Herwaardering van de jaren negentig

De betere wereld van toen

Ze vormden een bevrijde periode, met nieuwe energie en bereidheid tot experimenteren op cultureel en maatschappelijk gebied. Het is onterecht dat de jaren negentig als schuldige worden aangemerkt voor de wereld van nu, met terrorisme, vervagende identiteit en overconsumptie.

Large gettyimages 635928125
De jaren negentig waren een periode van collectieve bedwelming, waarin mensen zich uit euforie over de overwinning van het Westen overgaven aan hedonisme © David Turnley / Corbis / VCG via Getty

Geluk laat zich vaak pas achteraf herkennen. Na tegenslag willen mensen graag lessen trekken en vooruitkijken: aanpakken, weer opbouwen. Na geluk komt meestal iets anders: treurnis om iets dat verloren is gegaan, besef van gemiste kansen, verwijten over lichtzinnigheid. Vaak volgen dan nostalgie en melancholie, en een verlamming in het denken en de verbeelding.

Aan het einde van de jaren negentig stelde de Poolse socioloog Zygmunt Bauman in zijn boek In Search of Politics de volgende vraag: ‘Hoe kan het dat als de vrede eenmaal gewonnen is het menselijke vermogen om een betere wereld te verbeelden niet bij de trofeeën van de overwinning zit?’ Het is een blijvend relevante vraag, zeker in de (historisch en relatief gezien) buitengewoon rijke, egalitaire, rechtvaardige en leefbare landen van Europa. Als verlamming in het denken en ontbreken van de verbeelding ergens bij uitstek voelbaar zijn, dan is het wel in het Europa van vandaag.

Beschouwen we maatschappelijk geluk als relatieve harmonie in de samenleving en een breed gedeeld optimisme over de toekomst, dan is dit in de recente geschiedenis nergens groter geweest dan in West-Europa tussen de val van de Berlijnse Muur in november 1989 en de aanslagen in New York van 11 september 2001. Nergens was het vredesdividend na de Koude Oorlog tastbaarder. West-Europa transformeerde in een baken van vrijheid, tolerantie en openheid. Via een grotere, en meer diverse Europese Unie (EU) probeerde Europa dat vredesdividend naar een continentaal en daarna zelfs naar een mondiaal niveau te tillen.

Voor het begrijpen van de problemen in het Europa van vandaag is het cruciaal om de periode van de jaren negentig op waarde te schatten en ervan te leren. Maar wat lukt dit tot op heden slecht, juist in West-Europa. Aan de buitenzijde van de EU-grens is de verwachting die de jaren negentig kenmerkte in ijltempo vervlogen, in Kiev en Tiblisi zijn de jaren negentig al lang voorbij. Maar ook binnen de EU staan de restanten van de jaren negentig onder druk, en zijn ze doelwit van grote maatschappelijke onvrede. Niemand wil er graag verantwoordelijkheid voor nemen.

Wie naar de Europese jaren negentig op zoek gaat, kan beginnen bij het perspectief van een buitenstaander. Bijvoorbeeld bij wat de journalist Ta-Nehisi Coates (1975) zag in de ogen van zijn vriendin toen zij terugkwam van haar eerste reis naar Parijs. In haar blik aanschouwde Coates het West-Europa van de late jaren negentig. ‘When she returned’, schreef Coates, ‘her eyes were dancing with all the possibilities out there.’ Het liet Coates niet los: een Europese in plaats van de Amerikaanse droom. In haar voetspoor ging hij later ook: een beslissende reis, zoals hij beschrijft in Between the World and Me (2015).

In heel Europa maakten de bevrijding van de Koude Oorlog, de nieuwe bewegingsvrijheid en de toenemende culturele uitwisselingen een grote energie los. De wereld werd in hoog tempo groter, zowel in mentale zin als in concrete bereikbaarheid, en de voorspoed van de jaren negentig gaf Europese jongeren de ruimte om hun interesses te volgen. Voor pubers werd het urgent om de belevingswereld te doorgronden in een veel groter domein dan voorheen: in de Amerikaanse achterstandswijken uit de hiphop van N.W.A., The Notorious B.I.G. en anderen, de banlieue van La Haine, het Londen van de hyperdiverse muziekscene. Sportzender Eurosport bracht basketballers als Kareem Abdul-Jabbar naar Europa en voetbal uit de hele wereld, muziekzender mtv opende de wereld van Amerikaanse twintigers in The Real World.

