In Edward Saids werk weergalmde ondanks alle bravoure, bevlogenheid en vuur altijd een zucht naar een thuis © Hannah Assouline / Opale / Bridgeman Images

‘We’ zijn veel meer dan wat ‘ze’ over ons denken, was mijn terugkerende frustratie als jonge student antropologie. ‘We’ hoorden niet helemaal bij Nederland, zoveel was duidelijk, maar mijn schrijfsels gingen niet verder dan onderbuikgevoelens, mijn ideeën waren embryonaal. Dat veranderde na het lezen van Oriëntalisme. Ik voelde me eindelijk begrepen, alsof Edward Said iets voor me had rechtgezet. Ik was geen Arabier, en met religie had ik steeds minder op, maar zijn werk resoneerde in me. De Waarheid die een buitenwereld (van politici, beleidsmakers, journalisten, maar ook volslagen onbekenden in de publieke ruimte) over mij (een Turkse Nederlander, migrant, etnische minderheid, half-geïntegreerde) verkondigde in een steeds migrantvijandiger Nederland, kwam in de verste verte niet overeen met mijn kleine maar ongrijpbare leventje. Ik stoorde me aan het geweld van deze ‘representaties’.

Wat kon ik nog toevoegen aan de ideeënwereld? Edward Said had alles al gezegd. Hij had me de woorden gegeven en ze me tegelijk ontnomen.

Recent keek ik weer eens naar een online lezing van Said waarin hij met een klaterende woordenstroom de vloer aanveegt met zijn intellectuele aartsvijand Bernard Lewis. De man had alles mee, zo leek het. Said was knap, goedgekleed en kwam uit een bevoorrecht milieu. Hij had de woorden geknecht en zijn bijtende en eloquente stijl straalde door in zijn boeken, essays en artikelen, die nog steeds worden gelezen door een internationaal publiek, ook buiten de academische wereld. Said stond op een voetstuk en op een hakblok, was geliefd en gehaat, en gold als taboedoorbrekend en apologetisch.

Het oordeel over Said hing min of meer samen met iemands standplaats in het politieke spectrum: ter rechterzijde werd hij – om precies te zijn door het conservatieve Amerikaanse blad Commentary - lasterlijk Professor of Terrorism genoemd, ter linkerzijde verwierf hij een heldenstatus. Hij was een academische rockster, een media-icoon en een politiek activist die niet-aflatend zijn stem liet horen als het ging om de mensonterende situatie van de Palestijnen. Said wordt overigens niet alleen beschouwd als een belangrijke denker over literatuur en politiek, maar ook als een van de grondleggers van postkoloniale studies. Zijn meesterwerk Oriëntalisme galmt door in het heden, in de hoofden van voor- en tegenstanders, en is een van de invloedrijkste werken van de twintigste eeuw.

Zijn teksten zijn doordesemd van ontheemding; er is een altijd aanwezige melancholie, snippers van verlatenheid van een man die zich nooit ergens thuis voelde en de vreemdeling in zichzelf maar wat graag omarmde. Natuurlijk heeft de Palestijnse tragedie daar van alles mee te maken. Alleen was Said een permanente buitenstaander, ‘always out of place’, zei hij zelf. Zelfs zijn naam – hij is vernoemd naar de prins van Wales – heeft daarmee te maken, die zat hem nogal dwars. Said kon zijn naam en zijn innerlijke leven niet met elkaar rijmen en als men hem ernaar vroeg, bekende hij zijn ongemak, half mompelend, half fluisterend. Had ik maar een Arabische naam, verzuchtte hij dan. Said droeg ‘Edward’ als zijn kruis.

De samenkomst van Edward-en-Said is exemplarisch voor zijn worsteling met zijn identiteit. ‘Het verwarrende besef van mijn vele identiteiten’, schreef Said in zijn memoires Ontheemd, ‘heb ik mijn hele leven behouden.’ Ze verbeeldden ook zijn lot: altijd half binnen, half buiten – een figuur op de rand. In Egypte een christelijke Arabier, in de Verenigde Staten een Palestijn. Hoewel hij zichzelf als een bundeling verhalen en een verzameling identiteiten zag, nooit solide, nooit stabiel, was er één identiteit die hij niet relativeerde: Edward Said was een Palestijn, een balling in wiens werk ondanks alle bravoure, bevlogenheid en vuur altijd een zucht naar een thuis weergalmde.

