De betekenis van vrouwelijk verraad

Willa Cather, Een verloren vrouw, Vertaald door Gerda Baardman, Cossee, 159 blz., € 19,50

De oude prairies tussen de Ohio River en de Rocky Mountains kregen vlak na de Amerikaanse Burgeroorlog (1861-1865) een ware invasie te verduren. Go West, gretige immigranten! En dat deden miljoenen Duitsers, Scandinaviërs, Oostenrijkers en Ieren en andere avonturiers uit de Oude Wereld, dankzij de Homestead Act uit 1862 die kolonisten toestemming gaf onbeperkt land in bezit te nemen, waarna de spoorwegverbinding volgde. De wilde natuur van de Nieuwe Wereld - inclusief die paar overgebleven bizons en indianen - werd bezet, getemd en geplet door pioniers die zich niet lieten afschrikken door ontberingen. Ze waren heel goed in landjepik en landbouw, overleefden vele gevaren, bivakkeerden aanvankelijk in holen en hutten en maakten van Amerika God’s Own Country, dachten ze.

Dat is het oude verhaal. Noem het een mythe. Iedereen kent de Hollywood-beelden van de prairies, de kuddes en de cowboys. Maar niet alles werd verteld. De systematische massamoord op de Native Americans bleef te vaak buiten beeld. De Amerikaanse pastorale was veel minder paradijs dan hel: een vast thema van iedere Amerikaanse schrijver die zichzelf en zijn land serieus neemt.

Aan het eind van de negentiende eeuw bestonden de Verenigde Staten uit veel meer dan een bewoonde Oostkust. Het Midwesten was ontgonnen en kreeg vorm, Chicago werd een kapitalistische wereldstad én een slachthuis (lees Upton Sinclair) en duizenden nederzettingen tussen de Ohio River en de Rocky’s bleven overeind. Overal stichtten de pioniers een Main Street en vele zijstraten.

De Amerikaanse literatuur bleef niet achter. Sherwood Anderson (Ohio), Sinclair Lewis en F. Scott Fitzgerald (Minnesota), Ernest Hemingway (Illinois), Theodore Dreiser (Indiana) en Willa Cather (Virginia/Nebraska) gingen hun stempel op de vroeg-twintigste-eeuwse literatuur drukken. Het literaire Midwesten begon, onder leiding van Anderson tot en met Cather, een stevig literair woordje mee te spreken. Het dorpse Main Street dook overal op. Met name Sinclair Lewis en Willa Cather stonden in oudere literatuurgeschiedenisoverzichten (bijvoorbeeld Walter Allens Tradition and Dream, 1964) bekend als de leiders van ‘de revolte vanuit het dorp’. Maar zo'n omschrijving maakte deze schrijvers kleiner dan ze waren. Ze hadden meer op hun repertoire. Lewis werd een tijdje wereldberoemd (hij kreeg in 1930 de Nobelprijs) maar bleef een zwakke stilist; Willa Cather (1873-1947) was aanvankelijk een begenadigd journaliste en kreeg naam, als stijlvol schrijfster in de voetsporen van haar voorbeelden Gustave Flaubert en Henry James, met romans als My Antonia (1918), A Lost Lady (1923) en The Professor’s House (1925). Van A Lost Lady is deze zomer in de mooie Cossee Century-serie de Nederlandse vertaling Een verloren vrouw verschenen, met liefst drie uitleidingen.

'Omstreeks 1922 is de wereld in tweeën gebroken.’ Die bekende uitspraak van Cather sloeg niet op de opkomst van de Sovjet-Unie en de twintigste-eeuwse tweedeling in kapitalisme en communisme maar op de negentiende-eeuwse pioniersmentaliteit die teloorging met de opkomst van het moderne kapitalisme en de kille carrièremaker. Het verdwijnen daarvan betreurt én romantiseert ze in bijna al haar twaalf romans. Niet de Roaring Twenties, het tijdperk tussen de Eerste Wereldoorlog en de Beurskrach in 1929, had Cather in zijn greep. Daarvan vervreemdde ze. Ze zag zichzelf, opgegroeid in het gehucht Red Cloud in Nebraska, als iemand die als een klassieke Griekse met haar rug naar de toekomst stond en het prairieverleden koesterde als bescherming tegen de meedogenloze moderne tijd van winst voor weinigen en verlies voor velen. A happy childhood is also a writer’s goldmine. De beste dagen verdwijnen het eerste, was haar credo.

