De evolutie volgens Yuval Noah Harari

De betekenis van het leven

De macrogeschiedenis van Yuval Noah Harari gaat niet over mensen, maar over de mensheid. En hij concludeert dat ze beschikt over ‘supervermogens’ die in het verleden waren voorbehouden aan goden. Enter Homo Deus, de mens-god.

‘Wat is dan de betekenis van het leven?’ Het staat er bijna achteloos, ergens onder aan de pagina, op ongeveer driekwart van het boek. De Vraag der Vragen. Een mysterie waar wetenschappers, filosofen en geestelijken zich door de eeuwen heen het hoofd over hebben gebroken. Een ongrijpbaar raadsel dat kunstenaars van alle tijden tot schepping drijft. Maar voor Yuval Noah Harari is het simpelweg een zinnetje om een nieuwe alinea mee te beginnen. En door. Op naar de volgende existentiële kwestie, want hoe zit het eigenlijk met de vrije wil? Het is tekenend voor de werkwijze van de Israëlische historicus: dit is iemand die de Grote Vragen niet schuwt.

Voor antwoorden richt Harari zijn blik naar het verre verleden. In 2011 publiceerde hij Sapiens, een opzienbarend boek van vierhonderd pagina’s, waarin hij tweehonderdduizend jaar menselijke geschiedenis samenbalt, dat begint bij een haarloze aap die over de Afrikaanse savannes struint en eindigt met een halfgod die de complete planeet beheerst. In Israël voerde het boek jarenlang de bestsellerlijst aan en ook de Engelse vertaling werd in 2014 direct met groot enthousiasme ontvangen. Bill Gates prees Sapiens de hemel in, Facebook-oprichter Mark Zuckerberg raadde het aan voor zijn online boekenclub en Barack Obama noemde het als een van de tien boeken die zijn denken gevormd hebben (naast onder meer het verzameld werk van Abraham Lincoln).

In Sapiens vertelt Harari het ongekende succesverhaal van de mensheid: hoe kon onze soort uitgroeien tot zo’n dominant en almachtig wezen? Slechts tweehonderd millennia had de Homo sapiens nodig om op te klimmen tot de absolute top van het dierenrijk. Dat is, afgezet tegen de totale geschiedenis van de planeet, niet veel meer dan een oogwenk. In die korte periode is de mens geëvolueerd tot een intelligent wezen dat buitenaardse planeten bezoekt en boeken schrijft over zijn eigen ontstaansgeschiedenis, die vervolgens massaal worden verslonden. We willen begrijpen waar we vandaan komen, om ons te oriënteren op de toekomst. En Harari voorziet in deze behoefte. Sapiens verscheen in meer dan dertig talen en verkocht miljoenen exemplaren.

Voor zijn internationale doorbraak had Harari (1976) zich voornamelijk beziggehouden met middeleeuwse krijgsgeschiedenis. Hij bracht doorwrochte academische studies uit met weinig lonkende titels als Renaissance Military Memoirs: War, History and Identity, 1450–1600 en Special Operations in the Age of Chivalry, 1100–1550. Het waren de logische eerste stappen op het geijkte pad voor een gepromoveerd geschiedkundige: een specialisatie opbouwen, publiceren en zo gestaag een naam opbouwen. Maar de prikkelende existentiële vraagstukken die Harari van kinds af aan zo fascineerden kwamen nauwelijks aan bod.

Een ommekeer kwam toen hij na zijn doctoraat in Oxford terugkeerde naar Israël, met een PhD op zak, maar zonder baan. Op Hebrew University in Jeruzalem was er nog wel een plekje vrij als docent ‘wereldgeschiedenis’, een introductievak dat niemand anders wilde geven. Het zou te veelomvattend en oppervlakkig zijn voor serieuze academici. Voor Harari, een iele dertiger met zwarte plukjes donshaar op zijn kalende schedel, betekende het de opmaat voor een onwaarschijnlijke wereldfaam. Filmpjes van zijn colleges werden bekeken door miljoenen Israeliërs en zijn lesvoorbereidingen legden de basis voor Sapiens.

