Wijst Dirk Van Bastelaere ons de juiste poëtische weg?

De Biedermeier-leeslat

Boeken over literatuur mogen de laatste jaren in de dagbladpers niet meer rekenen op serieuze, laat staan uitvoerige besprekingen. Wel worden we via interviews breed op de hoogte gehouden van het wel en wee van onze schrijverssterren, maar over de vooronderstellingen van schrijven dreigt langzamerhand in Nederland een stilte te vallen. Onlangs deed Onno Blom in De Standaard een agressieve aanval op De inwijkeling, het nieuwe boek over literatuur van Marc Reugebrink, maar argumenten bracht hij niet naar voren. Zoiets is niet erg bevorderlijk voor een serieus debat.

De essaybundel Wwwhhooosshhh van Dirk Van Bastelaere is in België in de pers wél uitvoerig en serieus besproken, in tegenstelling tot de geringe belangstelling ervoor in Nederland. Rob Schouten maakt in Vrij Nederland Van Bastelaeres presentatie belachelijk. Hij vindt dat hij onhelder schrijft en geeft een voorbeeld van een zin die weliswaar lang is, maar verder uitstekend te begrijpen valt. Blijkbaar vindt hij dat er over poëzie in Jip en Janneke-taal moet worden geschreven. Opvallend is dat hij Van Bastelaeres betoog afdoet als ‘hooghartig academisch’. Dit is het allerlaatste wat ik dacht toen ik Van Bastelaeres meer dan vurige en vaak vrolijke betogen over poëzie en poëziebeschouwing las. Van Bastelaere laat zien en merken dat hij op de hoogte is van terminologie die men sinds de laatste dertig, veertig jaar binnen internationale instituties bij een debat over poëzie pleegt te gebruiken.

Wat is daar precies tegen? Schouten kent dit debat uiteraard, waarom doet hij net alsof het niet van belang is? En waarom maakt hij Lacan, Derrida en Paul de Man belachelijk? Argumenten geeft hij niet. Bovendien is Van Bastelaere zelden zwaar op de hand. Hij bestrijkt alle gebieden uit het culturele aanbod, van X-files, Gertrude Stein en Lacan tot en met het verrassend mooie poëtische werk van de schoolmeisjes Sarah Struys en Ann Peeters. En wat is er tegen een academisch debat? Geef mij maar een ouderwetse hoogleraar met een pijp en spraakgebrek die twaalf argumenten inbrengt tegen gezwets in de ruimte en die argumenten ook nog uitvoerig onderbouwt en expliciteert. Schouten houdt zich in hoofdzaak van de domme en probeert zijn lezers met flauwe, niet ter zake zijnde opmerkingen eveneens zo dom mogelijk te houden. Dan valt het niet zo op. Ook wat Tom van Deel erover schreef getuigt van enig dédain. Alleen Carel Peeters gaat uitvoeriger op deze bundel in. Hij plaatst de bundel in een Belgische context en bespreekt de inzet ervan, waarbij hij de nadruk legt op de in zijn ogen ‘oorlogszuchtige’ taal.

Er is heel wat meer over Van Bastelaeres boek te zeggen. Hij onderneemt een zeer gedurfde inhaalpoging. Zijn essays introduceren in onze gebieden opnieuw het gedachtegoed van schrijvers als Jakobson, Kristéva, Lacan en Derrida. Gedachtegoed dat hier nooit school heeft gemaakt, maar dat nog steeds kan worden ingezet wanneer het over de vooronderstellingen van schrijven gaat. Het is verrassend Van Bastelaere te zien ageren tegen het communicatiemodel dat Jakobson ooit introduceerde, het zender-ontvanger-model. Zou iemand dit nog gebruiken? Voor de zekerheid maakt hij er alsnog gehakt van. Of hem te zien werken met een nauwelijks tot Nederland doorgedrongen of gelezen geschrift als La révolution du langage politique uit 1974 van Julia Kristéva. Ik vrees dat zij er zelf tegenwoordig van schrikt als iemand haar met dit boek lastig valt, maar Van Bastelaere citeert er met instemming uit.

En wat te denken van zijn pleidooien voor de opvattingen over schrijven en lezen van Ronald Barthes uit de jaren zestig en zeventig, of nog eerder. Van Bastelaere steekt zijn bewondering niet onder stoelen of boeken, gaat ermee aan de slag en laat zien dat diens opvattingen nog steeds vruchtbaar kunnen zijn. Van Bastelaere is duidelijk op zijn sterkst wanneer hij bewondert, wanneer hij de grote voorgangers en voorbeelden voor zijn karre tje spant. Dan spettert zijn boek van de lol en het enthousiasme.

Wanneer hij collega-schrijvers aanvalt, wordt het bij Van Bastelaere allemaal minder. In bewondering is hij groot, in verkettering heel wat kleiner. Dan komt ook een tekort in zijn werk scherp naar voren. Hij opent zijn boek met een lang artikel over de poëticale opvattingen en recensiepraktijken van Hugo Brems. Brems is volgens Van Bastelaere een kleinburger die opereert met behulp van Biedermeier-uitgangspunten en hij demonstreert dit met een leesmodel dat hij ontleent aan een driedelig standaardwerk van Friedrich Sengle: Biedermeierzeit.

