De Groene Live #26: Strijd om de ziel van Amerika. Kijk woensdag om 20.30 naar de live-uitzending. Meer informatie

De strijd in Jemen

‘De bevolking zit op haar tandvlees’

Hoewel de Houthi’s ontkennen, verliezen ze in het zuiden van Jemen steeds meer terrein aan de regeringsgezinde troepen. Intussen kreunt het land onder gigantische water-, brandstof- en voedseltekorten.

Medium contreras 07

‘Naar Taiz gaan? Vergeet het. Veel te gevaarlijk.’ Nizar, de Houthi die ons doen en laten in Jemen dagelijks rapporteert aan het ministerie van Informatie en ons derhalve geen minuut alleen laat, kauwt hevig knikkend op zijn qatbladeren, Jemens populaire stimulerende drug. ‘Het zit daar bomvol sluipschutters en de route erheen is ook allesbehalve veilig. Al-Qaeda duikt af en toe op, ze zetten de weg af en persen geld van de mensen af. Of ze ontvoeren ze.’

Nu de Houthi’s de havenstad Aden hebben verloren, ziet het ernaar uit dat Taiz, de derde grootste stad van het land, het volgende doel wordt van de soennitische tegenstanders. Vooral de Moslimbroederschap van Jemen is actief in de strijd om Taiz. Een groot deel van de stad staat pal achter de Moslimbroeders en dus lijnrecht tegenover de sjiïtische Houthi’s, die sinds januari dit jaar de macht in grote delen van Jemen overnamen en de soennitische regering buiten gooiden. Volgens een lokale journalist zouden de bewoners van Taiz zelfs luid beginnen te juichen zodra er een Saoedisch gevechtsvliegtuig te bespeuren valt en de door de Houthi’s bezette wijken bombardeert.

Het is eind juli, Aden is juist heroverd door de soennitische tegenstanders en de Houthi’s zijn op z’n zachtst gezegd niet gelukkig. ‘Ze willen je nergens mee naartoe nemen waar ze veel tegenstand ondervinden’, had onze tolk al voorspeld. ‘Je krijgt alleen te zien wat zij willen.’

Ook als we voorstellen om op eigen houtje naar Taiz te gaan, in gezelschap van een ervaren lokale journalist, zijn de Houthi’s niet te vermurwen. We zijn op dit moment de enige buitenlandse journalisten in Jemen. De Houthi’s hebben ons toestemming gegeven om de streek rond Sanaa te bezoeken en het noorden, het gebied waar ze vandaan komen en het sterkst staan. We moeten alle dagen flink zeuren om meer te kunnen zien dan zij willen. Tot op zekere hoogte lukt dat. Maar als ze het niet met onze plannen eens zijn, gebeurt het niet. Gaan we niet akkoord, dan worden we op het vliegtuig gezet en is het vaarwel Jemen. Ze gaan zelfs zo ver dat we ons hotel niet uit mogen zonder het gezelschap van Nizar. Vrij vervelend, maar met een creatieve tolk kan er veel, hebben we al ervaren.

Zo interviewen we ’s avonds op onze hotelkamer per telefoon mensen uit het verzet in het zuiden en horen we ook in Sanaa hier en daar kritische geluiden over het bewind van de Houthi’s. Nu, er is ook lof. De Houthi-rebellen, ook bekend als Ansar Allah, Helpers van God, hebben het beste met de mensen voor en ze doen er alles aan om de veiligheid in Sanaa te waarborgen, klinkt het. Maar de meerderheid – in heel Jemen zou zo’n 25 procent pro-Houthi zijn – denkt er anders over. Sinds de machtsovername zijn de aanslagen op Houthi-doelwitten fors toegenomen. Door soennitische tegenstanders op de grond in samenwerking met de door Saoedi-Arabië geleide coalitie in de lucht.

De aanslagen en bombardementen hebben talloze burgers het leven gekost. Jemen verkeert in totale chaos sinds de coalitie eind maart met luchtaanvallen begon. De nieuwe Houthi-regering heeft dus niet veel beterschap gebracht, integendeel. Daarnaast veroorzaken de Houthi-rebellen zelf ook heel wat doden door hun beschietingen in steden in het zuiden. De meeste mensen kiezen echter geen kant. Ze willen dat de oorlog ophoudt, en daarmee af. De soennitische tegenstanders zijn geen haar beter dan de Houthi’s, is de teneur in Sanaa, als we de bewoners mogen geloven die we op straat spreken.

