Het boekje van Karamat Ali (die waarschijnlijk niet eens bestaat) moet natuurlijk worden behandeld zoals Nederlanders volgens hem altijd buitenlanders behandelen: doodzwijgen. Toch fascineert het me, omdat het zo schrijnend het einde markeert van de ironie. Ironie is luie humor. Het enige wat het doet is het tegendeel beweren van wat wordt bedoeld. Ik vind het heerlijk om te worden gediscrimineerd. Ha ha, ha! Serven brengen geluk (Freek de Jonge). Ha, ha, ha. Ooit had het zin, omdat zo vanzelfsprekendheden van hun vanzelfsprekendheid werden ontdaan. De nar toonde de absurditeit van de macht van de koning door hem het graf in te prijzen. Maar in een wereld waarin vanzelfsprekendheden schaars zijn, verliest ook ironie zijn betekenis. Wie wil nog ontwrichten als niets meer vaststaat? Ironie hoort bij mensen met een dichotoom wereldbeeld. Als inburgeringscontracten absurde elementen hebben, zijn ze dus volslagen belachelijk. Het is vermaak voor de eigen parochie, nooit een middel om andersdenkenden te overtuigen. Het maken van een ironisch grapje is de beste manier om een gesprek gemoedelijk in de kiem te smoren. Goede humor heeft daarentegen iets pijnlijks. Hedendaagse cabaretiers hebben daarvan ook wel een rudimentair besef. Daarom shockeren ze zo graag. Om racistische, seksistische en gewelddadige grappen lacht het publiek altijd het hardst. Maar shockeren ontwricht niet. Het zijn kleine grensoverschrijdingen, waarna de norm weer snel wordt hersteld. Werkelijk betrapt word je als kijker zelden. Toch kan het wel. Zo begon Najib Amhali ooit zijn act op een avond voor beginners in Toomler’s met bejaarde grappen in een pijnlijk gebroken Nederlands. En toen zei hij in ABN: jullie dachten zeker, daar staat weer zo'n allochtoon die geen Nederlands spreekt en geen gevoel voor humor heeft. We lachten allemaal hard, want dat was precies wat we dachten. En ik zeker. Alleen bij humor die knaagt aan het oordeelsvermogen werkt de lach bevrijdend. De lach bevrijdt je namelijk van jezelf.