Hij werd geboren in Jeruzalem, in 1935, waar de Britten toentertijd het mandaat over Palestina hadden. De mengelingen, overlappingen en veelsoortigheden die ook zijn werk kenmerken, houden hier niet op; zijn moeder was geboren in Libanon, zijn vader was een Amerikaan die in de Eerste Wereldoorlog in het Amerikaanse leger had gediend. Said groeide op in Libanon, in het gekoloniseerde Caïro, waar hij Britse elitescholen zou bezoeken, en later in de Verenigde Staten. Thuis sprak hij Arabisch en Engels, zijn familie was een christelijke minderheid ‘in een vijver vol minderheden’.

Dat Said naar de Verenigde Staten werd gestuurd om daar te studeren, en zo op afstand van zijn moeder kwam te leven, omschreef hij als een verbanning. Zijn ervaringen op school met witte Amerikanen maakten het er niet beter op. Said werd geconfronteerd met iets nieuws, een gegeven dat ingreep in zijn identiteit. In de Verenigde Staten werd neergekeken op Arabieren, die zouden traditioneel en primitief zijn, en dus inferieur. Ik zei het al: op het eerste gezicht had hij alles mee. Alleen omschreef hij zijn moeder als veeleisend en een beetje liefdeloos, en zijn vader zo mogelijk als nog veeleisender en liefdelozer. Ik bega hier een doodzonde omdat ik me schuldig maak aan een psychologisme, zoals de socioloog C. Wright Mills dat noemt, maar zijn innerlijke strijd lijkt samen te hangen met zijn politieke. Said wilde opgemerkt worden door zijn ouders, en in het Westen gezien worden voor wie hij was.

Later – intussen studeerde Said aan Princeton en Harvard, klom op de sociale ladder, werd professor vergelijkende literatuurwetenschappen aan Columbia University – raakte hij ervan doordrongen dat de Amerikaanse berichtgeving over de Palestijnse zaak partijdig was. De Palestijnen werden met grove penseelschetsen neergezet als terroristen, en tegenstanders van het Israëlisch regime werden weggezet als antisemitisch, zo schreef hij in het essay Permission to Narrate. Said zag duidelijke lijnen tussen de eenzijdige verslaglegging in de media en de manier waarop de VS buitenlandse politiek bedreven.

Een kantelpunt bleek de vernedering van de Zesdaagse Oorlog in juni 1967 en de illegale Israëlische bezetting van de Palestijnse Westelijke Jordaanoever en de Golanhoogten. Die gebeurtenis werd een drijvende kracht achter zijn boek Oriëntalisme, dat in 1978 verscheen. Saids brede kennis van de Europese cultuur, zijn Ivy League-socialisatie en zijn elite-opvoeding maakten hem tot de uitgelezen kandidaat om een kritiek van binnenuit te formuleren. In veel opzichten bleef hij een wandelende paradox, ook hier keert de gespletenheid van Edward-en-Said terug: hij moest eerst carrière maken aan prestigieuze Amerikaanse universiteiten en zich in de spreekregisters van ‘het Westen’ wurmen alvorens hij een kritiek kon lanceren. Oriëntalisme is een verhaal tegen het Westen, geschreven binnen westerse denkkaders.

Zijn levensloop mondt volmaakt logisch uit in het monumentale boek Oriëntalisme, dat een politiek en tegelijk heel persoonlijk boek is. Said wilde de ontmenste oriëntaal humaniseren. Zijn eigen leven was het anekdotische bewijs dat de overhaaste generalisaties over ‘het Oosten’ grofmazig waren, en ik kan me niet aan de indruk onttrekken dat hij met zijn aanklacht tegen de oriëntalistiek ook wilde zeggen: mijn ontelbare identiteiten zijn niet te ordenen.

Edward Said (rechts) en zijn zuster Rosemarie, Egypte 1940 © Wikipedia

In de inleiding schreef Said dat hij op zoek was naar de ‘sporen van het verleden’ op zijn persoon, ‘een oriëntaals subject’. Hij ploos het westerse archief door waarin hij telkens weer dezelfde verhalen aantrof over het Oosten. Zijn kernargument was dat het Westen in de literatuur, kunst en wetenschap het Oosten telkens tot een ding maakte, een karikatuur en een cliché, door haar grote variatie en gelaagde, rijke geschiedenis geweld aan te doen. Volgens Said werd er een figuur in het leven geroepen die met de werkelijkheid weinig van doen had. Deze Ander, een soort racistische voodoopop, bundelde eigenschappen als irrationaliteit, fanatisme, traditionalisme, seksualiteit en geweld. De Ander was het tegenovergestelde van de vermeende superieure, beschaafde en verlichte westerling.