Zijn nieuwe boek, Homo Deus, gaat verder waar die eerste bestseller eindigde. De mens is zo machtig geworden dat we God naar de kroon steken, maar eigenlijk hebben we geen flauw idee wat we met al die macht aan moeten. Hongersnoden zijn nagenoeg de wereld uit geholpen, oorlogen worden steeds zeldzamer en iedere generatie leeft langer en gezonder dan de vorige. Luilekkerland ligt om de hoek, maar wat nu? Een nieuwe horizon ontbreekt, schrijft Harari: ‘Als brandweerlieden in een wereld zonder vuur, zo moet de mensheid zich in de 21ste eeuw een unieke nieuwe vraag stellen: wat gaan we nu met onszelf aanvangen?’

Het mag vreemd lijken dat een historicus durft te speculeren over de toekomst, voor Harari is het volstrekt vanzelfsprekend. Sapiens eindigde met vragen die om een antwoord schreeuwen. Vragen die worden opgeworpen door zowel megalomane techgoeroes uit Silicon Valley als nuchtere onderzoekers van wetenschappelijke adviesraden. Zitten we dankzij robotisering straks allemaal zonder baan? Hoe gaan we om met technologie waarmee we nieuw leven kunnen ontwerpen alsof het een bouwpakket is? En wat als de dood, de grote gelijkmaker, straks niet langer onvermijdelijk is? Door dit soort vragen in historisch perspectief te plaatsen laat Harari zien hoe ingrijpend de revolutie is waarvan we aan de vooravond staan. We zijn bezig ‘om mensen te upgraden tot goden’.

Wat onmiddellijk opvalt aan Sapiens en Homo Deus is het gemak waarmee Harari de grenzen van academische disciplines doet vervagen. Inzichten uit de neuropsychologie, biologie en de taalkunde zijn even onmisbaar voor zijn verhaal als geschiedkundige theorieën. Dat kan ook weinig anders wanneer je, zoals Harari, een chroniqueur van de mensheid wil zijn. Daarvoor is de traditionele gereedschapskist van een historicus nu eenmaal ontoereikend. Er zijn geen ooggetuigenverslagen van de Agrarische Revolutie. Er bestaan geen schriftelijke bronnen die het uitsterven van de Neanderthaler kunnen verklaren.

Harari bedrijft een vorm van Big History: een historiografische benadering die de volledige wereldgeschiedenis omspant – vanaf de oerknal (die hij noemt in de eerste zin van Sapiens) tot aan mogelijke toekomstscenario’s (waar hij met Homo Deus een heel boek aan heeft gewijd). Om grip te krijgen op de duizelingwekkende tijdspannes gaat de Grote Geschiedschrijver holistisch te werk: voor poppetjes en gebeurtenissen heeft hij nauwelijks oog. Wanneer de Slag bij Waterloo was, of wat Martin Luther King heeft gedaan, is voor dit soort macrogeschiedenis irrelevant. Het gaat over de mensheid, niet over de mensen.

Die helikopterblik biedt Harari de vrijheid om te interpreteren en te provoceren: vol zelfvertrouwen neemt hij de lezer aan de hand als een eloquente en vermakelijke gids. Harari is niet iemand die neutraal en afstandelijk beschrijft, maar laat zijn eigen oordelen duidelijk doorschemeren. Zo lijkt hij het boeddhisme welwillender te bespreken dan andere religies (Harari gaat regelmatig op meditatiecursussen en stilte-retraites), noemt hij de mens een ‘ecologische seriemoordenaar’ en vindt hij de moderne bio-industrie ‘misschien wel de grootste misdaad uit de geschiedenis’ (Harari is een veganist en schreef een voorwoord voor Peter Singers klassieker Animal Liberation).

