Idfa Forced Confessions

‘De beul is de echte gevangene’

De Iraanse Maziar Bahari zat in 2009 gevangen en werd gedwongen tot een publieke ‘bekentenis’. Zijn film Forced Confessions, te zien op het Idfa, portretteert activisten, schrijvers, filosofen en journalisten die hetzelfde overkwam.

21 juni 2009. Om zeven uur ’s ochtends werd Maziar Bahari door veiligheidsfunctionarissen uit het huis van zijn moeder opgehaald en meegenomen naar een onbekende locatie. Hij was als geaccrediteerde journalist in Iran om de presidentsverkiezingen van 12 juni voor Newsweek te verslaan. Miljoenen Iraniërs voelden zich die zomer bestolen van hun stem en waren de straat op gegaan. De onvrede leidde tot de grootste antiregeringsprotesten, brute repressie en de ergste politieke crisis in Iran sinds de revolutie van 1979. Duizenden demonstranten, politieke opponenten en journalisten werden opgepakt.

Bahari verliet Iran in 1986 en reisde via Pakistan naar Canada, waar hij het staatsburgerschap kreeg en het journalistenvak leerde. Vanaf 1997 keerde hij met regelmaat terug naar Iran om films te maken over onder meer een seriemoordenaar, vooruitstrevende ayatollahs en de omstreden oppositiegroep Moedjahedien-e Khalq. Zijn werk werd uitgezonden door bbc, Channel 4 en Al-Jazeera en bekroond op verschillende festivals. Daarnaast schreef hij reportages voor onder meer Newsweek.

Na zijn arrestatie verbleef Bahari in de beruchte Evin-gevangenis, zonder toegang tot zijn advocaat. Slechts een enkele keer werd hem toegestaan te bellen met zijn moeder en hoogzwangere vrouw. Op 1 juli zonden staatsmedia zijn ‘bekentenis’ uit: Bahari had onjuist en partijdig bericht over de onrust in de nasleep van de verkiezingen en geprobeerd een ‘fluwelen revolutie’ te bewerkstelligen.

118 dagen en bijna dertien uur zat hij uiteindelijk in de cel, waarvan 107 dagen in eenzame opsluiting. Hij leerde de zwartste kant van het regime kennen, kreeg de absurdste beschuldigingen – ‘Je bent een speciale spion, een media­spion’ – te horen, werd fysiek en psychisch gemarteld. Op 17 oktober werd hij op borgtocht vrijgelaten, ontvluchtte het land en kwam drie dagen na zijn vrijlating in Londen aan, waar op 27 oktober zijn dochter geboren werd.

Zomer 2011 verscheen Bahari’s boek Then They Came for Me, waarin hij openhartig en met bijtende humor over zijn gevangenschap schrijft. In zijn film Forced Confessions laat Bahari zien dat de gedwongen bekentenis al decennialang een beproefd middel is van het Iraanse regime.

Waarom wilde je na je boek ook een film maken over gedwongen bekentenissen?

‘Ik was verbaasd dat niemand daar ooit een film over heeft gemaakt, terwijl het volgens mij emblematisch is voor wat er gaande is in Iran. Door de verhalen van enkele slachtoffers van het regime naast elkaar te zetten wil ik de gedachtegang en methoden van het regime tonen. 33 jaar gedwongen bekentenissen tonen, meer dan wat dan ook, wat voor staat de Islamitische Republiek Iran is.’

Wat voor staat is dat?

‘Een zeer gewelddadige, maar ook pragmatische staat. De machthebbers vermoorden hun tegenstanders niet massaal, maar maken hen liever geestelijk dood. Het is ook een heel onzekere overheid. Dat ze intellectuelen, schrijvers, filmmakers en journalisten dwingen tot het vertellen van leugens zegt veel over de onzeker­heden van de machthebbers.’

In je boek Then They Came for Me schrijf je niet alleen over jouw eigen gevangenschap, maar ook over je familiegeschiedenis. Jouw vader zat onder de sjah in de gevangenis, je zus onder de sjah én Khomeini. Ook jouw vader werd gemarteld, maar hij werd niet tot een bekentenis gedwongen. Gebeurde dat onder de sjah niet?

‘In de jaren vijftig en late jaren zeventig was er wel een aantal publieke bekentenissen. Maar zo systematisch als in de Islamitische Republiek is dat nooit gebeurd. De bekentenissen waren ook anders van aard: bij mijn vader draaide het martelen om informatie vergaren, bekennen was gericht op het onthullen van partijgenoten. Mijn bekentenis was een totaal gefabriceerd verhaal dat de waanbeelden van het regime moest onderschrijven.’