Said beschouwde het oriëntalisme als een ‘manier van denken’, een verzameling woorden en beelden over de Oriënt, het Midden-Oosten, en over Arabieren. Het oriëntalisme was voor Said veelsoortig, en hij gebruikte diverse stijlfiguren om zijn punt te maken: het was een vertoog, dus een min of meer samenhangend stelsel van uitspraken, een woordenschat, een opslagplaats, een bibliotheek, kennisarchief en denkkader, waarbij het werk van voorgangers steeds klakkeloos werd geciteerd en er werd voortgebouwd op eerdere voorstellingen en gemeenplaatsen over de Oriënt.

Said zag westerse schrijvers, kunstenaars, dichters en wetenschappers als de masseurs van koloniale onderdrukking, als de handlangers van overheersing

Hevig beïnvloed door de Franse school was ook voor Said overheersing niet uitsluitend van politieke of militaire aard. Naast de botte macht van de soeverein, de weg van dwang en dreiging, zijn er de ideeën. Middels een close reading van oriëntalistische teksten, beginnend bij de oude Grieken, rafelde Said passages uiteen van, om een paar auteurs te noemen, Dante, Flaubert, T.E. Lawrence en Disraeli. Said, opgeleid als literatuurwetenschapper, keek voorbij academische disciplines en waagde zich aan een eclectische, genealogische lezing van het oriëntalisme, een leestechniek die hij toch zeker had afgekeken van Michel Foucault (van wie hij zich later weer zou distantiëren, omdat Foucault zich volgens Said te weinig verhield tot politiek en macht).

Zijn pijlen waren vooral gericht op de westerse ideeëngeschiedenis. Said zag westerse schrijvers, kunstenaars, dichters en wetenschappers als de masseurs van koloniale onderdrukking, als de handlangers van overheersing, zij herhaalden het verhaal waarin het Oosten het Westen nodig had; de oosterling kon niet voor zichzelf denken of over het eigen grondgebied regeren. De ideologische fictie van de Oriënt deed nadrukkelijk dienst als een afzetpunt voor de westerse identiteit, ze werd haar tegenhanger, en oriëntalistische kennis over ‘oosterlingen’ verschafte het Westen een ‘culturele kracht’ om te identificeren, te benoemen en te ordenen.

De oriëntalistiek is een sorteerkunde te noemen, waarin de oosterling werd weergegeven als ‘iets waarover men oordeelt (zoals in een rechtbank), iets wat men bestudeert en beschrijft (zoals in een lesprogramma), iets wat men tucht bijbrengt (als in een school of gevangenis), iets wat men toelicht (als in een zoölogisch handboek). Het punt is dat in elk van deze gevallen de oosterling wordt opgesloten en afgebeeld binnen allesoverheersende dominante kaders.’

Said verbond deze kennispraktijken aan het imperiale project en zag de oriëntalisten als zijn wegbereiders. Zo plaatste hij zich in de gramsciaanse traditie (zonder deze verbindingsstukken diepgaand uit te werken) waarin het culturele en het wetenschappelijke als onderdeel van politieke dominantie en hegemonie worden beschouwd. Simpeler gezegd: de kunsten, de literatuur en de wetenschap staan niet buiten het politieke, ze behoren tot elkaars invloedssfeer.

Het boek staat verder niet stil bij de gevolgen van Oriëntalisme, die laten zich kennelijk raden. Said hield zich vooral bezig met het in zijn ogen eeuwenoude westerse denkraam dat mensen gevangenhield. Volgens hem is er telkens iemand die representeert en een gerepresenteerde, iemand die spreekt en de Ander wiens stem wordt gesmoord. Zo geeft hij het voorbeeld van Gustave Flauberts ontmoeting, waar hij verslag van doet in Reis door de Oriënt, met de beroemde Egyptische courtisane Kuchuk Hanem, in het Turks küçük hanim, wat ‘jongedame’ betekent.

Said schrijft: ‘Zij sprak nooit over zichzelf, zij uitte nooit haar eigen emoties, persoonlijkheid of geschiedenis. Híj sprak voor haar en vertegenwoordigde haar. Hij was buitenlands, tamelijk welgesteld en mannelijk, en dat waren de historische feiten van overheersing die hem niet alleen in staat stelden Kuchuk Hanem lichamelijk te bezitten, maar ook voor haar te spreken en aan zijn lezers te vertellen in welke opzichten zij “typisch oosters” was.’