Tegelijkertijd ontsloten middelbare-schoolreizen de zo lang onderdrukte pracht en tragiek van Praag, Boedapest en andere steden van het voormalige Oostblok. ‘Oost’-(eigenlijk Midden-)Europese jongeren kwamen ook hier, en maakten het belangrijk om hun belevingswereld te begrijpen. Hetzelfde gold voor de migrantenkinderen in West-Europa. Als vanzelfsprekend werd de bevrijde stad Berlijn, die beide helften van het continent in zich droeg, de meest dynamische stad van Europa, bruisend met technofeesten en kunstenaarskolonies. Kunst en vrijheid zinderden er.

Buitenlandse cultuur leek opeens urgent en dan niet alleen dode meesters, maar ook Douglas Coupland, Arundhati Roy of Toni Morrison. Supermodellen werden zelfbewust en mondig, met iconen als Naomi Campbell en Kate Moss. Cultuur die eerder en later maar een klein en elitair publiek zou hebben getrokken, werd soms door een miljoenenpubliek omarmd: David Lynch’s tv-serie Twin Peaks op rtl4, of het monsterfilmproject Die zweite Heimat. In de muziek gold crossover als sleutelwoord, bijvoorbeeld door Radiohead, Beck, The Prodigy, of in eigen land Urban Dance Squad. Dance explodeerde en ook in gevestigde genres werd vernieuwd, in rockmuziek bijvoorbeeld door Nirvana. Die nieuwe energie, vrijheid en bereidheid tot experimenteren waren er ook in literatuur, podiumkunsten en films. Vaak hadden die iets grensverleggends, en waren ze vol humor, rauw en übercool – Trainspotting, Pulp Fiction, Lola rennt.

Alle beweging in de cultuur ontstond niet uit de drang om ingeslapen samenlevingen aan te jagen. In tegenstelling tot voorgaande decennia leek het in de jaren negentig juist of de cultuur moeite had de maatschappij bij te houden. De grootste oorzaak van internationale spanning verdween met de val van de Berlijnse Muur en het IJzeren Gordijn. Migratie, studie-uitwisselingen en vakantiereizen namen jaar op jaar toe. En politiek was zeker niet de permanente crisisbeheersing die het geworden is. In Den Haag en andere hoofdsteden werd gezocht naar nieuwe samenwerking – inderdaad, over oude ideologische grenzen heen – en een nuttige besteding van het vredesdividend.

De politiek werd gekenmerkt door optimistische en hoopvolle vernieuwingsdrang – wat niet per se ‘goed’ betekent. De paarse kabinetten, die met bijna tweederde meerderheid regeerden in Nederland, zetten vooral zwaar in op privatiseringen, afbouw van dure onderdelen van de verzorgingsstaat, en liberale wetgeving op ethisch en cultureel gebied. Op regionale schaal bouwden landen aan de Europese Unie, Mercosur en Nafta. Op mondiaal niveau sloten landen verdragen tegen chemische wapens, kernproeven en landmijnen, voor oprichting van het Internationaal Strafhof en het VN-raamwerk tegen klimaatverandering, en hielden zij conferenties voor vrouwen- en kinderrechten en tegen armoede. Mensenrechten stonden nooit méér centraal dan toen.

Met dit brede palet van vernieuwing en energie waren de jaren negentig bevrijde jaren, The Roaring Nineties volgens Nobelprijswinnaar Joseph Stiglitz. Een decennium vol verlangen, drang en tempo, zoals het verleidelijke Europa van begin twintigste eeuw, zo meesterlijk geschilderd in Die Welt von Gestern van Stefan Zweig, en recentelijk opnieuw in The Vertigo Years van Philipp Blom. Dat deze jaren negentig vormend waren voor het heden wordt vaak beaamd. Maar opvallend is: dat gebeurt niet zo vaak in positieve zin. Dat komt deels doordat de jaren negentig, net zoals de jaren voor de Eerste Wereldoorlog, een soort schuldige zijn geworden; medeplichtig aan wat erna kwam, of in ieder geval medeverantwoordelijk door nalatigheid. Of minder vrijblijvend: de jaren negentig als jaren waarin de wereld op een verkeerd spoor werd gezet, op een pad dat uitmondde in de donkerder wereld van de 21ste eeuw.

