 1865 door de verscheurde wereld van de aflopende Amerikaanse Burgeroorlog, op zoek naar haar broertje Jeddo (Jeremiah). Zij is bijna gek van uitputting maar houdt vol. Bij zich draagt ze een bijbeltje. Ze weet dat er meer doden in de oorlog zijn gevallen dan er bladzijden in haar boek zitten. Ze is een mier op de landkaart. Toch overleeft ze en vindt uiteindelijk haar broertje, een Kaspar Hauser-type met Iers-Mexicaans bloed. Via een andere verschoppeling en balling – gouverneur O’Keeffe van het stadje Redemption Falls – leren we deze zwijgzame maar intelligente eenling een beetje beter kennen. De gouverneur vindt hem in de put van een gouddelversmijn en neemt hem in huis.
Maar laat ik me niet verliezen in het navertellen van de onnavolgbare en weergaloze plot. Want de echte verrassing is de zowel betrouwbare als onbetrouwbare verteller, die zijn eigen identiteit tot de slotzin verborgen weet te houden. Tijdens zijn schrijfwerk, ten tijde van de opkomst van Hitler, beweert die raadselachtige verteller een New Yorkse hoogleraar in ruste te zijn, J.D. McLelland. De voettocht van Eliza Mooney ‘dient voor mijn verlossing’.
Die woorden staan al op bladzijde 24, maar de lezer kan dan nog niet bevroeden wat professor McLelland precies te maken heeft met O’Keeffe, Lucia en Eliza en waarom Joseph O’Connor uitgerekend met Eliza’s voettocht door Amerika begint. De laatste twee woorden van Redemption Falls, zogenaamd bezorgd door documentalist McLelland (natuurlijk een pseudoniem) brengen de verlossing voor de lezer. Of toch niet? Misschien blijft hij, net zoals de verdwaasde Eliza of zoals de tot levenslang veroordeelde gouverneur O’Keeffe, door een droomwereld lopen, is niets echt en blijven alle banden verbroken. Alle verwoed schrijvende personages in het meesterwerk Redemption Falls dragen bij aan de uiteindelijke roman. Joseph O’Connor heeft het totaaloverzicht en regisseert een wereld, verpakt in een waanzinnige historische vertelling, die in geen enkel geschiedenisboek voorkomt maar die wel echt is.
GRAA BOOMSMA