De oriëntalist had definitiemacht en bepaalde de verhoudingen: op het omslag van de originele (eerste) Engelse uitgave Oriëntalisme staat De slangenbezweerder van de Franse schilder Jean-Léon Gérôme uit 1880. We zien onderuitgezakte, gewapende mannen met tulbanden, een fluitende slangenbezweerder en een naakte, dansende jongen. Die karikaturen, naast de kamelen, zandduinen en donkere, mistige ogen die je sensueel vanachter een sluier aankijken, zijn niet onschuldig of neutraal. Ze hebben tot doel om de Ander op afstand te houden en als afwijkend, promiscue, mysterieus en gevaarlijk te typeren. Maar er is een dubbele beweging: die afstand maakte de Ander tegelijk ook exotisch, sensueel en begerenswaardig.

Said had heel goed door dat de bevroren figuur van de Ander, die buiten de tijd werd gelicht en daardoor hopeloos en reddeloos was, vooral ging over wie het Westen van zichzelf wilde afdrijven; de Ander is het resultaat van dit exorcisme. Said ontmaskert deze stereotypen als projecties van het Westen, kortom als een diagnose van het Zelf. Met weer andere woorden: de oriëntalistiek schiep een autobiografie en verwarde dat met een objectieve wetenschapsbeoefening.

Het boek sloeg in als een bom. De eerste recensies waren bijzonder kritisch. Antikoloniale en progressieve denkers omarmden Edward Said en hieven hem op het schild. Zijn gestrekte been tegen het establishment en zijn compromisloze houding ten opzichte van de westerse literaire canon, geschiedschrijving en wetenschap werden verwelkomd. Edward Said ontmaskerde de keizer. Zijn foucaultiaanse stelling dat de oriëntalistische wetenschapsbeoefening een werktuig van imperiale macht was, gaf logischerwijs aanleiding tot stekelige, kribbige reacties. Ook goedbedoelende, antikoloniale oriëntalisten reageerden gekrenkt, omdat ze zichzelf vooral als nieuwsgierige en integere wetenschappers zagen. Het onderzoek naar de Oriënt had voorgoed zijn onschuld verloren.

Edward, 7 jaar, met zijn zuster in schooluniform, Caïro, 1943 © granta.com

Oriëntalisme is een hoogst origineel, zoals gezegd welbespraakt, doorwrocht en tegelijk slordig en imperfect boek. Sommige recensenten waren Edward Said bij voorbaat vijandig gezind, maar ook politieke bondgenoten hadden moeite met zijn boek.

Het retorische arsenaal dat Said geduldig had vervaardigd werd tegen hem in stelling gebracht. Said, die het Westen bekritiseerde om zijn sweeping statements, kreeg ervan langs vanwege zijn eigen sweeping statements over het Westen. Said, die te weinig nuance zag in de westerse kijk op de Oriënt, werd te weinig nuance over het Westen verweten. Het Westen maakte zich schuldig aan essentialisme, beweerde Said, maar deed hij niet min of meer hetzelfde door het Westen als een onbeweeglijk ding voor te stellen en het vast te zetten in de tijd? De Syrische filosoof Sadiq Jalal al-Azm noemde Said een orientalist-in-reverse.

Ook methodisch was er kritiek. Zijn raamwerk zou piepen en kraken en uit zijn voegen barsten, omdat Said oriëntalistische voorbeelden er met de haren bij had gesleept. Door een bonte verzameling wetenschappers en schrijvers aaneen te rijgen zou hij een te coherent en generaliserend beeld hebben geschetst. De voorbeelden die niet binnen zijn raamwerk pasten, zoals de niet-koloniale Duitse oriëntalistiek, zou hij hebben verzwegen. Said werd ook aangevallen omdat hij niet bij zijn academische leest was gebleven. Hij was een literatuurwetenschapper, geen Midden-Oostendeskundige, en ook zeker geen historicus. In zijn lange carrière aan Columbia University zou hij nooit een college over het Midden-Oosten geven.

Linkse denkers vroegen zich af waar het verhaal over gevestigde belangen en kapitaal was gebleven. Voor marxisten was deze toevoeging van wezensbelang. Ze wilden voorkomen dat de discussie over oriëntalisme louter over vooroordelen, representaties en culturele strubbelingen zou gaan. Antropologen schreven al langer over etnocentrisme, de neiging om de eigen groep als centrum van alles te beschouwen en als maatstaf van het gewone, het goede en het schone. Het Oosten was toch ook vooringenomen ten opzichte van het Westen? Dus wat maakte Oriëntalisme anders? Was Edward Said, lang voordat de politicoloog Samuel Huntington over de botsing der beschavingen zou schrijven, zijn progressieve versie?