Niel Herbert, de romantische hoofpersoon uit Een verloren vrouw en student architectuur, mijmert in de trein naar Sweet Water, Nebraska - zijn geboortedorp - over de voorbije tijd. Zijn leeftijdgenoot Ivy Peters, als jongetje een dierenbeul en later een geslepen jurist, oftewel de vleesgeworden moderne tijd, is net naar de rookcoupé vertrokken. Het oude Westen, bedenkt Niel, is ontsloten door dromerige avonturiers die veel te hoffelijk en te onpraktisch waren. Ze bleken beter in de aanval dan in de verdediging. Mensen als Ivy Peters, die zelf nooit iets avontuurlijks hadden gewaagd, zouden 'de luchtspiegeling leegzuigen’, anderen bewust de ogen uitsteken, de vrijheidsgeest verpesten en alles van de oerpioniers afpakken. Niel beseft dat hij het einde van een tijdperk meemaakt: de eerste kolonisten worden uitgerangeerd en sterven. Hun tijd is voorgoed voorbij. Er is de oude wereld ('De smaak, de geur, de klank, de luchtspiegelingen die de mannen hadden waargenomen en waren gevolgd…’) en er is het twintigste-eeuwse kapitalisme van Henry Ford en de bankiers die hun spaarders laten barsten als hun leen- en speculatiemachine - de bank - het moeilijk krijgt: als de bank valt redden ze eerst het eigen hachje, de rest is sluitpost of wordt afgeschreven. In de romanwereld van Willa Cather is er altijd die tweedeling tussen het voorbije oude - het genereuze - en het moordend moderne - het materialistische.

Een verloren vrouw is een kleine maar rijke roman, met een psychologisering die bijna net zo gedetailleerd en nauwkeurig is als in Henry James’ The Portrait of a Lady of The American. De femme fatale - vooral voor Niel - is Marian Forrester, de jonge vrouw van kapitein Daniel Forrester, een gefortuneerd lid van de spoorwegaristocratie die een huis heeft laten bouwen in Sweet Water, Nebraska, op een plek waar vroeger een indiaanse nederzetting was. Hij leeft naar het romantische adagium 'wat je droomt bestaat al’. Het portret van de dame wordt achteraf geschilderd door een alwetende verteller en vanuit Niel, neef van rechter Pommeroy, die juridisch adviseur is van de oude en steeds gebrekkiger wordende Forrester. Niel heeft een verliefde en bezitterige blik, al weet hij dat zelf amper. Zijn strenge moraal botst op wat hij van haar ziet. Aanvankelijk adoreert hij de jonge echtgenote van de rijke kapitein, alsof ze uit een andere wereld komt. Dat is ook zo, omdat zij meer van de wereld en van de (valse) liefde heeft gezien dan de provinciaalse Niel. Die is nog nergens geweest als hij haar voor het eerst ziet en onder de indruk is. Waar moet hij zijn wereldwijsheid vandaan halen? Uit wat hij van haar ziet - en dat is in toenemende mate ontluisterend omdat zijn beeld van huwelijk en trouw botst op haar grenzeloze overlevingsdrift - en uit de boeken. Zij is verveeld en wanhopig en zoekt haar toevlucht tot een gemankeerde, berekenende en ontrouwe minnaar. Bij Flaubert was het Emma Bovary die zich suf las en zich verloor in valse romantiek en overspeligheid, in Een verloren vrouw zoekt Niel zijn heil en kennis in de klassieke werken die wijsheid en ervaring weerspiegelen. Hij leest de oude liefdesverhalen alsof die teksten mensen zijn. 'Hij luisterde het verleden stiekem af en kreeg zo toegang tot de grote wereld die al volop had bestaan, gestraald en uitbundig gezondigd.’

Maar een mens kan ook tekst worden: Marian Forrester blijkt een boek - een Amerikaanse Madame Bovary - dat architectuurstudent Niel Herbert leest en verwerpt omdat haar levensinstelling niet bij zijn strenge morele maatstaven past. Uiteindelijk knipt hij de draad die hem met haar verbindt letterlijk door (een telefoondraad, tijdens een gesprek dat zij voert met haar ontrouwe minnaar) maar hij komt niet los van haar. Niel leest, zij leeft en overleeft. Voor hem is zij ontluisterd en wordt zij een verloren vrouw. Marian Forrester, die na de dood van haar man al snel Sweet Water ontvlucht, een rijke Brit trouwt en naar Zuid-Amerika vertrekt, zou zichzelf zo nooit omschrijven. En Willa Cather ook niet.

Zij portretteerde in haar twaalf romans eerder vrouwen die ondanks tegenwerking boven hun provinciale milieu of opvoeding wisten uit te stijgen. De sterkste vrouw in haar oeuvre is de operazangeres Thea Kronberg in The Song of The Lark (1915). Geboren in het bekrompen Moonstone, Colorado weet zij de pioniersgeest en de geest van de oude indiaanse cultuur zo te benutten dat zij langzaam maar zeker loskomt van haar milieu, al moet ze daarvoor een hoge prijs betalen. Alles voor de kunst. Ook dat zou een motto van Cather kunnen zijn, net als het citaat van president Roosevelt dat ze in The Song of The Lark verwerkt: de levenshouding die amerikanisme heet, krijg je niet bij je geboorte mee maar is een geestelijke gesteldheid. En veerkracht, onbaatzuchtigheid en doorzettingsvermogen vormen de kern van die gesteldheid.