Het kwam hem bij enkele vakgenoten op stevige kritiek te staan. Zijn frivole pen en persoonlijke opvattingen gaan bij tijd en wijle ten koste van de zorgvuldigheid, vonden zij. Onwelgevallige details of alternatieve theorieën zou hij wel erg gemakkelijk terzijde schuiven. In The Wall Street Jounal schreef de vermaarde wetenschapsjournalist Charles C. Mann een stekelige recensie: ‘Sapiens deed me op sommige momenten denken aan discussies op online fora, waar internetgebruikers blaten over de zogenaamde “ijzeren wetten van de geschiedenis”. Dit boek is hoe zo’n forum zou zijn als het niet geschreven was door jeugdige autodidacten, maar door academici met een schalks gevoel voor humor.’

De Agrarische Revolutie noemt Harari de ‘grootste zwendel van de geschiedenis’

De meeste recensenten kostte het echter weinig moeite om Harari zijn slordigheden te vergeven. Juist doordat hij niet verzandt in academisch gesteggel zijn Sapiens en Homo Deus ware page turners: dankzij zijn meesterlijke vertelstijl en aanstekelijke verwondering vinden zijn ‘beknopte geschiedenissen’ gretig aftrek bij een groot publiek. Bij vlagen is Harari ongegeneerd uitleggerig, maar nergens wordt dat storend. (Zijn cv vermeldt dat zijn studenten hem vier jaar op rij verkozen tot ‘uitmuntend docent.’) Op één pagina vliegt hij van pre-historische praktijken naar de kracht van algoritmen, om een futuristisch toekomstbeeld te schetsen alvorens terug te keren naar de oertijd. Harari biedt volop stof tot nadenken, al roept hij, zeker in Homo Deus, soms meer vragen op dan hij beantwoordt.

Het verfrissende aan Harari’s Grote Geschiedenis is dat hij de triomftocht van de mens niet reduceert tot een eenduidig vooruitgangsverhaal. Zeker: de mens is rijker, gezonder en vreedzamer dan ooit, maar wie focust op materiële maatstaven vertelt slechts een deel van het verhaal. Harari valt niet ten prooi aan de verleiding om jubelende statistieken te verzamelen en vervolgens de loftrompet te blazen over de grote prestaties van de mensheid, zoals sommige vooruitgangsdenkers doen. In hun ogen is de menselijke geschiedenis een almaar opwaartse lijn.

Op zulke simplistische conclusies zul je Harari niet betrappen. De Agrarische Revolutie, over het algemeen beschouwd als een sprong voorwaarts, noemt hij de ‘grootste zwendel van de geschiedenis’. Evolutionair gezien was het weliswaar een succes – de bevolkingsgroei explodeerde door de gigantische toename van voedselproductie – maar de gemiddelde aardbewoner was slechter af dan in het Stenen Tijdperk. Slechts een klein clubje landeigenaren profiteerde, terwijl de doorsnee boer die dag in, dag uit op het land stond harder werkte en vaker honger leed dan zijn voorouders. ‘Deze discrepantie tussen evolutionair succes en individueel leed is misschien wel de belangrijkste les die we kunnen trekken uit de Agrarische Revolutie’, schrijft hij.

Wat bezielde de jagers en verzamelaars dan om over te stappen op landbouw? Waarom begonnen mensen rond 10.000 voor Christus op verschillende plekken ter wereld dieren en planten te domesticeren? We zijn, stelt Harari, massaal in een ‘luxevalkuil’ gelopen: ‘Een van de weinige ijzeren wetten van de geschiedenis is dat luxe zich vaak ontwikkelt tot noodzaak en dan weer nieuwe verplichtingen schept. Zodra mensen gewend raken aan een bepaalde luxe gaan ze die voor lief nemen. Daarna gaan ze erop rekenen. Uiteindelijk bereiken ze het punt dat ze niet meer zonder kunnen.’