Had Said nog geleefd, dan zou hij zich vermoedelijk bij veel groepen onmogelijk hebben gemaakt, een gegeven dat zijn leven kenmerkt

Nee, natuurlijk kunnen we Said en Huntington niet in hetzelfde hokje zetten. Om te beginnen geloofde Huntington werkelijk in een Westen en Oosten, en ging hij uit van wezenskenmerken en ontologische verschillen tussen deze culturele en geografische, kennelijk ‘afgebakende’ gehelen. Said bestreed dat idee op alle fronten, beginnend bij de woorden. Zo zette hij ‘het Westen’ en ‘het Oosten’ vaak tussen aanhalingstekens om ze te doen wankelen. De wereld was niet bestendig, eerder discontinu, versnipperd, moeilijk grijpbaar – zo zag Said het.

Hoewel Said het oriëntalisme verknoopte aan macht, dominantie en kolonialisme, leek hij oorzaak en gevolg te verwarren. Hij zag de oorsprong van het oriëntalisme eerder in de westerse cultuur dan als een gevolg van kolonialisme. Dit punt maakte hij in Orientalism Reconsidered in 1985, een van de vele aanvullingen die hij op zijn eigen werk zou schrijven: ‘To say simply that Orientalism was a rationalization of colonial rule is to ignore the extent to which colonial rule was justified in advance by Orientalism, rather than after the fact.’ Oriëntalisme was, zo blijkt, niet alleen een ideologische rechtvaardiging voor overheersing, maar ging er zelfs aan vooraf.

Maar een constante in de wereldgeschiedenis is dat de mens na (en op z’n minst in tandem met) politieke overheersing verhalen de wereld in slingerde om de orde als gewoon en normaal voor te stellen. Zo ging het imperialisme ook vooraf aan het racisme dat ten doel had om de trans-Atlantische slavernij te rechtvaardigen. Eerst was er dominantie, de wil om uit te buiten, het kolonialisme en imperialisme, daarna kwam de rechtvaardiging van geweld, waarin dat werd afgevlakt tot een noodzakelijk kwaad, omgebogen tot een nobele mission civilisatrice, omdat barbaren nu eenmaal Witte Mannen nodig hebben om mens te worden.

Maar er is een ander, groter probleem met Saids stellingname: als het oriëntalisme er al was voor het kolonialisme, schetst hij dan ironisch genoeg geen tijdloze westerse denkbeelden waar kennelijk geen menselijke inspanningen meer aan te pas komen? Maar de Oriënt, net zoals de Occident, ‘is er niet zonder meer’, schreef Said. Hij was anti-essentialistisch, hij weigerde met een ijzeren consistentie de notie dat groepen een herkenbare essentie hebben. Gaf hij, alles opgeteld, het culturele niet te veel gewicht? Erger nog: werd dat versterkt door deze culturele ideeënwereld ook nog eens te essentialiseren?

Deze discussie over volgordelijkheid lijkt op academisch geneuzel, maar ze doet ertoe. Ze maakt de vooroordelen van het Oosten over het Westen wezenlijk anders, en het idee van een occidentalisme onder landen in het Midden-Oosten onvergelijkbaar met het oriëntalisme. Ja, iedereen heeft vooroordelen, maar dat is een gratuite opmerking. Oriëntalisme kon gedijen en was effectief, omdat dit menselijk bouwsel werd ondersteund door politieke, militaire, wetenschappelijke en culturele macht, kon bogen op culturele en wetenschappelijke instellingen die haar kennisuitspraken als waar, objectief en normaal deden voorkomen, en door een arsenaal van dichters, schrijvers en wetenschappers werd bestendigd. Wie vooroordelen ontkoppelt van macht, miskent ook dat er eenrichtingsverkeer was van het Westen naar het Oosten, niet andersom, of slechts in beperkte mate.

Overigens zie ik een wisselwerking tussen bovenbouw en onderbouw, tussen de wereld van de ideeën en imperialistische, kapitalistische belangen. Ideeën zijn vereist om bureaucraten, wetenschappers, kunstenaars en schrijvers, maar ook soldaten, missionarissen en hulpverleners van hun superioriteit of taak te overtuigen: ze brengen mensen in beweging. Zo bezien is het idee om ‘democratie en vrede’ naar Irak te brengen het officiële, opgepoetste verhaal dat weinig meer omhanden heeft dan het veiligstellen van de imperiale geopolitieke en economische belangen in het Midden-Oosten. Ik ben, wat je kunt noemen, best saidiaans.