We zitten thuis bij Zaid al Alayaa, een reporter in Sanaa die geen blad voor de mond neemt. Maar van een blad ín de mond is hij allesbehalve vies. De meeste Jemenieten beginnen ’s avonds na het werk met het kauwen van qat. Al Alayaa heeft zijn broers en neven uitgenodigd voor zo’n qatbijeenkomst. De vloer ligt bezaaid met lege takken, de wangen van de aanwezigen staan bol van de bladeren. Daar kauwen ze een paar uur op, hun zakje met verse voorraad in de hand.

Al Alayaa vindt dat de Houthi’s er een zooitje van maken – Nizar zit drie meter van hem vandaan met klapperende oren – maar de grootste schuldige in dit conflict zijn volgens hem de Saoedi’s: ‘Ze hebben Jemen altijd als hun achtertuin beschouwd, dus eigenen ze zich het recht toe om zich met alles te bemoeien. Nu de sjiïtische Houthi’s aan de macht zijn, zijn de Saoedi’s als de dood dat Hezbollah, bondgenoot van de Houthi’s, meer voet aan de grond krijgt in Jemen. Net als Iran. Reden genoeg om de boel hier plat te bombarderen, vinden ze. Wat de Houthi’s precies willen, is niet echt duidelijk. Ze beweren dat ze niets met Iran te maken hebben, maar dat gelooft geen kat. Toch denk ik niet dat de Houthi’s willen dat Iran te veel invloed krijgt. We zijn nu eenmaal buurland van Saoedi-Arabië, we staan dichter bij hen dan bij Iran.’

Het zaydisme, legt hij uit, de sjiïtische leer van de Houthi’s, heeft ook meer overeenkomsten met het soennisme dan met het sjiïsme van Iran. Het conflict in Jemen gaat volgens Al Alayaa over iets anders. ‘Het gaat over lokále aangelegenheden. Over grond, macht en religie. Dat wordt compleet overschaduwd door de aartsvijanden Iran en Saoedi-Arabië. De meeste mensen staan níet achter de luchtaanvallen van de coalitie. Degenen die het wel goedkeuren doen dat alleen omdat ze tegen de Houthi’s zijn, niet omdat ze de Saoedi’s steunen. Intussen is zowat het hele Midden-Oosten tegen ons. Terwijl het Westen Jemen vooral als hotspot voor het terrorisme beschouwt. Ook daar ben ik het niet mee eens. De meeste daders van aanslagen zijn opgegroeid in het Westen. Een aantal heeft in Jemen training gevolgd, maar hun radicale ideeën zijn niet bij ons ontstaan. Toch maak ik me grote zorgen over al-Qaeda en over IS. In deze oorlog hebben ze vrij spel om hun macht uit te breiden.’

Naast Al Alaaya zit Abdul Razzay al-Jamal, een terrorisme-expert die zes maanden bij al-Qaeda op het Arabisch Schiereiland (aqap) verbleef, de Jemenitische tak van de organisatie. Hij is bezig met een boek over zijn bevindingen, vertelt hij, al wil hij daar verder nog niets over zeggen. Maar hij deelt de zorgen van Al Alaaya. ‘Sinds de Amerikanen drie belangrijke al- Qaeda-leiders met drones hebben gedood, is er heel wat onrust binnen de beweging. Niemand vertrouwt elkaar nog. Gevolg is dat een aantal overloopt naar IS. We spreken over honderden strijders. Hoe groot beide groeperingen zijn, is niet precies bekend, maar het gaat om een paar duizend man. Niet te onderschatten dus. De meeste leden, zowel van al-Qaeda als van IS, hebben overigens de Saoedische nationaliteit. De twee zijn concurrenten van elkaar, maar voorlopig staat aqap sterker. Al-Qaeda heeft de controle over de olievelden in Hadramout langs de zuidkust. In samenwerking met lokale stammen die de velden beheren; al-Qaeda houdt zich op de achtergrond.’