Er zat geen masterplan achter de Agrarische Revolutie. Het was simpelweg het resultaat van een constante reeks ‘verbeteringen’, die bedoeld waren om het leven van de volgende generatie te verlichten, maar uitmondden in een tijdperk met grotere ontberingen, omdat niemand de consequenties op de lange termijn kon overzien. Deze ijzeren wet is een kracht van verandering die de mensheid voortstuwt, maar niet noodzakelijkerwijs leidt naar betere tijden. We zien het voor onze ogen gebeuren: afgestudeerde jongeren jagen prestigieuze kantoorbanen na om zich een slag in de rondte te werken voor een riant salaris. Waarom? Omdat ze zo een mooi huis kunnen kopen, ’s avonds kunnen uithijgen voor een breedbeeldtelevisie en kunnen sparen om hun kinderen naar topuniversiteiten te sturen. Zodat die kinderen op hun beurt een soortgelijke cyclus kunnen doorlopen. Worden we daardoor op den duur werkelijk gelukkiger? Dat is voor Harari allerminst vanzelfsprekend.

Yuval Noah Harari – We zijn bezig ‘mensen te upgraden tot goden’ © privé-collectie

De vraag naar geluk is wat Harari onderscheidt van vooruitgangsdenkers. Zij meten de levensverwachting, de welvaart en het opleidingsniveau – zien dat allemaal stijgen en concluderen: het gaat almaar beter met de mensheid. Dat is Harari te gemakkelijk, want – hier komt de boeddhist om de hoek kijken – wie zegt dat materiële welvaart gelukkig maakt? Het is een ongebruikelijke vraag voor een wetenschapper, laat staan voor een historicus. Maar uiteindelijk is dat waar het allemaal om draait, schreef Harari in een essay voor The Guardian: ‘Met de opkomst van het individualisme en de teloorgang van de collectieve ideologieën is geluk misschien wel onze opperste waarde geworden.’ Het is de ultieme rechtvaardiging van iedere beslissing die we nemen, ‘gelukkig zijn’ is het allerhoogste doel in het leven. Toch is dit de grote blinde vlek van de wetenschap. ‘Academici hebben de geschiedenis van vrijwel alles onderzocht – politiek, economie, seksualiteit, voedsel – maar zelden hebben ze de vraag gesteld welk effect dit heeft op het menselijk geluk. Dat is de grootste lacune in ons begrip van de geschiedenis.’

Voor de goede orde: Harari is geen romanticus à la Rousseau, voor wie technologie en beschaving de wortel van al het kwaad zijn. De primitieve mens leefde allerminst in een paradijselijke toestand, van een perfecte harmonie tussen mens en natuur was nooit sprake. Onze verre voorvaderen zouden jaloers zijn op onze medicijnen en comfortabele woningen, in veel opzichten hebben we het heus beter gekregen. Maar dat betekent niet automatisch dat een fabrieksarbeider in Bangladesh nu gelukkiger is dan een horige boer in de Middeleeuwen. Het is even dogmatisch om je blind te staren op de schaduwzijden van de moderniteit als op de materiële verworvenheden, stelt Harari. Volgens hem kan de overgang naar de moderniteit het best worden begrepen als een faustiaans pact, een contract dat kan worden samengevat in één enkele zin: ‘Mensen geven betekenis op in ruil voor macht.’

Sinds de wetenschappelijke revolutie bekijken we de wereld met een koele, redelijke blik en proberen we de werking van het universum te vangen in wiskundige wetten. Het ‘wetenschappelijke dogma’, noemt Harari dat, waarin kennis gelijk staat aan macht. In toegankelijke bewoordingen beschrijft hij een proces dat de Duitse socioloog Max Weber de ‘onttovering van de wereld’ heeft genoemd: de magische verwondering verdwijnt, om plaats te maken voor rationele calculatie. Om de wereld om ons heen te doorgronden, grijpen we niet langer naar mythes of goden, maar naar wetenschappelijke instrumenten en nieuwe technologieën.