De tweedeling die Cather in haar Amerikaanse wereld signaleerde komt soms letterlijk terug in haar romans. De historicus Godfrey St. Peter in Het huis van de professor, schrijver van een achtdelige studie over 'Spaanse avonturiers in Noord-Amerika’, is iemand die net verhuisd is naar een nieuw en modern huis maar wel steeds terugkeert naar de vertrouwde studeerkamer in zijn oude huis omdat hij geen afscheid kan nemen van het verleden. Iemand in de roman verzucht: 'Dit land is sociaal gezien in tweeën gespleten en ik weet niet of het ooit weer een geheel wordt.’ St. Peter heeft als jongen in Nebraska de ondernemingszin van de pioniers gezien. Die wereld is voorbij. Het verleden wordt gepersonifieerd door de jonge wetenschapper Tom Outland, die door een ontdekking op de prairie een bewonderaar wordt van de oude Amerikaans-indiaanse beschaving. Zijn carrière wordt in de knop gebroken: hij sneuvelt in de Eerste Wereldoorlog. Zijn lucratief gebleken uitvinding van een speciale vliegtuigmotor is het begin van schaamteloos financieel getouwtrek en onthult andermaal de tweedeling tussen grootsheid en zelfzucht. De nieuwe handelsgeest is slechts 'een orgie van bezitsvergaring’.

Toch is er iets in Cathers romanwereld wat ongemakkelijke gevoelens bij de historisch gevoelige lezer oproept. Als Cather haar moderne vervreemding wil verwoorden door het pioniersverleden te romantiseren en het hebberige heden te verketteren, waar blijven dan de slachtoffers van dat geïdealiseerde vroeger, waaruit Amerika is ontstaan? De Native Americans in haar romanwerelden schitteren door afwezigheid, alleen de ruïnes van hun beschaving duiken op en worden door Cather-personages vereerd of geadoreerd. Tegelijk legt ze geen direct verband tussen het westelijke oprukken van de 'ondernemende’ kolonisten richting Grote Oceaan en het 'verdwijnen’ van de indianen. In de pioniersgeest was uiteindelijk geen enkele ruimte voor de oorspronkelijke bewoners van Noord-Amerika. Zij werden verjaagd naar de vuilnisbelten van de beschaving.

Hetzelfde verhaal gaat min of meer op voor de zwarte slaven. In haar laatste roman Sapphira and the Slave Girl (1940) probeert Cather een variant te schrijven op het klassieke verhaal van de gevluchte slaaf. De abolitionistische dochter van slavenhoudster Sapphira laat de jonge slavin Nancy vanuit Virginia naar het Noorden ontvluchten. Sapphira meent dat Nancy een verhouding met haar man heeft en beraamt een verkrachting van Nancy, waar nota bene haar moeder aan wil meewerken. Aan het slot van de roman komt Nancy na 25 jaar terug, als de Burgeroorlog al lang voorbij is. Er duikt ook opeens een ik-figuur op, een vijfjarig meisje dat getuige is van haar tijdelijke terugkeer. Volgens een indringende analyse van Toni Morrison - te lezen in Spelen in het donker: De blanke literaire verbeelding (1992) - is dat Willa Cather zelf. Dat staat echter nergens met zoveel woorden, ondanks het autobiografische nawoordje van Cather. Volgens Morrison verhult de roman 'de hypocrisie van de blanke identiteit’. Je zou ook kunnen zeggen dat de roman die hypocrisie feilloos ontleedt. De jaloerse slavenhoudster Sapphira komt er in haar strijd om de heerschappij niet uit: ze raakt verstrikt in de ingewikkelde wisselwerking tussen macht, ras en seksualiteit en moet de regie uit handen geven. Morrison vindt dat Cather aan het einde 'een barmhartig gebaar (maakt) naar de slavernij’, hoewel ze even later opmerkt dat het uitgangspunt van Cathers vertelling de ideologie van de slavenhouder ondermijnt. Ondanks haar kritiek wil Morrison in Spelen in het donker nadrukkelijk de aandacht vestigen op de romans van een schrijfster die 'de betekenis van vrouwelijk verraad’ wilde doorgronden 'als het de leegte van het racisme onder ogen ziet’. In haar slotzin spreekt ze haar waardering uit voor Cathers schrijfmoed. Tegelijk heeft Morrison de ongemakkelijke reactie van de lezer verwoord.

Amerika blijft een dilemma in de fascinerende romanwereld van Willa Cather. Wie mocht denken dat de VS in de eerste helft van de twintigste eeuw slechts twee modernistische en eigenzinnige schrijfsters hebben voortgebracht, Gertrude Stein en Djuna Barnes, kan daar nu - eigenlijk veel te laat - Willa Cather aan toevoegen.