Het venijnigste en grondigste tegengeluid kwam van de Indiase intellectueel Aijaz Ahmad, die zich afvroeg waarom Said zo geobsedeerd was door het Westen. Zijn keuze om de westerse literaire canon door te spitten wees in Ahmads ogen op de impliciete superioriteit die Said zelf toekende aan die canon. Saids kritiek op het eurocentrisme van de oriëntalisten was hierdoor opmerkelijk, zijn eigen werk stelde de Europese geschiedschrijving en wetenschapsbeoefening tenslotte ook centraal.

Ahmad zag ook een lijn tussen Saids bevoorrechte achtergrond en zijn stellingname. Het feit dat Said zo weinig rekenschap gaf van de verwevenheid van ras, etniciteit, gender én klasse – we noemen dat nu een ‘intersectionele analyse’ – schrijft Ahmad toe aan Saids Ivy League-socialisatie. Het was, vrees ik, zijn blinde vlek: Said werd op jonge leeftijd geracialiseerd als Arabier, maar van onderdrukking binnen groepen had hij als man, afkomstig uit de gegoede burgerij, weinig last.

Said heeft nooit overtuigend gereageerd op deze kritieken. Tegelijk waren zijn analyses vaak fijnmazig, en in het eerdergenoemde voorbeeld van Flaubert en Kuchuk Hanem gaat hij wel degelijk in op de invloed van gender. Daarbij gaf Said in Oriëntalisme juist rekenschap van zijn ‘gesitueerde kennis’, nooit stak hij onder stoelen of banken dat hij een geprivilegieerde achtergrond had, sterker, dit stond naar zijn zeggen in verband met zijn wetenschapsbeoefening.

Een ander pijnpunt was Saids bewering dat de westerse hegemonie bijdroeg aan de onmogelijkheid van de gerepresenteerde om zichzelf te representeren. Dat was nogal een boude uitspraak die een rijke intellectuele traditie in het Midden-Oosten ernstig tekortdeed. Was Said niet zelf doende de Oriënt het zwijgen op te leggen, iets wat hij ironisch genoeg de oriëntalisten verweet? De oosterling is natuurlijk méér dan wat de westerling ervan wil maken. Invloed gaat alle kanten op. En waar controle is, is ook altijd verzet. Waarom besteedde Said zo weinig aandacht aan de bestaande antikoloniale verzetskritieken op het imperialisme, waaronder die van de antropoloog Talal Asad en bijvoorbeeld de zwarte dekoloniale intellectuelen Aimé Césaire en Frantz Fanon? Die laatste had uitvoerig geschreven over de blik van witte mensen (the white gaze) die ingreep op zijn identiteit als zwarte man; een discours dat op hoofdlijnen overeenkomt met Saids oriëntalisme.

Misschien had Said grof geschut ingezet, en misschien was zijn werk, net als dat van Michel Foucault, te hermetisch, te totaliserend. Maar hij zou in zekere zin postuum gelijk krijgen. Als we oriëntalisme niet beschouwen als het enige venster, maar als een van de beschikbare denkramen op het Midden-Oosten, dan zien we welke overtuigende zeggingskracht Saids analyse heeft. Zijn werk is in een wereld ‘na 9/11’ nog altijd springlevend.

Na de Twin Tower-aanslagen werden terrorisme, extremisme en radicalisme de toonaangevende woorden om het Midden-Oosten te begrijpen. De oriëntaal was nog altijd barbaars, traditioneel, radicaal, onderdrukte vrouwen en homoseksuelen, en het Oosten, of de Arabier, werd nóg nadrukkelijker De Moslim. Imperialistisch geweld tegen het Midden-Oosten werd weer gepropageerd door het als noodzakelijk kwaad te bestempelen. Said zou zeggen: deze verhalen grijpen terug op oude ideeën die we hebben verzameld in de oriëntalistische bibliotheek. De bijna biologische manier waarop over moslims en de islam wordt geschreven maakt hen tot, wat ik noem, niet-assimileer barbaren. Historisch gezien ging racisme natuurlijk nooit alleen over lichamen, maar ook over cultuur en religie – Said wist dat.

Het gaat ook over seks en seksualiteit. Jasbir Puar is een hedendaagse denker die is beïnvloed door Said en zijn werk broodnodig uitbouwt. Ze schreef over de opkomst van het ‘homonationalisme’, een vertoog waarin het Westen wordt gerepresenteerd als seksueel bevrijd en homotolerant, terwijl lhbti+- en queermensen in het Midden-Oosten, in de Arabische wereld en in de islam worden onderdrukt, ‘feminien’ en ‘pervers’ zijn omdat ze worden gedwongen om in de kast te blijven, en dus bevrijd moeten worden door dat superieure, vrije Westen. Deze verhalen droegen bij aan merkwaardige verstandshuwelijken tussen conservatieve partijen die ineens progressieve standpunten omarmden, terwijl het ze vooral te doen was om met die stok moslims en de islam te slaan. Dat is, in het kort, homonationalisme.

