DE BETEKENIS VAN DE SPELEN

RIMPELINGEN VAN EXTASE trokken door het Vogelnest toen Liu Xiang, de olympische titelhouder op de 110 meter horden, nonchalant het spectaculaire atletiekstadion binnen slenterde. De morgenzon bescheen het jongensachtige gelaat, accentueerde de roofdierachtige onverschilligheid van zijn tred. Dit was geen mens, maar een gunsteling van de goden. 18 augustus 2008 was zijn dag, de dag waarnaar de voltallige natie vier lange jaren had uitgezien. Liu zou zijn olympische titel prolongeren en en passant de pretentieuze kroonpretendent uit Cuba, Dayron Robles, op zijn nummer zetten. Tien minuten later verdampte de euforie, verrukking maakte plaats voor verbijstering. De halfgod greep na enkele oefensprintjes en een eerste, valse, start, vertwijfeld naar zijn been en hield het voor gezien. In stilte dropen de tienduizenden bezoekers af; dat er na Liu nog andere atletische hoogtepunten op de agenda stonden was niet langer relevant.
Met schoonspringen, pingpongen, turnen en boogschieten – sporten die passen in de Chinese circuscultuur, waarbij door eindeloos veel oefenen de acrobaten een bijna onmenselijke graad van perfectie bereiken – grossiert het land met het grootste gemak in gouden medailles. Prestaties die een gepast gevoel van trots geven, maar het Chinese sporthart niet sneller doen kloppen. Citius, altius en fortius – dat is waar het bij de Spelen om gaat en de Chinezen zijn zich er pijnlijk van bewust dat ze trager lopen, lager springen en minder heffen. Oké, door gerichte programma’s kun je een gele gewichtheffer op wereldniveau laten meedoen, maar de witte en zwarte atleten blijven harder lopen en hoger springen. Totdat Liu Xiang in 2004 naar Athene ging en de natie verbijsterde door in een nieuw wereldrecord de olympische titel te veroveren. Zijn commentaar na afloop liet aan duidelijkheid niets te wensen over: ‘Dit is een trots moment. Niet alleen voor China, maar voor alle mensen met een gele huidskleur. Wij Chinezen zijn in staat om met atletiek een gele tornado te ontketenen.’ Vier jaar lang leefde het land in de roes van zijn overwinning, vier jaar lang werd iedere stap van de atleet gevolgd. Op eigen bodem zou hij de kroon op zijn werk zetten. Het mocht niet zo zijn.

‘Berlijn’ stond voor de poging van de nazi’s om de superioriteit van het Arische ras aan te tonen. Een verwerpelijk streven dat door de zwarte Jesse Owens belachelijk werd gemaakt: hij zette de blonde renpaarden van Hitler volledig voor schut. Pekings fascinatie met ras en sport lijkt op die van Berlijn, maar is op de keper beschouwd fundamenteel anders. Millennialang was het Rijk van het Midden ervan overtuigd dat zijn beschaving superieur was aan die van de barbaren. Niet door de wapenen, maar door de Weg. De Weg stond voor het deugdzame keizerlijk bestuur, dat de omringende volkeren als motten naar het vuur trok. In de praktijk waren de Zonen des Hemels pragmatisch genoeg om met grote legers het land bij elkaar te houden, maar de overtuiging dat China dankzij de ethische kracht van zijn beschaving tot grootheid was gekomen groeide uit tot geloofsartikel.
De westerse overheersing van het land tijdens de ‘eeuw van vernedering’ (1842-1949) bracht een ernstige deuk toe in het nationale zelfvertrouwen: was de verwijfdheid van het oude rijk niet de oorzaak van zijn verval? Moesten de Chinezen niet even weerbaar en mannelijk worden als de agressieve westerlingen? Deze uit onzekerheid geboren vragen leidden tot een verheerlijking van sport als balsem voor de gekrenkte nationale ziel. De Duitsers bliezen Berlijn op vanuit hun gevoel van superioriteit, de Chinezen zijn sinds de Spelen van Los Angeles (waar het land zijn olympische entree maakte) bezig om af te komen van hun minderwaardigheidscomplex.
Lijken de Spelen van Peking dan meer op die van Seoul van 1988? Ook die vergelijking gaat mank. De Spelen in Zuid-Korea dienden als katalysator voor democratische hervormingen en voor een onderzoek naar het bloedbad van Kwangju in mei 1980, waarbij het leger een studentenopstand gericht tegen het militaire bewind van generaal Chun Doo-hwan met harde hand neersloeg. De Spelen van Peking, zoveel is nu wel duidelijk, resulteerden juist in minder vrijheid. De veiligheidsmaatregelen rond de stadions waren extreem, burgers werd verboden te demonstreren en openbare kritiek op het nut van de gigantische, geldverslindende exercitie leidde – zoals de activist Hu Jia aan den lijve ondervond – tot opsluiting. De Spelen van Peking gaan zeker ook niet leiden tot een onderzoek naar het Chinese Kwangju: het neerslaan van de studentenopstand op het Plein van de Hemelse Vrede op 4 juni 1989.
‘Noch Berlijn, noch Seoul’ betekent niet dat er niets verandert in China. Integendeel. Sinds de start van de ‘open deur’-politiek in 1978 is het land voortdurend in beweging. De Spelen zijn in groter verband bezien enkel een piketpaal op de Lange Mars naar modernisering en integratie – op Chinese voorwaarden – in de wereld. Wat augustus 2008 uitzonderlijk maakte, was de verblindende aandacht van de wereldpers. Om het respect te krijgen waar het land om historische redenen zo naar hunkert, hebben de nieuwe keizers kosten noch moeite gespaard om het oude rijk over het voetlicht te brengen als een modern, vriendelijk en uiterst efficiënt gerund land. Dat is zeker gelukt, maar op een dieper niveau had het vrijlaten van dissidenten of een uitnodiging van de dalai lama voor de openingsceremonie meer respect opgeleverd dan het binnenhalen van 51 gouden medailles. Niet als tegemoetkoming aan die bemoeizuchtige westerlingen met hun gezeur over mensenrechten, maar als uiting van de confucianistische compassie die China ooit tot het grootste land op aarde maakte.