Isaiah Berlin: ‘Vroeger of later wordt de orde doorbroken door een bijna natuurlijk verlangen te leven, te creëren’
***

Als de jaren negentig opduiken in de media is dat vaak op een van de volgende drie manieren. In de eerste plaats als onbezorgde, argeloze tussentijd: na de Koude Oorlog, maar nog voor de nieuwe eeuw, waarin terrorisme, oorlogen, klimaatwanhoop en economische crisis de sfeer gingen bepalen. In dat ‘blije tijd’-perspectief wordt een even schattige als ergerlijke Teletubbie-blijheid op de jaren-negentigmens geprojecteerd. Dat gebeurt vaak door millennials, die destijds kinderen waren, onder koppen als ‘O zorgeloze jaren negentig, toen niets er echt toe deed’ (De Correspondent) of ‘Big Brother, Flippo’s en Bergkamp. Ach, die zorgeloze jaren negentig’ (NRC Handelsblad).

Een tweede perspectief is minder goedaardig: dat van de jaren negentig als periode waarin de hele wereld in de uitverkoop werd gezet, met losgeslagen consumentisme, corporate rule en megazwendel als gevolg. Dat valt heel breed te nemen: van de privatisering van de NS en de uitverkoop van ander tafelzilver van de Nederlandse staat tot de wetten van de greed is good-economie. In dat plaatje is de bezeten lachende econoom-bankier-politicus Gerrit Zalm de voorman van BV Nederland en Gordon Gekko (uit de film Wall Street) de held van de nieuwe steelklasse. Daarin dringt marketing en pr door in alle facetten van de maatschappij, en wordt het primaat van de markt een economisch gospel zonder alternatief. Dit zijn de nineties die Stiglitz bedoelde in zijn bovengenoemde boek, dat als ondertitel droeg: Why We’re Paying the Price for the Greediest Decade in History.

De voornaamste vertolker van dit perspectief is de Canadese schrijfster Naomi Klein. De ‘verschrikking’ van de huidige tijd, verpersoonlijkt in Donald Trump, heeft volgens Klein haar oorsprong in de jaren negentig. ‘De regels van de wereldeconomie werden [destijds] herschreven in het belang van een kleine groep machtige bedrijven. De democratie werd uitgehold’, zei ze recent in De Groene Amsterdammer.

Een derde perspectief heeft als sleutelwoord ‘naïviteit’. In deze visie lijkt de westerse wereld, en West-Europa in het bijzonder, in de jaren negentig gegrepen door een universalistische illusie; door hoogmoed, goedgelovigheid, lichtzinnigheid. Er was immers breed optimisme dat armoede en ongelijkheid wereldwijd konden worden aangepakt, dat een tijdperk van lange economische groei aangebroken was, dat de democratie en vrede onstuitbaar voort zouden gaan, misschien zelfs dat het ideologische ‘einde van de geschiedenis’ was aangebroken zoals Francis Fukuyama aankondigde. Onder elites heerste het idee dat open grenzen niet alleen mogelijk waren, maar ook duurzaam konden zijn, net als steeds voortschrijdende Europese integratie; dat Europeanen de weg waren ingeslagen naar een leven in harmonieuze, tolerante, multiculturele samenlevingen.

Wat Nederland betreft, is dit derde perspectief – weliswaar toegespitst op de laatste aspecten – vooral verbonden aan Paul Scheffers essay Het multiculturele drama, gepubliceerd in 2000. Dit essay vormde de opmaat tot een dominant en dwingend negatief perspectief op de jaren negentig als apotheose van (elitaire) lichtgelovigheid over de aard van de Ander en het mét elkaar in plaats van naast elkaar leven van verschillende bevolkingsgroepen in één maatschappij. Het was Nederlands eigen koude douche: onze bestuurders hadden puinhopen gecreëerd.