De Bastelaere brengt dit werk terug tot een A4-tje en gaat vervolgens aan de slag. Zijn lezing van Brems demonstreert bijna volmaakt wat hij in de rest van zijn boek niet alleen vrolijk, virtuoos en met klem van argumenten bestrijdt, maar ook als ‘ideologisch’ bij het grootvuil neerzet: hij leest het werk van Brems met een vast lees- en betekenis gevend model dat hij van een ‘autoriteit’ heeft overgenomen. Je kunt Van Bastelaere niet kwader krijgen – terecht trouwens – dan wanneer je literatuur opvat als een of ander neutraal type woordspel dat een inhoud met vaste betekenissen verbindt. Maar wanneer hij dit zelf doet, zoals in zijn bespreking van Brems, wiens werk hij opvat als een eenduidig te lezen oeuvre, is er blijkbaar geen bezwaar.

Hij legt zijn Biedermeier-leeslat overigens niet alleen langs het werk van Brems, maar in een ander artikel ook langs de gedichten van Herman Leenders, en constateert ook bij hem dezelfde te verwerpen kenmerken als ‘moralisme’, ‘burgerlijkheid’, ‘sociaal harmonie-/ordeprincipe’, ‘zin voor eenvoud/natuurlijkheid’, ‘melancholie’, en ‘persistentie van classicistische vormen’. Dit Biedermeier-leesmodel opereert uiteraard met een cirkelredenering. Je stelt van tevoren vast wat je van een werk vindt, wat je erin ziet, en laat er vervolgens een leesmodel op los om je gelijk te halen. En op dit model berust voor een belangrijk deel Van Bastelaeres essayboek, de terminologie eruit duikt steeds op. Hij neemt het onbegrijpelijk serieus en dat terwijl hij op veel plaatsen treffende opmerkingen maakt over het lezen en schrijven van poëzie. Van Bastelaere weet zich in zijn boek niet los te maken van de ideologische schrijf- en leesmodellen die hij zelf zo hartstochtelijk bestrijdt.

Het is tamelijk makkelijk ieders poëzie, dus ook die van Van Bastelaere, langs de een of andere leeslat te leggen en vervolgens aan te tonen dat ze niet deugt. Ik zou bijvoorbeeld benieuwd zijn in hoeverre De Bastelaeres poëzie voldoet aan een leesmodel dat de Amerikaanse kunstsocioloog Herbert Newberry onlangs voorstelde in zijn vuistdikke werk Faking Avantgardism (2001).

Newberry probeert in zijn werk aan te tonen dat veel jonge Amerikaanse dichters werken met zeer clichématige en weinig doorleefde ‘toepassingen’ van avant-gardistische poëzie uit de jaren twintig van de vorige eeuw. Hij beroept zich in zijn werk, net als Van Bastelaere, systematisch en gedegen op het werk van Foucault, Barthes en Derrida. Iemand die kwaad wil, of liever die ‘een kwade blik’ heeft, zou zijn leesmodel zonder enige moeite langs Van Bastelaeres werk kunnen leggen. Het ligt er maar aan wat je erin wilt ‘zien’. Je zou bijvoorbeeld kunnen aantonen dat diens poëzie in veel opzichten, en ik gebruik nu de terminologie van Newberry, ‘fake protesting’ laat zien, ‘gratuitous progressiveness’, ‘metaforic dumbness’, ‘continuing plagiatarism’, ‘form fetischism’ en ook ‘ideological selfsatisfiedness’ aan de dag legt. Newberry spreekt in dit verband spottend over ‘wannabe avantgardism’: de overdreven neiging die veel, meestal minder getalenteerde dichters, aan de dag leggen zich bij avant-gardistische voorbeelden aan te sluiten, wat in tegenspraak is met uitgangspunten van de avant-garde. Je zou dus kunnen aantonen dat Van Bastelaere in zijn poëzie een jammerlijke navolger is die de uitgangspunten van de avant-garde braaf reproduceert. Exit Van Bastelaere.

Wie snel naar de boekhandel rent om het boek van Newberry te bestellen, komt uiteraard bedrogen uit, want het bestaat helemaal niet, ik heb het voor het gemak maar even verzonnen. Van Bastelaere hoeft zich dus over zijn poëzie geen grote zorgen te maken, maar waar hij zich wel zorgen over moet maken is zijn modelgestuurde leeswijze van werk dat hij wil bestrijden. In plaats dat hij zich, zoals bijvoorbeeld Derrida voorstelt, richt op de tegenspraken die binnen teksten circuleren, de ‘versprekingen’, ‘lege plekken’ en ‘onzekerheden’ van teksten, geeft hij er een rigoureuze vaste lezing aan die haaks staat op zijn eigen uitvoerig weergegeven ideeën over lezen en schrijven. Hij zou zich niet, als hij zijn eigen uitgangspunten tenminste serieus neemt, moeten richten op een ‘weerlegging’ van het werk van Brems of Leenders, maar op een analyse van de tegenspraken erbinnen. Van Bastelaere is niet in staat de ideoloog in zichzelf te bestrijden.

