De beuk erin

Vershki da Koreshki, 5 januari in het Bimhuis.
Tussen de hausse aan traditionele concerten rond de kerstdagen en de meer ludieke matinees op nieuwjaarsdag, heerst elk jaar een paar dagen windstilte. In deze luwte slaat Willem Breuker zijn slag met de Klap op de Vuurpijl - een taak die hij dit jaar met gerust hart kon overlaten aan slagwerker Johan Faber die in Xenakis’ compositie Psappha dreunen op de grote trom uitdeelde waar menige donderslag bij in het niet valt.

Dit jaar beleefde De Klap zijn negentiende editie en het is opvallend hoe een idee uit de jaren zeventig als dat van de ‘inclusieve concerten’ (toen wellicht 'inklusieve konserten’) nog altijd bestaat (hoewel barok- en popmuziek hier ontbreken). Nog opmerkelijker is het hoe Breuker zijn oorspronkelijke publiek al die jaren heeft weten vast te houden: vijf avonden lang wordt de zaal van Bellevue bezet gehouden door een bebrilde en sterk grijzende populatie van 45- plussers.
Dat staat een leuke programmering niet in de weg. Weliswaar ontbrak dit jaar een honderdkoppig blaasorkest uit Zuid-Limburg, maar toch kwam Breuker op de proppen met een voorbeeldige mix van geimproviseerde, gecomponeerde en niet- westerse muziek. Op de openingsavond waren dat het Acoustic Quartet van de Franse klarinettist Louis Sclavis, de pianiste Tomoko Mukaiyama en slagwerker Johan Faber, met in de pauzes optredens door de leden van Vershki da Koreshki dat - als we het mogen geloven - in het Russisch 'Spruiten en Wortelen’ schijnt te betekenen.
Eigenlijk was Vershki da Koreshki de attractie van de avond. Zelden heb ik zo'n curieus gezelschap gezien dat zo mogelijk een nog bizarder repertoire ten gehore bracht. Het grootste deel van de groep is uit Rusland en omstreken afkomstig: Rusland zelf, Oekraine, maar ook een boventoonzanger uit Tuva. Naast een albino-achtige danser was de vreemdste eend in de bijt de zanger uit Senegal, die ook een batterij aan percussie-instrumenten voor zijn rekening nam. Deze uitgesproken multi- instrumentalisten schakelden moeiteloos over van Afrikaans getrommel en gereciteer op folkloristische Balkanmuziek of de gorgelende boventoonzang uit het Tuvaanse hooggebergte. Gecompleteerd met een absurde zwarte humor vormde deze Russische groenteschotel een regelrechte verrassing.
Op een andere manier gold dat ook voor de overige optredens. De muziek van Louis Sclavis zet de luisteraar voortdurend op het verkeerde been: het ene moment is ze haast saai, zo voorspelbaar, het andere moment lijk je in een ouderwets free- jazzoptreden te zijn beland. De bezetting van klarinet, viool, contrabas en gitaar die aanvankelijk wat zoetig en vriendelijk overkomt, ontpopt zich op den duur tot een klankbotsing waar de vonken van afspatten. En in de opeenvolgende soli blijken de vier muzikanten stuk voor stuk muzikale persoonlijkheden van groot kaliber.
Hetzelfde laken een pak voor Tomoko Mukaiyama en Johan Faber, die in hun solowerken allebei een heel eigen wereld neerzetten. Mukaiyama in de onderkoelde, mechanische minimal music van Fredric Rzewski en Meredith Monk; Faber in het buitengewoon dramatische Psappha van Xenakis. De grootste verrassing was echter hun gezamenlijk optreden in Andre Jolivets Concerto for piano & percussion. Waar piano en vibrafoon in het eerste deel redelijk dicht bij elkaar blijven in gezamenlijke lome, jazzy akkoorden, doet zich in het tweede deel een plotselinge confrontatie voor: terwijl Mukaiyama een doorsnee 'moderne muziek’ speelt, jast Faber daar op het drumstel dwars doorheen.
Vergeleken met de rest van het programma was het optreden van Breukers eigen Kollektief het minst verrassend. Als een goed geoliede machine die onvermoeibaar doorswingt, gaat de beuk erin. Met als resultaat een gezellige puinhoop van soli en schetterende tutti. De scheidslijn tussen swingende big-band-muziek en oubollig geklier blijkt echter dun. Wie het Kollektief een paar keer heeft zien optreden, kan de melige grappen uittekenen. Toch lijkt dat, gezien de grote bijval vanuit de zaal, precies waar het grootste deel van het publiek voor komt.