Deze drie perspectieven sluiten elkaar niet uit. Ze zijn te combineren naar gelang de bedoeling, de overtuigingen en de mate van boosheid van de gebruiker. Samen vormen ze een blik op de jaren negentig als een soort tijdsbubbel, een periode van collectieve bedwelming, waarin mensen zich uit euforie over de ideologische en economische overwinning van het Westen overgaven aan hedonisme en optimistische waanbeelden, en zo de kiem legden voor een wereld van terrorisme, vervagende identiteit, overconsumptie, platheid, apathie en recessie.

Deze hybride visie op de jaren negentig lijkt een op zichzelf staande reactie op dat voorbije tijdvak. Maar dat is schijn: het past in een oudere, diepere neiging in Europa om geschiedenis te beleven als een golfbeweging. Je zou dit kunnen zien als een dominant ‘sjabloon’ dat de geschiedschrijving van de twintigste eeuw mentaal ordent. Dit sjabloon valt aardig samen te vatten aan de hand van de filosoof en historicus Isaiah Berlin. In een lezing in 1959 in Wenen schetste hij het kerndilemma voor de hedendaagse Europese samenlevingen.

‘De Europese geschiedenis bestaat uit een soort dialectiek tussen hunkering naar publieke orde en individuele vrijheid’, aldus Berlin. ‘Het zoeken naar orde komt voort uit een soort angst voor de elementen. Het is een poging om muren en omheiningen te bouwen tegen de chaos veroorzaakt door een gebrek aan controle, tegen de verzwakking van tradities, gewoontes, leefregels (…), een inspanning om de trapleuningen te behouden die mensen nodig hebben om hen ervoor te behoeden de afgrond in te struikelen, om hen te verbinden met hun verleden en een weg te wijzen voor de toekomst.’ Daartegenover stond een verlangen naar revolutie. ‘Wanneer instituties te gevestigd worden en groei tegenwerken, dan verandert hun orde in onderdrukking en wordt de verering ervan zelfvernietigend’, stelde Berlin. ‘Vroeger of later wordt de orde doorbroken door een bijna natuurlijk verlangen te leven, te creëren, door de nood tot vernieuwing en verandering.’

Large gettyimages 72258808
In de jaren negentig streefde een open samenleving naar insluiting in plaats van uitsluiting © Tom Stoddart / Getty Images
***

Dit zou vandaag geschreven kunnen zijn. Het is een treffende samenvatting van de hedendaagse politieke verwarring die alle Europese landen in haar greep heeft. Wat Berlin omschrijft, zijn de twee zielen in de borst van de Europese en westerse cultuur en samenleving: verlichting en romantiek, ratio en gevoel, calculatie en sentiment. Die twee uitersten zijn niet te verzoenen, maar werken als de uiteinden van een slinger. Na het hoogtepunt van de een, volgt een zwaai in de richting van de ander. In 1959 omschreef Berlin het ritme van de Europese geschiedenis op deze manier. Bijna zeventig jaar later is het nog steeds toepasbaar.

Deze wijze van denken over de geschiedenis, de slinger die heen en weer gaat tussen ratio en gevoel, ancien régime en revolutie, sluit aan bij dominante filosofische concepten uit de twintigste eeuw: de dialectiek van Hegel en Marx en het idee van constructieve destructie van de econoom Schumpeter. En die wijze van denken is ook dominant in de duiding van de huidige tijd in Nederland en Europa. In dit slingersjabloon worden de jaren negentig een decennium van doorgeschoten geloof in ratio, doorgeschoten optimisme, naïviteit, en tegelijkertijd van doorgeschoten vertrouwen in de bestaande orde en ontaarde macht van gevestigde belangen. Jaren waarin deze instituties kil werden en vervreemdden van hun dienende taken, en ruim baan gaven aan de krachten waartegen zij de burgers moesten beschermen.