Hoewel het oriëntalisme overal zichtbaar was, net als de intieme verwevenheid van kennis en macht, had Said niet bepaald het politieke tij mee. Hij werd ingehaald door de werkelijkheid. Jihadisten leken, zoals Bernard Lewis in zijn essay The Roots of Muslim Rage schrijft, het empirische bewijs voor hun gewelddadige inborst te leveren. Lewis en andere oriëntalisten zouden in de loop der jaren het politieke en morele gelijk aan hun zijde krijgen. Dat wil overigens niets zeggen over ‘de waarheid’, we kunnen representatie niet met waarheid verwarren; deze les leren we van Said.

Hij zag zichzelf als een bundeling verhalen en een verzameling identiteiten, nooit solide, maar één identiteit relativeerde hij niet: hij was een Palestijn

Illustratief is dat Lewis een prominente adviseur werd te midden van de neoconservatieve haviken van de Amerikaanse president George Bush, en we weten dat diens presidentschap lang voor Trump weinig ophad met de waarheid en dat hij Irak met een leugenachtige premisse zou binnenvallen. Bush stelde de vraag: waarom haten ze ons? Zijn eigen oriëntalistische antwoord: ‘zij’ haten ‘onze’ vrijheden, ‘zij’ haten ‘onze’ vrije samenleving. Kennelijk houdt het Europese en latere Amerikaanse imperialisme, dat lijnen op wereldkaarten trok, landen en versplinterde facties steunde en van wapens voorzag wanneer het haar belangen diende en die steun ook net zo makkelijk weer introk, geen verband met de woede en het lijden in het Midden-Oosten.

Paradigma-reeks

Dit is het licht ingekorte voorwoord van antropoloog en schrijver Sinan Çankaya bij Oriëntalisme(vertaling Wiecher Hulst) van Edward W. Said, dat als eerste deel verscheen van de Paradigma-reeks van uitgeverij Athenaeum in samenwerking met De Groene Amsterdammer. De Paradigma reeks omvat moderne non-fictie-klassiekers die ons denken veranderden. Bij de reeks hoort ook een Paradigma Podcast.

Dichterbij is de rituele moord op Theo van Gogh vastgespijkerd in ons collectieve geheugen. Overal werden beleidsprogramma’s opgetuigd die moslims als een ‘verdachte gemeenschap’ etiketteerden, de afstand tussen moslims en daders verkleinden, en een vroegtijdig ingrijpen in hun politieke en religieuze identiteit mogelijk maakten.De kennisproductie die na de jihadistische terroristische aanslagen in West-Europa op gang kwam om ‘het islamitische gevaar’ op te sporen en in te dammen en de wetenschappelijke carrières die werden gebouwd op deradicalisering, bevestigen Saids these. In de eerste pagina’s van Oriëntalisme citeert hij de Britse politicus en schrijver Benjamin Disraeli: ‘Het Oosten is een loopbaan.’ Die woorden zijn actueel en doen denken aan het Nederlandse equivalent van de ‘radicaliseringsindustrie’, een veld waarin veel mensen flinke carrière hebben gemaakt.

Het begrip radicalisering is vooral gepopulariseerd door veiligheidsprofessionals en beleidsmakers. Nadat er onderzoeksgelden werden vrijgemaakt, produceerden wetenschappers gedwee de kennis binnen de gegeven kaders. Een goed voorbeeld is het onderzoek naar ‘risico-indicatoren van radicalisering’, een dubieus onderzoeksgebied waarin religieuze vooroordelen werden verwetenschappelijkt; personen met djellaba’s of plotseling moskeebezoek golden als een risicoindicator, dat op zijn beurt preventief overheidsingrijpen mogelijk maakte. Een voetnoot: veel migranten wierpen zich binnen dit veld op als ‘authentieke’ kennismakelaars, omdat ze ‘uit de gemeenschappen komen’ waardoor ze mensen ‘uit hun eigen groepen’ beter zouden begrijpen. Ze gaan alleszins vrijuit.

Zeker, het Westen spreekt niet met één mond, zeker, er zijn verhalen die met elkaar wedijveren, maar er is wel degelijk een dominant oriëntalistisch verhaal te ontwaren in politieke speeches, in kranten, in essays en romans, in wetenschappelijk onderzoek en in beleidsprogramma’s. Laat er geen misverstand over bestaan: Said zag oriëntalisme als een uniek en tegelijk aan andere vormen van racisme verwant discours. Het oriëntalisme is, zei Said, voor de Arabier wat het antisemitisme is voor de jood.

