Profiel: Tony Blair

De betere conservatief

De Britse verkiezingsstrijd lijkt beslist. Alle peilingen wijzen uit dat Labour op 7 juni opnieuw met een ruime meerderheid gaat winnen. Maar wat vier jaar geleden een spektakelstuk was, volgend op achttien jaar ononderbroken Conservatief bewind, is ditmaal een futloze herhalingsoefening. Tony Blair beweert dat hij «fris en radicaal» zal doorregeren, maar de pers wordt niet warm of koud van het vooruitzicht. De commentatoren beklagen zich meer dan ooit over het lage niveau van de debatten en het infantiele gegoochel met begrotingscijfers, alsof het erom gaat wie de komende jaren het meest kan bezuinigen op de staats uitgaven. Blair beschikt over de beste papieren. Zijn minister van Financiën, «Iron Gordon» Brown, heeft al aangekondigd de inkomstenbelasting voor vier jaar onaangetast te laten.

De Britse politiek lijkt definitief vervangen door rentmeesterschap, gecombineerd met een uitgekiende mediastrategie. Wat het eerste betreft zegeviert de geest van Margaret Thatcher, die in de jaren tachtig de vakbonden monddood maakte, de grote privatiseringen inleidde en een lage-lonenklimaat schiep waardoor Groot-Brittannië vijfmaal zo veel buitenlandse investeerders en bedrijven binnenhaalde als andere Europese landen. Haar belangrijkste adviseur, Keith Joseph, zei destijds tegen collega Norman Lamont dat «er op een dag een Labour-regering zal zijn die onvoorwaardelijk gelooft in het kapitalisme, en dat zal onze grootste overwinning zijn».

Inmiddels is het zo ver, maar wat het tweede punt betreft is Blair de ongeslagen meester. De Tories moeten tandenknarsend toegeven dat Blair de betere conservatief is omdat hij, anders dan kille Tory-kopstukken als William Hague of Michael Portillo, de boodschap een «menselijk gezicht» geeft. «Als Blair zo goed is als hij eruitziet, hebben we een probleem», aldus een intern memo van de Conservatieven nadat hij in 1994 was gekozen tot opvolger van de overleden Labour-leider John Smith.

Maar waarin is hij dan zo goed? Kort gezegd: in het veramerikaniseren van de Britse politiek. Net als Bill Clinton, aan wie hij veel van zijn opvattingen en campagnestrategieën ontleende, gelooft Blair dat de tijd van de grote belangentegenstellingen voorbij is, dat het land «voorbij links en rechts» is en de «uitdagingen van de 21ste eeuw» moet aangaan. In plaats van politieke doelstellingen en principes benadrukt hij net als Clinton de «gevoelsfactor», bijvoorbeeld door na de geboorte van zijn laatste kind te laten weten dat «een kind op de wereld zetten veel belangrijker is dan het winnen van een verkiezing».

Maar met zijn menselijkheid valt het wel mee. De eerste drie beslissingen die hij na zijn aantreden nam, lieten er geen twijfel over bestaan dat hij een waardige opvolger van Thatcher was: hij maakte de centrale bank onafhankelijk van de regering, verlaagde de bijstand voor alleenstaande moeders met elf pond en voerde het collegegeld in op alle universiteiten. En na vier jaar Blair moet zelfs het weekblad The New Statesman, doorgaans geporteerd voor Labour, constateren dat zijn asielbeleid hardvochtiger is dan dat van Jörg Haider in Oostenrijk.

Het was de verdienste van het Duitse weekblad Stern om afgelopen week de vinger te leggen op de tergende sociale achterstand van het land als gevolg van twintig jaar bezuinigingen op de openbare uitgaven. De gezondheidszorg is ver beneden peil (hoewel Blair heeft beloofd de kwijnende NHS om te toveren in een «stelsel van wereldklasse»), één op de vijf inwoners is praktisch ongeletterd en het onderwijs is dermate in verval dat de topinspecteur, Chris Woodhead, walgend ontslag nam met de woorden dat «de regering een hele generatie schoolkinderen verraadt».

In plaats van in leiderschap excelleert Blair in followship — een fraaie term van de Amerikaanse journalist Joe Klein, die zijn campagne enige tijd volgde en vergeleek met die van Clinton. Blair laat zich nog meer dan Clinton sturen door de meningen en verwachtingen van zorgvuldig geselecteerde focusgroepen uit de min of meer tevreden middenklasse, en is niet eens in staat tot improviseren wanneer hij op werkbezoek in een ziekenhuis wordt geconfronteerd met de boze partner van een kankerpatiënt die zich beklaagt over de erbarmelijke medische zorg.

Omdat de campagnes nog hermetischer geregisseerd zijn dan vier jaar geleden, klampen de boulevardpers en de elektronische media zich vast aan zulke incidenten. Dankzij de tv kennen we ook in Nederland de plaatjes: de rechtse hoek van vice-premier John Prescott, Margaret Thatcher in haar glansrol van anti-Europese Cassandra en de onvermoeibare verliezer William Hague die aan de ontbijttafel zijn stropje laat strikken door zijn vrouw Ffion.

Antony Jay, auteur van de onovertroffen satirische tv-serie Yes, Minister, merkt in een artikel in The Times op dat het politieke nieuws nog voornamelijk bestaat uit lekken en blunders, dat wil zeggen grote en kleine vergrijpen tegen de heilige publiciteitscode waaraan alle partijen zich onderwerpen. «De grote sprekers van voor het tv-tijdperk zijn verdwenen. Tegenwoordig hangen we voor de televisie en kijken lusteloos naar pr-exercities.»

