Beven op het midden van het levenspad

De bibber om niets

Beven als de man die, net als Dante, op het midden van zijn levenspad in een donker woud is beland. Gebukt gaan onder op hol geslagen hersenspinsels. Wat Ernst Jünger kan — leven zonder angst — kan niet iedereen.

In december 1942 brengt Hauptmann Ernst Jünger een bezoek aan het oostfront. Als hij dekking moet zoeken voor een Russisch mi trailleursalvo constateert hij dat hij de situatie deels lachwekkend, deels ergerlijk vindt. De tijd dat hij zulke zaken opwindend vond, dat hij zulke situaties opzocht, ligt achter hem. «De knieval voor de fysieke bedreiging behoort tot een cultus waarvan ik de riten ontgroeid ben.» Vijfentwintig jaar eerder had hij het gevaar steeds opgezocht, had hij als officier bij de stoottroepen hoogst riskante acties in vijandelijke loopgraven ondernomen en had hij zich als in een roes gestort in het pandemonium van de Materialschlacht.

Uiteraard had hij toen angst gevoeld. In zijn uit 1922 daterende Der Kampf als inneres Erlebnis had hij er een heel hoofdstuk aan gewijd. Terwijl overal om hem heen granaten ontploften en zwermen roodgloeiende metaalsplinters door de lucht snerpten, balden duizenden angsten zich samen tot één allesoverheersend gevoel. De enige manier om dit gevoel van totale onmacht te over stijgen, om door te kunnen gaan met de strijd, was ophouden zich als individu te beschouwen. «In zoverre een mens een individu is, bestaat hij louter uit angst», aldus de jonge Jünger. In hem is echter een «hogere Wil», «de potentiële energie van de Idee» werkzaam, die het individu boven zichzelf kan laten uitstijgen. «Angst ervaren we omdat we vergankelijke schepsels zijn, maar als iets onvergankelijks in ons de angst overwint, dan kunnen we daar trots op zijn. Dat laat zien dat we werkelijk verbonden zijn met het Leven en niet slechts met het Zijn.»

Het zijn metafysische bespiegelingen die zich bewegen op de ijle hoogte van de toenmaals populaire Lebensphilosophie, maar die een algemeen aanvaard idee verwoorden, namelijk dat een mens zich door het overwinnen van zijn angsten op een hoger plan tilt. Minder verheven maar meer herkenbaar zingt Joe Strummer het op zijn laatste, postuum verschenen cd: «You don’t face your demons down/ you grab ’em by the collar/ & you wrestle ’em to the ground.» In de Eerste Wereldoorlog deed Jünger dat door zich te verliezen in hysterische stormaanvallen, in de Tweede plaatste hij zich ultrastoïcijns boven alles en iedereen en observeerde hij vanaf zijn verheven standplaats «hoe de luizen elkaar opvreten».

Die laatste houding past ook beter bij iemand van middelbare leeftijd. De jaren des onderscheids behoren dan bereikt te zijn, je hoort enigszins boven het triviale gedoe van alledag te staan. Omdat de toekomst elke dag een stukje korter wordt, dien je je te concentreren op het essentiële. En de angsten van vroeger zijn als het goed is overwonnen, of bleken bij nader inzien geheel onterecht. «Was mich nicht umbringt macht mich stärker», was een favoriet Nietzsche-citaat van Jünger, wiens adagium luidde: «In Stürme reife ich». Door het leven gelouterd behoort een man van middelbare leeftijd gevaren en angsten te beschouwen als lachwekkende of hooguit ergerlijke zaken.

De gevaren waaraan Jünger heeft blootgestaan ken ik alleen uit boeken en films — dat is wat de historicus Helmuth Kohl ooit «die Gnade des späten Geburts» noemde — maar inmiddels heb ik dezelfde leeftijd bereikt die hij had toen de Tweede Wereldoorlog uitbrak. Omdat het minder gestormd heeft, ben ik wellicht minder rijp, omdat de Stahlgewittern aan mij voorbijgegaan zijn, ben ik waarschijnlijk minder gehard, maar de tijden zijn ook minder veeleisend, zodat van mij verwacht mag worden dat ik inmiddels toch vrij stevig in mijn schoenen sta. Waar zou ik immers bang voor moeten zijn?

Want laten we wel wezen, de angsten die je als kind plagen, blijken achteraf toch ridicuul? Die grote jongens die op een andere school zaten en die volgens mijn moeder in een «mindere» buurt woonden, en die ik elke dag op weg van school naar huis tegenkwam en die niet alleen dreigden mij in elkaar te meppen maar soms ook de daad bij het woord voegden, die blijken inmiddels te zijn veranderd in gezapige, uitgezakte bierbuiken die nog geen deuk in een pakje boter kunnen slaan. Ook van de Bullebijter, die huisde in de rioolpijp waarvan slechts een geheimzinnig klein stukje uitstak boven het inktzwarte en stinkende water van de sloot voor ons huis, en die het gemunt scheen te hebben op jongetjes die hun bord met kapucijners of koolraap niet leeg aten, heb ik nooit meer iets vernomen.