Hoewel een breed gedeeld idee leefde dat alles alleen maar beter zou worden, waren de jaren negentig zélf het hoogtepunt van vrijheid

Deze visie is te herkennen in populaire analyses van vandaag. Daarin worden de jaren negentig vaak afgeschilderd als jaren van hybris, waarin gevestigde belangen en elites een zichzelf-dienende orde opbouwden. Samen hieven zij grenzen op en braken oude zekerheden af op het gebied van identiteit en in de verzorgingsstaat. Oude waakhonden liepen daarin kwispelend mee: steeds ‘technocratischer’ instituties zoals centrale banken, apolitieke politieke partijen en machteloze ‘volksvertegenwoordigingen’ zoals het Europarlement. Het sjabloon van Berlin volgend, zal daar vroeg of laat een einde aan komen op de ouderwets Europese manier van revolutie. Wie vandaag naar Europa kijkt en luistert, krijgt aanwijzingen genoeg in die richting. Het gist in Europa. De opstand tegen elites en eliteprojecten is in volle gang.

***

Het is om meerdere redenen aantrekkelijk om terug te kijken op de jaren negentig via dit patroon van orde en revolutie. Het beantwoordt aan het idee van een eb en vloed in de geschiedenis, en is simpel te begrijpen. Het sluit ook aan op de westerse beleving van tijdperken, die wortelt in Hegels schema van these-antithese-synthese. Bovendien sluit het aan op de beleving van twee omvangrijke en in Nederland dominante generaties in de publieke sfeer. De babyboomgeneratie (die overigens zélf aan de macht was in de jaren negentig) karakteriseert die tijd nu vaak als een leeg, apolitiek decennium, een incubator van de zielloze en ‘verweesde’ samenleving, die eerst door Pim Fortuyn en nu door Sybrand Buma wordt geschetst. Zowel linkse als rechtse leden van deze generatie verfoeien vaak het ‘afschudden van de ideologische veren’ tijdens de jaren negentig, en verwelkomen de terugkeer van ideologische strijd, van denken in goed en fout, van de ontmaskering van het nihilisme van de ideologieloze elite.

Millennials ordenen op hun eigen manier de wereld in tegenstellingen. Wel of niet ingegeven door J.K. Rowling (het Britse opinieblad The Spectator suggereert dit in Harry Potter and the Millennial Mind) heeft deze generatie vaak een sterk moreel en hermetisch wereldbeeld. Daarin figureren de jaren negentig als een soort antoniem van nu, een idyllisch tijdperk voor de machtsgreep van Heer Voldemort. Die mag model staan voor alle plagen van deze tijd, van personen als Osama bin Laden, Donald Trump en Harvey Weinstein, tot vormeloze krachten als het op raken van hulpbronnen en de opwarming van de aarde. In deze wereld bestaan alleen goed en kwaad.

Tussen deze twee normatief geladen generaties dreigt de generatie die zelf opgroeide in de jaren negentig ironisch genoeg haar eigen referentie aan die tijd kwijt te raken. Dat past bij de jaren-negentig-mindset van openheid, plooibaarheid, conflictvermijding. Maar het is ook kwalijk, en niet alleen omdat zo de werkelijkheid van een rijk en gevarieerd decennium geofferd wordt aan bordkartonnen clichés. Belangrijker is dat de dominante interpretatie van de jaren negentig niet klopt. Het sjabloon van Berlin, het patroon van orde en revolutie, kent uiteindelijk maar twee smaken. Berlin was daarmee exemplarisch voor zijn tijd: gespleten en bevreesd. In de bange jaren vijftig kon zelfs hij zich moeilijk een voorstelling maken van een situatie waarin de constante druk van de twee krachten, die hij altijd en overal terugzag in de Europese geschiedenis, zou wegvallen. Maar dat moment kwam wel.