‘Ik maak me grote zorgen over al-Qaeda en over IS. In deze oorlog hebben ze vrij spel om hun macht uit te breiden’

Hij gaat verder: ‘Ze verdienen de laatste jaren ook veel geld via ontvoeringen. Onthoofden doen ze niet meer, beweren ze. Omdat ze zich op die manier bewust distantiëren van IS. Saoedi-Arabië steunt aqap indirect, in die zin dat het land hen laat begaan, omdat de Saoedi’s weten dat al-Qaeda een belangrijke rol speelt in de strijd tegen IS. Hoe die zal aflopen, is een vraagteken. De twee groeperingen bekampen elkaar niet zoals in Syrië, maar ik verwacht binnenkort grondgevechten. Dan zouden we wel eens in eenzelfde soort situatie als Syrië terecht kunnen komen. Een waarbij IS stilaan terrein wint.’

‘Ik denk dat we nog een heel moeilijke periode tegemoet gaan’, zegt hij somber. ‘En de bevolking zit al op haar tandvlees. We hadden al niet veel voor de oorlog begon, onze reserves zijn klein. Die beginnen stilaan uit te putten. De humanitaire ramp waar de VN over spreken, is al een feit, maar tot nu toe konden we ons redden. In Sanaa is nog altijd alles te koop. De supermarkten liggen vol. Maar de prijzen zijn drie tot vier keer hoger geworden. Steeds minder mensen kunnen zich dat permitteren. Er wordt gesproken over een hongersnood. Ik vrees het ergste.’

Medium contreras 14

In Khamer, een opvangkamp ten noorden van Sanaa voor Jemenieten die de oorlog zijn ontvlucht, willen ze niets horen over een naderende hongersnood. Ze leven van dag tot dag, piekeren heeft geen zin want veel erger dan dit kan het niet worden, zegt Salim Opali, die met twee vrouwen en maar liefst 28 kinderen in twee tenten leeft. Het hele kamp zit trouwens barstensvol kinderen. Geboortebeperking is een woord dat ze hier niet kennen, het zit gewoon niet in de cultuur. Meisjes trouwen in Jemen op heel jonge leeftijd, vaak al tussen twaalf en achttien jaar en dan met een veel oudere man. Vanaf dat moment krijgen ze zowat ieder jaar een kind. De vrouwen doen er altijd giechelig verlegen over, de mannen vertellen het liefst niet hoeveel nazaten ze hebben. Het mag dan in de cultuur zitten, tegelijk schamen ze zich ervoor.

28 kinderen voeden in tijden van vrede is al een hele strijd, laat staan nu het oorlog is, zegt Opali hoofdschuddend. De gezinnen in de opvangkampen behoren meestal tot de armsten van de maatschappij. Vaak zijn ze van Afrikaanse origine, al zijn ze generaties geleden naar Jemen gekomen. Feit is dat mensen met een donkere huid heel weinig kans maken om het verder te schoppen dan schoonmaker. Overigens worden onwetende vluchtelingen uit Afrika nog steeds door smokkelaars in Jemen gedropt, met de smoes dat er totaal geen problemen zijn in het land. Die stranden in het zuiden en belanden tot hun verbazing midden in een oorlog.

In Khamer zitten vooral mensen uit het noorden van Jemen. Families zijn uiteengerukt door de luchtaanvallen, hun huizen vaak verwoest. ‘Ik huilde toen ik zag hoe mensen op straat doodgingen’, zegt Opali. ‘Had ik nog nooit gedaan, zelfs niet toen mijn vader stierf.’ Hij haalt zijn schouders op, gaat zijn tent binnen en nodigt ons uit. Ook hier klinkt het: we houden het nog wel even uit, maar geen maanden meer. Een besef waar heel Jemen van is doordrongen.

Maar er wordt ook geld verdiend door de crisis. Op de zwarte markt in Sanaa vinden ze het niet erg dat de benzinestations al dagen dicht zijn omdat de eigenaars de snel stijgende brandstofprijzen niet kunnen bijbenen. Langs de wegen staan rijen en rijen auto’s te wachten op de dag dat er weer benzine te koop is. Wie niet kan wachten, is aangewezen op de zwarte markt in Gawlan Street.