En Bethlem, de gymleraar op de lagere school die altijd brulde en dikwijls sloeg en schopte en die er vermoedelijk de oorzaak van is dat ik, toen ik laatst met mijn oudste zoon een open dag van de Academie voor Lichamelijke Opvoeding bezocht, me hoogst onplezierig voelde tussen al die gymtoestellen, daar hoef ik toch ook niet meer bang voor te zijn? Voor hem geldt wat Karel van het Reve schreef over zijn uitgever Van Oorschot: «Ik ben niet meer bang voor Geert, vooral nu hij dood is.»

Uiteindelijk bleken ook de sombere voorgevoelens uit de pubertijd altijd te zullen worden afgewezen en nooit iemand te vinden om het leven mee te delen, voorbarig en ongegrond. Zelfs de driftbuien van mijn vader, waarbij soms gereedschap door de lucht vloog en hij ooit een deuk gooide in zijn nieuwe auto, lijken in retrospectief minder angstwekkend. Dat is niet alleen omdat ik hem heb zien veranderen van een beer van een kerel in een broze oude man, maar vooral omdat ik later iets begon te begrijpen van zijn angsten en trauma’s, en het gevoel van machteloosheid dat die bij hem opriepen.

Met de wijsheid achteraf schrompelen de meeste van die kinderangsten ineen tot iets lachwekkends of ergerlijks, tot iets wat misschien wel noodzakelijk was, omdat je er sterker door bent geworden. Maar ben ik wel sterk genoeg, heeft het wel genoeg gewaaid?

Als je de dagboeken leest die Jünger heeft geschreven in de jaren 1939-1945, dan zie je iemand die min of meer «af» is. Iemand met niet alleen een afgerond wereldbeeld, maar ook met een afgeronde persoonlijkheid, iemand van wie de woede, emoties, en opinies van anderen afglijden als het water van een eend. Een man die even gepantserd lijkt als de kevers die hij verzamelde. Of dit allemaal niet meer was dan zelfstilering, dat is een vraag die alleen beantwoord kan worden door de eerste biograaf die kan beschikken over Jüngers privé-archief. Ondertussen staat nog het beeld overeind van iemand voor wie angst iets is om je aan te ergeren, of om de draak mee te steken.

Dat is een beeld dat diametraal staat tegenover mijn eigen zelfbeeld. Want de angsten uit mijn jeugd mogen dan verdampt zijn, ze worden inmiddels ruimschoots gecompenseerd door complete regimenten nieuwe angsten die staan te popelen om mij onder de voet te lopen. In feite is dat niet vreemd, aangezien angst vaak voortkomt uit de notie dat je bepaalde materiële of immateriële verworvenheden weer kunt verliezen. De eerste en meest directe angst geldt natuurlijk het mogelijke verlies van dierbaren. Die keren dat mijn vrouw onaangekondigd veel later thuiskwam dan gebruikelijk was de angst zelfs lichamelijk voelbaar. Elke ouder kent bovendien het oergevoel dat er niets met de kinderen mag gebeuren. Wie naast een doodziek kind in het ziekenhuis heeft gezeten, weet hoe wurgend en misselijkmakend het idee is dat het leven van jouw kind zomaar tussen je vingers door kan glippen.

Dat gevoel verdwijnt niet als de kinderen ouder worden en zich in het verkeer en later het uitgaansleven storten. Deze zomer bespeurde ik bij mezelf weer die overtrokken maar zeer reële angst, toen mijn drie zoons van hun oom, die een duikschool bezit, hun duikbrevet mochten halen. Aan de rand van een meertje stond ik toe te kijken hoe — zo voelt het op dat moment écht — mijn eigen vlees en bloed onder water verdween en gedurende een half uur onzichtbaar was.

Omdat de jongens nog te jong zijn om zelfstandig te duiken, en ik er niets voor voel om ze op vakanties uit te leveren aan wildvreemde instructeurs of gidsen, besloot ik zelf ook maar te leren duiken. Je angst overwinnen door nieuwe angsten op te zoeken, waarschijnlijk is dat wat Jünger verstond onder «de potentiële energie van de Idee». Want bij het begin van zo’n cursus krijg je eerst ingepeperd wat er allemaal mis kan gaan. Trommelvliezen en longen kunnen knappen, decompressieziekte kan de dood tot gevolg hebben, verstrikt in een net of klem tussen een wrak kun je uiteindelijk stikken, en door stikstofnarcose kun je allerlei gekke dingen gaan doen waarmee je jezelf of anderen in gevaar brengt. En als je dan je eerste duik in het buitenwater maakt, en dat niet op de Antillen doet maar in een Nederlandse plas, dan ben je doodsbang dat je in die enorme pan met koude erwtensoep je instructeur kwijtraakt. Als zo veel andere angsten verdwijnt deze vrees zodra je rustig nadenkt en op een rijtje zet wat je in dat geval moet doen. Maar op dat moment, als je toch al moeite hebt je adem haling onder controle te houden en je onhandig over de bodem heen en weer stuitert, is daar dat puur fysieke gevoel van onversneden angst.