De hoofdpersonen hebben in verschillende periodes vastgezeten. De film is daarmee ook een geschiedenis van de repressie van het Iraanse regime in de laatste dertig jaar: van de jaren tachtig waarin Khomeini zijn macht consolideerde tot de post-verkiezingsprotesten in 2009.

‘Aan de gedwongen bekentenissen kun je aflezen waar het regime zich zorgen over maakt. In de jaren tachtig waren het gewapende verzetsgroepen, eind jaren negentig de intellectuelen en studenten. De laatste jaren geloven ze dat de Verenigde Staten en Europa proberen een “fluwelen revolutie” in gang te zetten, en dus zet het regime intellectuelen en journalisten met een dubbele nationaliteit zoals ik, onder druk.’

De bekentenissen worden steeds minder geloofd, zeg je in de film. Hoe komt dat?

‘Dat ligt zowel aan de aard van de slachtoffers als aan de afnemende steun voor het regime. In de jaren tachtig waren de mensen die op televisie rondgeparadeerd werden vooral leden van gewapende oppositiegroepen. Het was net na het begin van de revolutie, tijdens de oorlog met Irak. Het wij-tegen-zij-gevoel was sterk. Na de dood van Khomeini zette het regime, dat sindsdien in een continue legitimiteitscrisis zit, dezelfde tactieken in tegen onschuldige mensen, intellectuelen zoals schrijver Faraj Sarkoohi. Deze man had onder de sjah zeven jaar in de gevangenis gezeten, de beschuldigingen tegen hem waren zo absurd, dat geloofde niemand.’

Als er nog maar weinig mensen in geloven, waarom blijft de regering dan ongeloofwaardige bekentenissen fabriceren?

‘De regering heeft elk contact met de realiteit verloren. Ze is producent en consument van de eigen leugens geworden. Dat gaat zo ver dat ze de ironie van hun verzinsels niet eens inzien. Ze beschuldigen intellectuelen ervan een “fluwelen revolutie” voor te bereiden. Dat ze zichzelf daarmee gelijkstellen aan de autoritaire regimes in de landen waar die plaatsvonden, gaat volstrekt aan ze voorbij.’

De aantijgingen zijn vaak volkomen krankzinnig. Filmcriticus Siamak Pourzand runde voor de revolutie de ‘Cineclub’, een filmclub. ‘Sine’ betekent borsten in het Farsi, reden voor de aanklager om hem te beschuldigen van het uitbaten van een ‘blote-borstenclub’.

‘De aantijgingen zijn vaak zo absurd dat het bijna grappig is, ware het niet dat op basis hiervan levens vernietigd worden. De beschuldigingen tonen het gigantische verschil tussen de twee werelden in de Iraanse samenleving: enerzijds de beschaafde, ontwikkelde Iraanse intelligentsia, anderzijds de cultureel ongeletterde boeven. Mijn ondervrager beschuldigde mij er bijvoorbeeld van contact te hebben met Mossad-agent Anton Tsjechov.’

Wat drijft de folteraars?

‘Deels ideologie; ze geloven echt dat ze de waarden van de revolutie verdedigen. Ze hebben een enorme afschuw van de in hun ogen moreel corrupte intellectuele elite die alleen maar geïnteresseerd is in seks. Voor sommigen is het gewoon een baan. Anderen halen er een sadistisch genoegen uit. In een corrupt systeem zonder checks and balances hebben zij vrij spel.’

Opvallend is de obsessie met seks. Faraj vertelt dat de geheime dienst zijn slaapkamer afluisterde. Zijn folteraar weet precies welke geluiden hij maakt als hij klaarkomt. Waar komt dit vandaan?

‘Het is deels tactiek, deels zijn de ondervragers geobsedeerd door seks. Veel mensen uit de oppositie zijn religieus, daar zijn de psychologische marteltechnieken op ontworpen. Seks is voor hen schaamtevol. “Ik ga je vrouw vertellen dat je vriendinnen hebt gehad”, dreigde mijn folteraar. Ik haalde daar mijn schouders bij op, mijn vrouw heeft ook vriendjes gehad. Bij mij was dat soort seksuele marteling niet effectief, voor hem zou dat iets zijn om je dood te schamen.’

Jij wist met die obsessie je voordeel te doen.