Is het een teken des tijds dat zelfs de media afstand nemen van de eerste Europese politicus die de wetten van het mediatijdperk tot in zijn vingertoppen leek te beheersen? Dankzij zijn zorgvuldig opgebouwde persoonlijkheidscultus heeft de 43-jarige Blair eerst zijn eigen partij in een ijzeren greep genomen en vervolgens het electoraat.

De allereerste opdracht die hij na zijn verkiezing in 1997 aan zijn adviseurs gaf, was het voorbereiden van de volgende verkiezing, schrijft Nicholas Jones in zijn onthullende boek over Blairs mediastrategen, Sultans of Spin (1999). Zoveel mediageilheid kunnen zelfs journalisten op den duur niet verdragen. Als het aan het Labour-hoofdkwartier had gelegen, had Blair zich aan de vooravond van deze verkiezing onsterfelijk belachelijk gemaakt door zichzelf dagelijks in hologramvorm naar zes verschillende kiesdistricten te laten «doorstralen». Helaas, zo meldden handenwrijvende reporters, kon de Amerikaanse firma Transportec niet genoeg van deze op de Teleporters uit de serie Star Trek geïnspireerde apparaten leveren.

Het echte nieuws is dat een derde van de Britse kiezers straks niet gaat stemmen. Dat zijn er meer dan ooit sinds de invoering van het algemeen kiesrecht in 1918. Hun aantal lijkt een bevestiging van de stelling van John Kenneth Galbraith dat de westerse samenlevingen gevangen zitten in een verstikkende «cultuur van de tevredenheid», gedragen door twee derde van de bevolking terwijl het resterende derde deel is uitgesloten van de materiële welvaart. Veel «thuisblijvers» beschikken niet eens over een thuis omdat ze dakloos zijn of wonen in een stiefmoederlijk bedeelde zorginstelling van het type waar Tony Blair of William Hague zich tijdens hun publieke optredens niet vertonen.

In het laatste nummer van The New Statesman rekent de politicoloog Ian Crewe voor dat bij een verwachte opkomst van ongeveer 65 procent het aantal niet-stemmers het aantal Labour-stemmers zal overtreffen. Als de helft van de geregis treerde kiezers op Labour stemt, zijn dat 13,5 miljoen stemmen. Het aantal onthoudingen bedraagt naar verwachting 13,9 miljoen, een getal dat nog moet worden aangevuld met de drieënhalf miljoen potentiële kiezers die zich niet eens laten registreren.

Evenals in tal van andere westerse landen lijkt de politieke onthouding in Groot-Brittannië een onstuitbare trend. Bij de verkiezing van de Londense burgemeester van vorig jaar kwam maar 33 procent opdraven, bij de Europese verkiezingen van 1999 slechts 23 procent.

Welke kiezers blijven thuis? Dat zijn bijvoorbeeld de grotendeels werkloze migrantenjongeren die in het afgelopen weekeinde een ware veldslag met de politie leverden in het stadje Oldham, het resultaat van decennia verwaarlozing van de Britse binnensteden. Het zijn de middenklassevrouwen die Blair in 1997 aan zijn kolossale overwinning hielpen en nu teleurgesteld zijn omdat hij niets heeft gedaan om hun noden op het gebied van onderwijs, kinderopvang, gezondheidszorg en sociale zekerheid te lenigen.

Het zijn in wezen de urban poor die net als in de Verenigde Staten een onderklasse vormen waar niemand meer zicht op heeft, schrijft Crewe. Na de kerken en vakbonden verliest nu ook Labour de aansluiting bij de sociale huurders, kleine employees, werklozen, bijstandsmoeders en andere mensen die Blair en zijn aanhangers voor «sociale uitsluiting» zeggen te willen behoeden.

Dringen deze feiten door tot Tony Blair? The Guardian stelde hem die vraag afgelopen dinsdag in een interview. De premier reageert nauwelijks op het bekende lijstje van tekortkomingen in onderwijs, gezondheidszorg, transport of sociale zekerheid. Hij lijkt, geconfronteerd met twee goed onderlegde journalisten, eigenlijk nauwelijks in staat tot een coherent antwoord: «Blair gaat maar door: ‹Het wezenlijke punt is dat we te weinig geïnvesteerd hebben en dat we dat tekort moeten goedmaken, maar daar is tijd voor nodig en het moet een geleidelijk proces zijn, want je moet geen geld uitgeven dat je niet hebt.›» Het leek een uit het hoofd geleerde les en dat is het waarschijnlijk ook. Geen wonder dat zowel journalisten als kiezers terugverlangen naar de tijd dat politici zich voor volle zalen moesten verantwoorden.

De laatste vrijhavens voor politici zijn hun eigen partijcongressen, schrijft politiek commentator Hugo Young van The Guardian. Het is de enige plek waar moderne leiders ervan uit kunnen gaan dat hun toehoorders min of meer geloven wat ze zeggen, en zelfs dat onder het voorbehoud dat de boodschap in de eerste plaats vooral voor de buitenwereld bestemd is. En die buitenwereld vindt de politiek langzamerhand irrelevant: «Buiten een kleine kring zijn er maar weinig mensen die politici vertrouwen of om hen geven, of zelfs maar geïnteresseerd zijn in wat ze doen.» En dat is een kwaal die zelfs Blairs beste spindoctors niet kunnen genezen.