Zo bezien vormden de jaren negentig een open moment, dat niet past in het sjabloon van Romantiek versus Verlichting. In verschillende Europese landen gebeurde, op een weliswaar heel diverse wijze, in wezen hetzelfde. Er werd nieuwe samenwerking gezocht tussen politieke partijen, een nieuwe plek gezocht voor (immigranten-)groepen in de maatschappij, nieuwe samenwerking tussen landen onderling, en dat alles met brede maatschappelijke instemming. Er ontvouwde zich geen revolutie of restauratie, maar een verfijning en uitbreiding van de bestaande orde. Deze orde bleek helemaal niet onderdrukkend te hoeven werken. In West-Europa, tussen de val van de Muur en de aanslagen van 11 september 2001, werd de vernieuwing onderdeel van behoud. Het is wrang dat dit moment nooit echt op waarde is geschat.

Inmiddels is niet alleen het zicht op de jaren negentig vertroebeld, maar keren ook de rigide denkpatronen van de Koude Oorlog – inclusief de Koude Oorlog zelf – overal weer terug. Dit is geestelijke verarming. Het ontneemt ons een van de belangrijkste inzichten die de jaren negentig ons vandaag te bieden hebben: dat de bestaande orde, en de instituties die daarbij horen, zich niet per definitie onderdrukkend ontwikkelen naarmate de tijd vordert. Integendeel, ze kunnen ook bevrijdend werken. Hoewel in de jaren negentig zelf een breed gedeeld idee leefde dat alles alleen maar zou toenemen, beter zou worden, waren juist de jaren negentig zelf in retrospectief in veel opzichten het hoogtepunt van vrijheid. Een vrijheid die gefaciliteerd werd door functionerende, uitbreidende en steeds verfijndere instituties, van de rechtsstaat, economische verwevenheid, of coördinatie van de internationale politiek.

Daarnaast waren de jaren negentig in West-Europa veel meer dan nu ook een multicultureel moment. Een tijd waarin Nederland naar omgangsvormen zocht voor zijn nieuwe volkssamenstelling, nog niet gehinderd door de groteske problematisering hiervan die nu de maat slaat. De bewegingsvrijheid voor seksuele minderheden was groter dan ooit. De verwevenheid en verbondenheid met Europa en de wereld groeide. Steden en woonwijken waren vaak gemengder en minder gescheiden naar sociale klasse dan nu en sociale problemen minder uit het zicht van de burgerij geduwd. Het was bevreemdend en niet per se positief om na het uitgaan eerst door een tippelzone en daarna op een pont met daklozen en hosselaars richting het nog allerminst hippe Amsterdam-Noord naar huis te moeten gaan, of tussen versufte verslaafden en lege spuiten naar de gymzaal te lopen in wat nu het Quartier Latin van Maastricht heet. Maar het creëerde wel ontmoetingen met anderen en inzicht in hun conditie, in een Nederland met minder ongelijkheid en minder geografische scheiding van welvaart. Dat kweekte realisme, inlevingsvermogen en droeg bij aan een open samenleving die streefde naar insluiting in plaats van uitsluiting – eenheid misschien wel.

Wat nu vaak als ‘naïef’ wordt weggezet, behelsde ook durf en moed. Durf en moed van maatschappelijke instanties en politiek om problemen op nieuwe manieren aan te pakken, vanuit een meer idealistisch en empathisch ethos, en in een harmonieuzere maatschappelijke context dan nu. Daarbij ging veel mis – zendingsdrang in het buitenland, gitzwart gelogenstraft in Srebrenica; geloof in marktwerking, dat hele of half mislukte privatiseringen voortbracht, van de post, de energie, sociale voorzieningen, het uwv, de rails. Tegelijkertijd waren het echter ook jaren van Europees partnerschap, amechtig streven naar sluitende begrotingen, wetgeving die veel Nederlanders en Europeanen vrijer maakte en een aardig werkend poldermodel in Nederland en een heel aantal andere West-Europese landen.

Dat gaf een onmiskenbaar positief momentum, zeker tegen de achtergrond van de internationale ontwikkelingen. De apartheid eindigde. Het aantal oorlogen begon te dalen, de armoede nam af, het aantal democratieën nam toe. In Ierland en Israël begonnen vredesprocessen. Landen gaven het vredesdividend na de Koude Oorlog uit aan allerlei nuttige en nutteloze zaken. En voor Europa het belangrijkst: de vorming van de EU, als een nieuw oud stabiel huis voor hechte samenwerking en de hereniging van het continent, met één munt en de ambitie om in de wereld als een eenheid op te treden – een project dat een slechte pers heeft, maar waarvan een overgrote meerderheid van de Europeanen nog steeds aangeeft blij te zijn om erin te leven.