‘Mijn ondervrager was geobsedeerd door New Jersey en Thaise masseuses. Omdat ik een keer in Thailand ben geweest wist hij zeker dat ik expert op het gebied van happy endings was. Toen ik merkte dat hij daar alles over wilde weten, ben ik verhalen gaan verzinnen. Dat gaf me adempauze tussen de ondervragingen door.’

het regime doodt mensen geestelijk, vertelde je. Wat doet een gedwongen bekentenis met je?

‘Schrijver Faraj Sarkoohi vergelijkt het met verkrachting. Zo voelt het: als een mentale verkrachting. Ook al ben je niet verantwoordelijk voor wat je is overkomen, na de “bekentenis” voel je je misbruikt, smerig.’

Net zo min als de andere slachtoffers koester je wraakgevoelens tegen de folteraars. In je boek schrijf je zelfs dat je medelijden hebt met je ondervrager.

‘Als je de situatie objectief bekijkt zie je dat de beul de echte gevangene is. Faraj is in Frankfurt, schrijft zijn boeken, Omid werkt als journalist, ik werk als filmmaker, maar onze ondervragers zitten nog steeds in die donkere kamers, verdienen hun brood met het vernederen van anderen. Natuurlijk vervloek ik mijn ondervrager van tijd tot tijd. Maar welk nut heeft wraak?’

Tegelijkertijd wijs je in de film een aantal daders aan. De schuldigen moeten wel ter verantwoording worden geroepen?

‘Als het regime verandert en er ooit een situatie ontstaat dat een Waarheids- en Verzoeningscommissie mogelijk is, dan moeten de folteraars aangeklaagd worden. Maar meer nog dan dat de beulen moeten worden gestraft, moet het systeem ter discussie worden gesteld, de manier van denken waaruit deze mensen voortkomen.’

Filosoof Ramin Jahanbegloo stelt in de film de vraag: hoe hebben wij deze monsters gecreëerd?

‘Precies. Het zijn geen buitenaardse wezens die Iran hebben overgenomen, maar onze buren, mensen met wie we de bus delen. De folteraars zijn zieke mensen, maar ze werken voor een ziek systeem dat voortkomt uit een zieke manier van denken. Dat moet veranderen.’

Jouw bekentenis werd onder meer uitgezonden door Press TV, Iraanse staatstelevisie die in het Engels vanuit Londen uitzond. Je hebt hen met succes aangeklaagd: Press TV mag niet meer uitzenden.

‘Dat is heel belangrijk. De folteraars martelen, media als Press TV nemen de bekentenissen op en verspreiden ze. Zij zijn even schuldig. Ik heb Press TV niet alleen voor mezelf aangeklaagd, maar ook uit naam van alle onschuldige mensen die in de Iraanse cel zitten. Zij kunnen geen juridische stappen ondernemen, ik wel.’

De Iraanse overheid en media ontkennen het gebruik van geweld. De bekentenissen komen voort uit overtuigingskracht, stellen zij.

‘Het is verbijsterend dat de supporters van het regime zich niet afvragen hoe het mogelijk is dat mensen voor hun gevangenschap iets zeggen, tijdens hun gevangenschap de woorden van de regering herhalen en direct na hun vrijlating weer hun oorspronkelijke gedachten verwoorden. Wat helemaal ongelooflijk is, is dat sommige mensen buiten Iran daar ook in lijken te geloven. In de rechtszaak tegen Press TV beweerden politici Ken Livingstone (voormalig burgemeester van Londen – eb) en George ­Galloway, die beiden voor Press TV werkten, dat er geen bewijs is dat ik onder druk was gezet. Wat willen ze zien, videobeelden van martelingen?’

De film toont ook dat internationale aandacht voor gevangenen helpt.

‘De ergste nachtmerrie van een gevangene is vergeten te worden. Iedereen in de film had het geluk dat er internationale steun voor hen was. Terwijl mijn bewakers me voorhielden dat iedereen me vergeten was, werd er wereldwijd campagne gevoerd om me vrij te krijgen. Op een ochtend sprak een bewaker me aan met “Mr. Hillary Clinton”. Toen wist ik dat er internationale aandacht voor mij was. Het grootste gevaar lopen de onbekende gevangenen waarvan niemand iets weet, waar niemand om geeft.’


Forced Confessions draait op het Idfa.

Samen met Jon Stewart van de Daily Show werkt Bahari momenteel aan de verfilming van zijn boek Then They Came for Me: A Family’s Story of Love, Captivity, and Survival