Ondertussen blijft één vraag echter onbeantwoord: wat is de betekenis van het leven? Konden we voorheen onze blik nog tot de hemel richten, sinds de dood van God zijn we ook voor dit soort brandende levensvragen op onszelf aangewezen. Religie bood op z’n minst een denkrichting. Wetenschap niet. We kunnen atomen splitsen, menselijke cellen kweken in varkens en sterrenstelsels ontdekken, maar het brengt ons geen stap dichter bij het enigma des levens. Zelfs het slimste algoritme kan hier geen antwoord op kan geven. Het is zoals de scène uit de sciencefictionklassier A Hitchhiker’s Guide to the Galaxy waarin de computer Deep Thought wordt gevraagd naar het ‘antwoord op de ultieme vraag over het Leven, het Universum en Alles’. Na 7,5 miljoen jaar rekenen komt Deep Thought met een antwoord: ‘42’.

Er is, zo klinkt het vaak, behoefte aan een ‘nieuw verhaal’. Ooit boden religies en ideologieën houvast, maar in een volstrekt onttoverde wereld missen we een gemeenschappelijke horizon. Sindsdien dolen we gedesoriënteerd rond, zonder nog een collectief project voor ogen te hebben. Her en der steekt een premodern fanatisme de kop op, maar een overtuigend ‘tegenverhaal’ ontbreekt. Het is een boodschap die regelmatig doorklinkt in de essays en columns van P.C. Hooft-prijswinnaar Bas Heijne, zoals bijvoorbeeld in het recent verschenen Onbehagen, waarin hij ‘nieuw licht’ werpt op ‘de beschaafde mens’. Zonder verhalen, schrijft hij daar, ‘kan een mens niet goed mens zijn’.

Wie Harari’s Grote Geschiedenis leest raakt doordrongen van de vergankelijkheid van het heden

Harari is wat dat betreft een denker naar Heijne’s hart. In het werk van de Israëliër, waar Heijne in Onbehagen op steunt, staat de kracht van het verbindende verhaal centraal. Volgens Harari is het de reden dat de mensheid überhaupt heeft kunnen floreren. Collectieve ficties stellen ons in staat om onze evolutionaire beperkingen te overstijgen. Het onderscheidt de mens van al het andere leven op aarde. Anders dan dieren kunnen wij samenwerken en een verwantschap voelen met soortgenoten die we nog nooit hebben ontmoet. Chimpansees leven in kleine groepen, hun loyaliteit blijft beperkt tot de apen in hun directe nabijheid, terwijl mensen mythes in het leven roepen waarmee we abstracte gemeenschappen smeden.

‘De cruciale factor bij onze verovering van de wereld was ons vermogen om veel mensen met elkaar te verbinden’, schrijft Harari in Homo Deus. En daarvoor hebben we verhalen nodig. De menselijke geschiedenis is een aaneenschakeling van ‘ingebeelde ordes’, die door de eeuwen heen worden opgetuigd en afgebroken. Oermensen offerden dieren om de natuurgoden tevreden te stellen, in de Middeleeuwen gingen christenen op kruistochten om hun geloof te verdedigen, en tijdens de Eerste Wereldoorlog trokken Franse soldaten naar het front, bereid om te sterven voor hun vaderland.

Zelfs nu het tijdperk van de Grote Verhalen ten einde zou zijn en de ideologische strijd gestreden, hangt onze wereld nog aan elkaar van verhalen. Landsgrenzen, geld, diploma’s: het zijn allemaal hedendaagse mythes. Deze ‘ingebeelde werkelijkheden’ ontlenen hun bestaansrecht aan een intersubjectief web van betekenis. Bij Harari geldt dat evengoed voor een rijke culturele traditie als het christendom als voor iets banaals als het automerk Peugeot.