Dit heeft te maken met het ideologiebegrip dat hij hanteert. Hij gebruikt ideologie meestal in de klassiek-marxistische betekenis van ‘vals bewustzijn’. Het kapitalisme en de reproducerende instanties daarvan (onderwijs, religie et cetera) produceren voortdurend ‘verkeerde’ voorstellingen over de maatschappelijke verhoudingen. De tegenstanders van het kapitalisme beschikken volgens deze opvatting dus over de ‘juiste’ inzichten. Dat zijn de ‘goeien’, de anderen, de sufferds dus die niks doorzien, of willen doorzien, dat zijn de ‘kwaaien’. Deze opvatting over ideologie verstrikt zich in allerlei tegenspraken. Want hoe is het bijvoorbeeld mogelijk een ‘juiste visie’ te hebben wanneer je binnen dezelfde maatschappelijke omstandigheden leeft als zij die haar blijkbaar niet hebben? Van Bastelaere maakt hier geen punt van. Vandaar zijn weerlegging van Brems en Leenders. Hij ‘doorziet’ hun werk omdat hij nu eenmaal de ‘juiste blik’ heeft, die hij overigens aan iemand anders ontleent.

Maar hoe kan hij over de juiste blik beschikken wanneer ook hij, net als Brems en Leenders, binnen de bestaande kapitalistische verhoudingen leeft en werkt? Is hij knapper dan Brems en Leenders? Onttrekt hij zich aan die verhoudingen? Alleen al door ertegen te zijn? En hoe weet hij zeker dat zijn blik juist is? Alleen omdat hij het zegt? Hoeft hij zichzelf niet te doorzien? Volgens de klassieke marxistische theorie zijn de maatschappelijke verhoudingen ‘noodzakelijk’, dit betekent dus dat iedereen noodzakelijkerwijs een ‘vals bewustzijn’ heeft, dus ook Van Bastelaere. Of onttrekt hij zich aan ideologie? Doorziet hij alles beter dan wij? Is hij de Nieuwe Verlosser waarop wij zo smartelijk wachten, die ons Het Lichtend Poëtisch Pad wijst?

Althusser probeerde deze kwestie op te lossen door ‘ideologie’ op te vatten als een conglomeraat van ‘noodzakelijke’ en ‘intrinsieke’ opvattingen, die hij zelfs formuleerde in aan Freud ontleende begrippen, maar ook hij slaagde er niet in de tegenspraken weg te redeneren.

Van Bastelaere maakt in navolging van dit onderscheid tussen het ‘juiste’ en het ‘valse’ bewustzijn een onderscheid tussen ‘echte’ en ‘onechte’ poëzie. Hij meent dat ‘echte’ poëzie buiten de gangbare ordeningen van ons culturele systeem valt, dus een vorm van rommel is, een residu. ‘Als rotzooi maakt de echte hedendaagse poëzie deel uit van ons culturele systeem, maar wordt tegelijk onder de mat geveegd’, zegt hij ergens. De ‘echte’ poëzie maakt volgens hem vijf procent uit van de hedendaagse poëzie: ‘In de bestaande instituties en vertogen schrijft de hedendaagse poëzie (waartoe 95 procent van de dichters blijkens hun neo-Biedermeier-verzen niet behoort) zich met al haar wereldsheid en haar kennis van de codes in en ontwricht ze.’

Zou hij zijn eigen poëzie tot de ‘echte’ rekenen? Ik denk het wel. Je kunt hem moeilijk van bescheidenheid beschuldigen, dat pleit voor hem, maar op welke gronden dat beslisbaar te maken valt, blijft in het ongewisse. Dit valt ook niet te beslissen, behalve voor iemand die zich systematisch op een autoritair leesmodel beroept zoals Van Bastelaere in zijn essaybundel doet.

De scheiding tussen bokken en schapen die Van Bastelaere in zijn hele bundel doorvoert, komt voort uit een merkwaardige, bijna messianistische behoefte de juiste poëtische weg te wijzen, maar is niet vruchtbaar voor de bespreking van poëzie, laat staan voor het schrijven daarvan. Bij lezing van poëzie gaat het, zoals gezegd, niet om de oppervlakkige ideologische hang ups van de tekst, maar om de lispelende tegenspraak, het onvermoeden, de schreeuw die eronder hangt

Die bloot te leggen, beter gezegd, die articuleerbaar te krijgen, naambaar te maken, ook in het werk van Van Bastelaere, of in dat van wie dan ook, daar gaat het om.

Dirk Van Bastelaere

Wwwhhooosshhh

Uitg. Vantilt, 269 blz., € 22,50