Dit alles maakte geen perfecte wereld; allerlei tegenwerpingen tegen een roze beeld van de jaren negentig zijn makkelijk te geven. Maar de lakmoesproef voor de jaren negentig moet niet versmald worden tot de vraag of de privatiseringen van destijds een goed idee waren. Dat waren ze meestal niet. Het verhaal van de jaren negentig is daarmee echter niet verteld. Fundamenteler als wezenskenmerk van die tijd was de drang tot vernieuwing met eerbied voor bestaande structuren en openheid naar de wereld, ver weg en dichtbij. Inderdaad: een overtuiging dat het mogelijk moest zijn een betere wereld te verbeelden. Dat optimisme is even hard weggeslagen als de eerbied. Er is geen maatschappelijke institutie meer die niet aan publieke scepsis onderworpen wordt.

Dat is deels terecht. Zekerheden en sociale bescherming zijn sinds de jaren negentig afgebrokkeld, mede door het economisch optimisme van die dagen, net als de maatschappelijke verantwoordelijkheid in het bedrijfsleven. Maar het paradoxale van de huidige revolte is dat deze zich richt op het maatschappelijke raamwerk, de rechtsstaat en de Nederlandse en Europese instituties waarbinnen die ontwikkelingen vorm kregen. Dat raamwerk is daar echter niet verantwoordelijk voor. De huidige aanval op de bestaande orde is een al te simpele miskenning van de rijkdom aan mogelijkheden, de openheid voor flexibiliteit en aanpassing en bijsturing, die binnen onze instituties aanwezig zijn, en die zullen verdwijnen wanneer ze vleugellam worden gemaakt. Woede tegen de democratische en rechtsstatelijke orde zelf, en de mogelijkheden tot samenwerkingen daarbinnen, lijkt het verkeerde recept voor vooruitgang.

Bovendien: de Europese jaren negentig leren een andere les voor wie ontevreden is met de bestaande orde. Ze kunnen juist een bron van inspiratie zijn voor meer maatschappelijk vertrouwen, meer durf en tolerantie bij publieke instanties en de overheid, in de samenleving en tussen mensen, landen en groepen – een modern fundament onder het besef dat de publieke instanties van Nederland en de EU in wezen anti-totalitair zijn, en kunnen worden aangepast op een manier die de burgers dient. Sterker nog, daar zit hun kracht en vitaliteit, in het vermogen tot verandering.

Daarvoor hoeft het wiel helemaal niet opnieuw uitgevonden te worden. De jaren negentig zijn niet verdwenen. De generatie die opgroeide in het West-Europa van de jaren negentig leeft. Zij draagt die jaren van openheid en optimisme in zich. Het is een generatie die vaak pragmatisch is, minder politiek uitgesproken, minder geneigd tot vijanddenken, meer multicultureel, meer geneigd tot consensus en tot optimisme over de toekomst.

De keuze voor de toekomst wordt tegenwoordig vaak voorgesteld als een existentiële keuze tussen een toekomst van afgrenzing en beknotting of een toekomst van hyperkapitalisme en identiteitsnood; een toekomst tussen ‘ergens’ en ‘overal’. Die voorstelling van zaken remt de verbeelding en creativiteit. En die zijn in de wereld van vandaag juist zo nodig om vrijheid en samenhang te behouden en te versterken. Maar het is bovenal een valse keuze. Als er een generatie is die dit aanvoelt, is het de generatie die in de jaren negentig in een andere toekomst opgroeide. Het is de kunst ervoor te zorgen dat die andere toekomst geen illusie van orde zal blijken, waar de revolutie onherroepelijk zal volgen. Daarvoor is beter, dieper, inzicht nodig in de unieke lessen van de jaren negentig, in plaats van de karikatuur die gemaakt wordt van deze jaren. Zelfvertrouwen komt via zelfkennis. Als dat ergens opgaat, is het in Europa.