In mijn colleges over (de)radicalisering maak ik, met behulp van Said, maar vooral met de Britse politicoloog Arun Kundnani in de hand, het punt dat we internationaal terrorisme moeten begrijpen als een reactie op westers imperialisme en dat de theologie en cultuur ook door de fundamentalisten er vaak met de haren bij worden gesleept. Dus niet theologie, maar politiek verklaart voor het merendeel de opkomst van harde identiteiten. Na afloop van mijn collegereeks werd ik in een studentenevaluatie uitgemaakt voor een ‘terroristen-sympathisant’.

Inmiddels draag ik deze beschuldiging met trots als een ereteken, omdat ik me tot Saids gezelschap mag rekenen.

Saids werk is in een wereld ‘na 9/11’ nog altijd springlevend © Bloomsbury

‘Zijn stem wordt node gemist’, zeggen we soms over de doden. Dat geldt ook voor Said. Tegelijk vrees ik dat hij in dit politieke klimaat weinig aan bod zou komen. Zijn ideeën passen niet goed in de mallen van vandaag; had hij nog geleefd dan zou hij vanuit seculier humanisme frontaal de aanval hebben geopend op het religieus fundamentalisme en de opkomst van harde identiteiten, orthodoxie en dogma’s. De ironie wil dat veel postkoloniale wetenschappers met Said weglopen zonder veel aandacht te schenken aan zijn universalisme. Zo klampte hij zich vast aan zijn humanistische idealen, ‘een woord’, zei hij, ‘dat ik koppig blijf gebruiken ondanks de minachtende afwijzing van de term door verfijnde postmoderne critici’. Vermoedelijk zou hij zich bij veel groepen onmogelijk hebben gemaakt, een gegeven dat zijn leven kenmerkt.

In zijn laatste jaren, waarin Said tegen leukemie vocht, leek hij uitgeblust. Zijn oeuvre had zich niet vertaald naar zichtbare politieke uitkomsten. De Palestijnse kwestie zit, ook nu nog, volledig op slot. In Places of Mind, een biografie geschreven door zijn oud-student Timothy Brennan, wordt duidelijk dat Said ontmoedigd raakte.

Zijn gekoesterde intellectuele ongebondenheid maakte hem kwetsbaar. Het lijkt het lot van de balling die zich laat leiden door het inmiddels wat romantische ideaal van het waarheidspreken. Said had zich bijvoorbeeld vervreemd van de Palestijnse autoriteiten. Hoewel hij eerst voor de twee-statenoplossing was, pleitte hij later voor een staat waarin Palestijnen en Israëliërs zouden samenleven. Hij kon het onmogelijk goed doen. Zijn kritiek op de structurele mensenrechtenschendingen van Israël werd hem niet in dank afgenomen; Saids kantoor werd zelfs gebombardeerd. Tegelijk vonden Palestijnen dat hij toegeeflijk was ten opzichte van joden, bijvoorbeeld wanneer hij over ‘de slachtoffers van de slachtoffers’ sprak.

Edward Said vocht voor een thuis voor de Palestijnen, en natuurlijk voor zijn plek in deze wereld waarin hij zich nooit echt thuis voelde. Zijn bijtende analyse van de arrogante oriëntalisten die zichzelf het recht toe-eigenen om hautain te spreken over de Ander klinkt door in hedendaagse debatten. Zijn aanvankelijk voorzichtige ‘mag ik spreken’ werd een hartstochtelijk en vurig tegenverhaal, en hij spoorde denkers en activisten in de marges aan om zonder blikken of blozen het woord te bezitten: wat ‘ze’ ook over ‘ons’ denken. (Zelf zou Said deze opdeling in ‘ze’ en ‘ons’ verafschuwen, dus ik neem die zin voor eigen rekening.)

Dit is de les die Edward-en-Said mij leert, de les waaraan ik word herinnerd als ik met een zekere melancholie lezingen van hem opnieuw bekijk: je moet je eigen woorden kiezen, je hebt de morele plicht om je uit te spreken, wars van groepsloyaliteit. Speaking truth to power, hoe romantisch dit geluid ook moge klinken.

Edward Said heeft een waagstuk vervaardigd waar niemand omheen kan. Hij forceerde een breuk in de westerse ideeënwereld. Door de kieren en barsten banen de tegenverhalen zich nog altijd een weg naar boven om midden in het licht te staan en hun stem te laten gelden.