Kunst: ‘Modern Perspectives’

De bevrijde camera

Joris Ivens filmt Regen, foto Germaine Krull, 1928, 15,8 x 22,8 cm. Modern Perspectives: Foto & Film Amsterdam 1920-1940 © Germaine Krull / Stadsarchief Amsterdam

De Duitse fotografe Germaine Krull (1897-1985) verhuisde in 1925 naar Amsterdam. Ze was bevriend geraakt met de filmmaker en mede-communist Joris Ivens, die haar door een verstandshuwelijk aan een Nederlands paspoort hielp, waarmee ze weer naar Parijs reisde en in kringen van Malraux, Cocteau en Gide belandde. In 1928 publiceerde ze een album, Métal, dat geheel bestond uit foto’s van moderne industriële structuren – de Eiffeltoren, hijskranen, schoorstenen, staalfabrieken enzovoort, vervaardigd in Frankrijk en Nederland. Dat was nieuw; het maakte haar op slag beroemd. Over haar werk in Amsterdam schreef ze later: ‘Alles was van staal; ik vond het heerlijk om langs de kaden te lopen en het laden en lossen van de schepen te zien (…). Ik wilde hun kracht laten zien, ik wilde ze vastleggen, maar hoe ze te fotograferen?’ Ivens maakte in diezelfde jaren de film De brug, over De Hef in Rotterdam, en voor hem gold hetzelfde: fraai materiaal, maar hoe dat te filmen?

Ze vonden dus een manier. Krull, Ivens en hun tijdgenoten ontwikkelden een nieuwe beeldtaal met een ‘bevrijde camera’, met extreme close-ups, ongewone standpunten, scherpe diagonalen, en vooral een voorkeur voor onderwerpen uit de stedelijke omgeving, de bouw van moderne architectuur, spoorlijnen, bruggen, havens, stadions en de glazenwassers bij de ‘Wolkenkrabber’ op het Willinkplein.

In die ontwikkeling in de jaren twintig en dertig speelt Amsterdam een belangrijke rol. Rond lieden als Krull, Ivens, Paul Citroen, John Fernhout en Carel Blazer verzamelde zich een bont en zeer getalenteerd internationaal gezelschap, dat deels op drift was geraakt door de veranderingen in Duitsland, deels was afgekomen op het best wel kosmopolitische leventje in de Nederlandse hoofdstad. Citroen woonde met zijn vrouw en dochtertje in een appartementengebouw aan de Vijzelstraat; op hun dakterras kwamen al die nieuwe vrienden bijeen: Eva Besnyö, Citroens Berlijnse boezemvriend Erwin Blumenfeld, Paul Meinecke, Paul Guermonprez en vele anderen. Sommigen bleven, sommigen emigreerden verder, allemaal experimenteerden ze.

De avontuurlijke productie van die groep vooruitstrevende fotografen en filmmakers vormt de kern van de tentoonstelling Modern Perspectives. Dat is een prachtige expositie, maar misschien ligt de echte waarde ervan wel in het grondige onderzoek dat eraan voorafging, door de conservator fotografie van het Stadsarchief Anneke van Veen en de filmonderzoeker Vera de Lange. Die hebben niet alleen dat materiaal geordend en gepresenteerd, maar vooral die kameraadschappelijke arbeid in kaart gebracht, de manier waarop die vriendengroep onderling op elkaar experimenteerde, hoe ze elkaars beeltenis gebruikten voor hun opdrachten, enzovoort. Daarbij is kostelijk materiaal boven water gekomen – de albums met proefdrukken van Citroen, bijvoorbeeld, die nog bij zijn hoogbejaarde dochter bewaard bleken.

Het meest opvallend aan dat werk is wel hoe buitengewoon invloedrijk het was, en hoe ‘normaal’ het nu lijkt. De beeldtaal van de modernistische voor- en naoorlogse fotografie, zowel de puur artistieke als de documentaire, is er blijvend door bepaald, en eigenlijk blijken die vernieuwingen nog altijd relevant te zijn – elke keer dat een hedendaagse fotograaf zijn camera scheef houdt om een imposante industriële kolos te fotograferen.


Modern Perspectives: Foto & Film Amsterdam 1920-1940, Stadsarchief Amsterdam, t/m 16 februari. amsterdam.nl/stadsarchief