Het zijn van die passages waar Harari wel erg kort door de bocht gaat. Want zijn deze voorbeelden werkelijk van dezelfde orde? Je hoeft geen overtuigd gelovige te zijn om hier vraagtekens bij te plaatsen. Van sommige verzinsels beseffen we dat ze enkel bestaan in ons collectieve voorstellingsvermogen. Iedere consument begrijpt dat het briefgeld in zijn portemonnee éigenlijk een waardeloos stukje papier is. Geen Peugeot-rijder zal in de veronderstelling verkeren dat het automerk meer is dan een juridisch construct met een logo. Maar voor een christen is God geen fictie, voor een gelovige is Hij een absolute waarheid. Net zoals voor een hardcore kapitalist de wet van de onzichtbare hand even onbetwistbaar is als de wet van de zwaartekracht. Of zoals de communist heilig gelooft in de klassenloze maatschappij. Zulke verhalen kunnen enkel als bindmiddel fungeren zolang ze hun eigen fictieve gehalte ontkennen.

Het aantrekkelijke van denken in grote tijdschalen is nu juist dat het makkelijker wordt om hedendaagse vanzelfsprekendheden te doorprikken. Neem het kapitalisme, waar Harari in Sapiens een heel hoofdstuk aan wijdt. Als er één verhaal is waar we in de 21ste eeuw nog massaal in geloven is het wel het evangelie van economische groei. Maar, zo toont de Grote Geschiedenis, ook dit is slechts een vergankelijk verhaal: het was ooit anders en het zal ooit anders zijn. Vanuit Harari’s meta-perspectief kunnen we historische en huidige mythes feilloos ontleden. Maar tegelijkertijd komen we tot de conclusie dat we niet zonder kunnen.

In Homo Deus signaleert Harari de opkomst van een nieuwe religie: het dataïsme. Volgelingen koesteren een blind vertrouwen in de alwetendheid van Big Data en de kracht van algoritmen. Vanuit religieus oogpunt is Silicon Valley momenteel de interessantste plek op aarde, meent Harari. Daar lopen de nieuwe hogepriesters van het geloof in technologische vooruitgang, die in hoog tempo bezig zijn om de mens goddelijke kwaliteiten te verschaffen. Nieuwe levensvormen scheppen, op afstand communiceren, zich verplaatsen met hoge snelheden en het eeuwige leven leiden: in het verleden waren dit soort ‘supervermogens’ enkel voorbehouden aan goden. Maar inmiddels leven we in het tijdperk van de Homo Deus, de mens-god.

Hier neemt Harari’s geschiedenis een dystopische wending, want paradoxaal genoeg gaat de groei van macht gepaard met een existentiële bedreiging voor de mens. Als we niet oppassen zal ons succes straks onze ondergang betekenen. De grote omwenteling die zich in de 21ste eeuw voltrekt, schrijft Harari, is de ontkoppeling van intelligentie en bewustzijn. En bij de rekenkracht van computers steekt de menselijke intelligentie nu al schril af. We kunnen weliswaar nog geen robots bouwen die gevoelens of verlangens hebben, het is niet eens zeker of we daartoe ooit in staat zullen zijn, maar het punt is dat dit er weinig toe doet. Bewustzijn is overbodig geworden.

Eigenlijk is dat de schuld van biologen, schrijft Harari. Zij hebben ingezien dat de mens in wezen niet veel meer is dan een complex algoritme. Geen enkele wetenschapper heeft ooit het bewijs kunnen vinden voor vage concepten als ‘bewustzijn’ of ‘vrije wil’, maar we begrijpen beter dan ooit hoe onze hersenen functioneren – namelijk als een machine die data verwerkt. Die kennis hebben we ingezet om ons lot te verbeteren, door nieuwe algoritmen te bouwen die beter dan ons feilbare mensenbrein kunnen omspringen met grote bergen data. Dataïsten geloven dat dit de weg is naar het beloofde land; zij beschouwen de kosmos als een datastroom waarmee de mens uiteindelijk zal versmelten.