Twee jongens staan naast een truck vol gasflessen. Ze roken de ene sigaret na de andere. ‘Kans op ontploffing? Welnee, we zijn erger gewend’, klinkt het lachend. Om dat te bewijzen klimt een van hen boven op de truck met gasflessen, zijn peuk zo achteloos mogelijk in zijn mondhoek hangend. ‘Elke week rijden we met deze bak naar Marib ten westen van Sanaa’, zegt hij. ‘Daar kopen we ons gas van de tribale leiders.’ Die kopen het dan weer van de gasmaatschappij. ‘Onderweg worden we vaak beschoten, zowel door de lokale milities als door Ansar Allah. Het is dus een groot risico om gas te vervoeren.’ De handelaar springt van de laadbak en wijst op een gat in de vrachtwagen. ‘Een schot uit een gevecht tussen Ansar Allah en Ansar al Sharia (radicale groepering die banden heeft met al-Qaeda – jdr). Gelukkig waren de flessen leeg.’

In Marib betalen ze ongeveer 3200 rial (vijftien euro) voor 25 liter gas, in Sanaa verkopen ze dat voor 19,50 euro, bijna drie keer zo duur als voor de oorlog. Er passeert een boze buschauffeur die roept dat de handelaars hem bedonderen; hij betaalt ruim 23 euro voor een fles van zogezegd 25 liter terwijl er hooguit vijftien liter in zit. De twee handelaars ontkennen in alle toonaarden en zeggen dat het allemaal de schuld van ‘de politiek’ is en dat zij daar niets mee te maken hebben.

‘In Marib hebben ze allemaal hun eigen prijs’, zegt de jongen die weer boven op de laadbak is geklommen. ‘Hier hanteert iedereen dezelfde prijs. De politie laat ons met rust, als wij het niet verkopen, is er helemaal niets meer. Vroeger zaten we in de bouw, maar die branche is volledig stilgevallen door de oorlog. Nu is het gas. We moeten toch ergens van leven. En we verdienen lang niet slecht.’

‘Ik blijf thuis, heb geen werk meer. Het is de schuld van alle partijen, ze helpen Jemen allemaal de vernieling in’

De verkopers van benzine en diesel verdienen nog beter. Op twintig liter benzine bedraagt de winst bijna tien euro. Veel geld in Jemen, waar het doorsnee maandloon rond de 120 euro ligt. De handelaars rijden van Sanaa naar Hadramout en kopen hun brandstof van IS, klinkt het. Pardon? Van Ansar al Sharia bedoelen we, zeggen ze dan. En vervolgens: ‘Iedereen die tegen de Houthi’s is, noemen we IS.’

Ze kijken erbij alsof ze het zelf geloven. ‘Het klopt ongeveer’, zegt Zain Said, hun baas, even later. ‘Ik kom zelf van Hadramout. We kopen van lokale zakenmensen. Waar die het vandaan halen, weten we niet.’ Said stelt zich voor als de ‘koning van de zwarte markt’. De markt levert hem vijftienhonderd dollar per dag op, zegt hij niet zonder trots. ‘Ik vervul een behoefte, de benzinestations zijn vaak leeg omdat ze bang zijn voor luchtaanvallen. Leuk is het niet, ik zou ook liever hebben dat er geen oorlog was. Maar we helpen de mensen.’

De man naast me, een taxichauffeur, begint honend te lachen. ‘Ik red het niet meer met die hoge prijzen’, zegt hij. ‘Ik blijf thuis, heb geen werk meer. Het is de schuld van alle partijen, ze helpen Jemen allemaal recht de vernieling in.’

Sanaa wordt nog dagelijks bestookt door bommen van de coalitie, al verschuiven de gevechten steeds meer naar het zuiden. In het Atwer-hospitaal, niet ver van de zwarte markt, worden constant gewonden binnengebracht. Directeur Abdel Melahadalani zit met de handen in het haar. Hij loopt met ons door het ziekenhuis en laat de vernielingen zien veroorzaakt door de luchtaanvallen van de coalitie. ‘Ze schieten op alles. Gisteren zijn er meer dan duizend bedden beschadigd. Intussen hebben we een tekort aan alles. Water, brandstof, medicatie. We krijgen wat hulp van organisaties als Artsen Zonder Grenzen, maar die kunnen ook niet toveren. Er is ook geen bloed beschikbaar. Ik moet mensen vaak naar huis sturen, door tekort aan eenvoudige zaken als verbanden en antibiotica. We hebben heel dringend hulp nodig.’