Rustig nadenken, op een rijtje zetten wat je moet doen, een eenvoudige kansberekening maken — hierdoor verdwijnen tal van angsten als sneeuw voor de zon.

Helaas is het gevoel dikwijls sterker dan het verstand en breken allerlei agressieve angsten door onze rationele verdedigings linies heen. Zo is daar altijd de sluimerende angst ziek te worden en als gevolg daarvan te sterven. Het nadenken kan zich dan heel eenvoudig tegen je keren, want voor je het weet pieker je over het feit dat je dan je kinderen niet zult zien opgroeien, vraag je je af hoe alles dan verder moet, en kun je zelfs wakker liggen van de vraag of de spreekwoordelijke leegte die je dan achterlaat misschien wel heel snel zal zijn opgevuld. Dat is uiteraard volkomen zinloos, het is het nemen van een voorschot op toekomstige ellende. Ook over de reële gevaren die je loopt, bijvoorbeeld in het verkeer of te midden van de blijkens allerlei rapporten steeds talrijker wordende «hufters», kun je beter niet al te veel nadenken.

Lastiger zijn wat mij betreft allerlei irreële angsten, die soms een verlammende uitwerking hebben. Af en toe vrees ik dat ik op een ochtend wakker word en ontdek dat ik helemaal geen journalist ben maar nog steeds mijn geld verdien met het oplossen van melkpoeder en het mengen van vla, of met het tellen van schroefjes in een fabriek van vliegtuigkeukens. Of ik stel me voor dat er op een dag zo veel ingezonden brieven bij de redactie binnenkomen dat ik, onder dankzegging voor bewezen diensten, vriendelijk op straat word gezet. Alle berichten over pensioengaten en problemen met de AOW zorgen ervoor dat ik soms verlamd word door het idee dat ik tot mijn allerlaatste snik tien uur per dag zal moeten werken. Tegelijkertijd word ik ook behoorlijk onrustig van alle aandacht die er tegenwoordig aan «senioren» wordt besteed, en waaruit duidelijk wordt dat het helemaal niet de bedoeling is dat je als bejaarde rustig op een bankje in het park gaat zitten om je levenswijsheid over te dragen op de mussen of een toevallige passant, maar dat je eindeloos moet trimmen, knutselen en reizen.

Het is natuurlijk vreemd dat ik opzie tegen het verplichte «genieten», maar er zitten wel meer steekjes aan mij los. Zo ben ik af en toe bang om op de juiste plaats het verkeerde te zeggen. Soms houd ik mezelf bij het betreden van een slagerij voor dat ik nu echt niet om een retourtje Amsterdam met korting moet vragen, net zoals ik op het station soms overvallen word door de bespottelijke angst dat ik bij de toch al niet bijster vriendelijke dame achter het loket twee zesgranenbroden en vijf krentenbollen ga bestellen. In zo’n geval vraag ik me ook af of de kans bestaat dat ik ooit vreemde dingen ga opschrijven, dat ik in mijn stukjes allerlei mensen ga beledigen, of dat ik me in een vlaag van verstandsverbijstering ga aansluiten bij de Edmund Burke Stichting, waarna ik er plotsklaps achter kom dat ik het voor de volle honderd procent eens ben met Bart Jan Spruyt en Andreas Kinneging, of dat ik ineens in Frans Bauer een groot artiest herken en mezelf op zeker moment terugvind terwijl ik in de Arena sta te juichen als Ajax met 12-0 wint van De Graafschap, of dat ik uiteindelijk op Henk Spaan, Jan Mulder of Martin Ros ga lijken of anderszins op een karikatuur die alleen nog maar door zichzelf serieus wordt genomen. Kortom, de angst om mezelf niet meer te zijn, of dat juist wél te zijn en te constateren dat me dat helemaal niet aanstaat.

Het zijn allemaal puur individuele angsten. Niet alleen omdat ze voor mij als individu gelden, maar ook omdat ze onmiddellijk verdwijnen zodra ik er met anderen over praat, of ze opschrijf. Het zijn angsten die geen relatie hebben met de wereld om mij heen, dus met de werkelijkheid. Het zijn bespottelijke en irritante gevoelens, op hol geslagen hersenspinsels, al zijn ze dikwijls wel heel aanwezig. Als door het postmodernisme getekende, of zo men wil verminkte man die net als Dante op het midden van zijn levenspad in een donker woud is beland, kan ik weinig beginnen met Jüngers noties van een «hogere Wil» of «de potentiële energie van de Idee». Misschien is buiten het contact met de mensen die me dierbaar zijn alleen nog de cultuur enigszins in staat de angsten op afstand te houden. Dat hoeft niet per se «hoge» cultuur te zijn, dat kan ook die cd zijn van Joe Strummer, de voormalige frontman van The Clash, mijn favoriete band uit de tijd dat ik nog dacht dat de angst uit de wereld kon worden geholpen:

And I’ll tell you how I knew my tracks

by the holes in the soles of my shoes

and that’s the day — I said mister

one day I’m gonna make the news

and falling back in the garden

of days so long ago

somewhere in the memory

the sun shines on you boy.