Je hoeft geen sciencefiction-nerd te zijn om te weten wat de potentiële keerzijdes zijn. Wat als kunstmatige intelligentie aan de menselijke controle ontsnapt en zich als een Monster van Frankenstein tegen haar schepper keert? Wat als Google en Facebook ons leven volledig beheersen, of we langzaam afglijden naar een orwelliaanse politiestaat? Dit soort doemscenario’s zijn niet bepaald origineel: ze vormen de basisbestanddelen van boeken als De Cirkel en televisieseries als West World. De grote verdienste van Harari is dat hij al deze inzichten samenbrengt en integreert in een alomvattende geschiedenis, waardoor de boodschap stevig aankomt. We staan op de drempel van een compleet nieuwe fase in de evolutie. En er is geen enkele garantie dat die er rooskleurig uit zal zien.

We dreigen opnieuw in de luxevalkuil te lopen, waarschuwt Harari: ‘De verschuiving van autoriteit van mensen naar algoritmen gebeurt overal om ons heen, niet als gevolg van een of andere zwaarwegende overheidsbeslissing, maar door een vloedgolf van alledaagse persoonlijke keuzes.’ Zo ging het ook bij de Agrarische Revolutie: doordat niemand het grotere plaatje kon overzien, dreef de mensheid in een ongewenste richting. Maar kunnen we überhaupt op de rem trappen? Of zijn we simpelweg overgeleverd aan de ‘ijzeren wetten van de geschiedenis’?

Het antwoord van Harari is dubbelzinnig. Dat er ijzeren wetten te ontdekken zijn in de geschiedenis betekent nog niet dat de toekomst op voorhand vast ligt. Alleen in retrospectief kunnen macrohistorici logische verbanden leggen en schematische indelingen maken, maar over de toekomst kunnen ze enkel voorzichtig speculeren. Harari is geen determinist. Niemand weet hoe de wereld er in 2100 uit zal zien, dat hangt volledig af van de keuzes die we maken.

Tegelijkertijd lijkt de mens in Harari’s Grote Geschiedenis een machteloze speelbal van onstuitbare evolutionaire processen. Er zullen ongetwijfeld jagers en verzamelaars zijn geweest die tegenstribbelden: moet dat nou, die landbouw? We hebben het toch goed zo? Net zoals er nu dwarse luddieten zijn die weigeren een mobiele telefoon aan te schaffen of een e-mailaccount te openen. Ze zullen onvermijdelijk worden ingehaald door de geschiedenis. Eigenlijk kan niemand op de rem trappen, erkent Harari, want ‘niemand weet waar die rem zit’. Mensen kunnen ongelooflijk veel kennis hebben op een specifiek deelgebied, maar ‘niemand is deskundig op het gebied van alles. Er is dus niemand die alle puntjes met elkaar kan verbinden en een compleet beeld heeft.’

Toch is dat precies wat Harari doet, de puntjes verbinden om een compleet beeld te schetsen. Althans, van het verleden. Die ordelijke macrogeschiedenis biedt een prettig tegengif voor de gekte van het dagdagelijkse nieuws. Het stelt je in staat om een paar reuzenstappen terug te doen en alles in perspectief te plaatsen: even geen Trump, geen oorlogen in het Midden-Oosten en geen verkiezingscampagnes. In de stroom van de geschiedenis zijn dat slechts onbeduidende rimpelingen. Het is een comfortabele positie, zelfs de toekomstscenario’s zijn zo overweldigend dat ze een geruststellende abstractie hebben. Wie Harari’s Grote Geschiedenis leest raakt doordrongen van de nietigheid van het individu en de vergankelijkheid van het heden. Dat is, in tijden als deze, een rustgevend escapisme.

Op 23 februari verschijnt de Nederlandse vertaling van Homo Deus bij Uitgeverij Thomas Rap