Gisteravond laat en vanmorgen vroeg is de wijk Haziaz opnieuw zwaar onder vuur genomen door de Saoedi’s. Haziaz ligt dicht bij de militaire zone van Sanaa. Een groot deel van het leger is loyaal aan voormalig president Ali Abdullah Saleh die in 2011 uit Jemen werd verjaagd. Nu de Houthi’s zijn opvolger, president Abd Rabbu Mansur Al-Hadi, van de troon hebben gestoten en de oorlog uitbrak, ziet Saleh kans om opnieuw aan de macht te komen. Hij en zijn aanhangers in het leger ‘steunen’ de Houthi’s dus. Intussen zijn de bewoners van Haziaz de dupe.

Ahmed Saleh ligt in shock op het ziekenhuisbed. Voor zijn rechteroog zit een groot verband, over zijn hele lichaam zijn scherfwonden te zien. ‘Ik werkte gisteravond in een motel op de markt’, zegt hij. ‘Plotseling hoorde ik het vliegtuig vlak boven ons razen, daarna viel de bom. Ik werd wakker in het puin, rond me lagen allemaal lichamen, de meeste zo te zien dood. Er waren ongeveer tien mensen in het motel. Ik heb begrepen dat ze allemaal naar het ziekenhuis zijn gebracht. Maar wie er nog leeft, weet ik niet.’

In het bed naast hem ligt Hisham Hael. Hij woonde vlak naast het motel en kreeg een lading brokstukken van het gebouw over zich heen. ‘Ik lag al te slapen toen het moet zijn gebeurd. Toen ik wakker werd, waren de mensen bezig me uit te graven. Ik zat onder de stenen, alleen mijn vingers staken uit. Ik proefde alleen maar stof, kon bijna niet ademen. In de ambulance kwam ik bij mijn positieven. “Ik leef nog”, dat was het enige wat door mijn hoofd maalde.’

Aan de overkant ligt een jongen stil te luisteren. Hij tilt zijn verband op en laat een afschuwelijk groot gat in zijn been zien. ‘Mijn moeder is dood’, zegt hij na een lange stilte. ‘De bom viel op ons huis. We waren met negen mensen. De rest heeft het overleefd. Mijn vader ligt hier ook. Hij komt er wel door, volgens de dokters. Maar straks, als we naar huis mogen, waar dat ook zal zijn, dan begint het pas. Dan zullen we pas voelen hoe het is zonder mijn moeder.’

’s Avonds op de hotelkamer, als Nizar naar huis is, bellen we met Amir Adellah, een ingenieur uit Aden. Hij is actief in de community, een verzetsgroep uit Aden tegen de Houthi’s, bestaande uit strijders en mensen die logistieke of financiële ondersteuning bieden. Ze hebben zware dagen achter de rug, maar de Houthi’s zijn grotendeels uit de stad verjaagd, klinkt het opgelucht. ‘We hebben veel hulp van de Verenigde Arabische Emiraten’, vertelt hij. ‘Ze hebben militairen per schip gestuurd, al zal het land dat niet officieel toegeven. Daarnaast hebben ze enorm veel wapens gebracht. Artilleriegeschut, tanks, pantserwagens, zwaar materiaal. Samen met het Zuidelijk Verzet en een paar honderd Jemenieten die in Saoedi-Arabië zijn getraind, vechten ze tegen de Houthi’s. Er zijn heel veel burgerslachtoffers gevallen, maar we staan sterk. Ik denk dat de Houthi’s zware weken tegemoet gaan. Sterker, ik denk dat de Houthi’s het onderspit gaan delven. Ze vechten al maanden en raken verzwakt. Terwijl wij sterker worden. Maar de bevolking heeft het erg zwaar. Vooral het tekort aan water wordt nijpend.’

De Houthi’s blijven de dagen nadien glashard ontkennen dat ze Aden verloren hebben. Pas als we al lang en breed thuis zijn, legt hun leider, Abdel Malik al-Houthi, een verklaring af. De Houthi’s verloren Aden omdat de gevechten juist in de vakantie van het Suikerfeest vielen, na de ramadan. Zijn mannen waren dus vertrokken naar hun familie. Op vakantie gaan tijdens het cruciale gevecht om de geografisch zo belangrijke havenstad Aden? Benieuwd wat het volgende excuus zal zijn.


Beeld: (1) Khamer. De gezinnen in de opvangkampen behoren meestal tot de armsten van de maatschappij; (2) Khamer, opvangkamp ten noorden van sanaa voor Jemenieten die de oorlog zijn ontvlucht