Nieuwe vertaling

De bijbel: een recensie

Bij verschijning van de nieuwe vertaling recenseerde Piet Gerbrandy de bijbel. Een boek vol verwarrende verhalen en perverse argumentaties. Hoe de bijbel te lezen?

Wanneer Adam in week twee het vee, het gevogelte des hemels en het gedierte des velds van namen heeft voorzien, is hij doodmoe. Niet alleen zal deze actie het uiterste van zijn vindingrijkheid hebben gevergd, ook is hij tot het frustrerende inzicht gekomen dat geen van al die wezens hem zou kunnen helpen. Ontredderd valt hij in slaap. Maar zie, God opent zonder verdere anesthesie Adams buik, neemt hem een rib af en vormt daarvan een vrouwelijke kloon. Als Adam wakker wordt en de vrouw ziet, is hij aangenaam verrast: «Deze is ditmaal been van mijn gebeente en vleesch van mijn vleesch; en ze zal Manninne heeten, omdat zij uit den man genomen is.» Voortaan zal de man zijn ouders verlaten en «zijne vrouw aankleven, en zij zullen tot één vleesch zijn». Gebeente, vlees, man en mannin, aankleven en in elkaar opgaan: de geboorte van de mensheid is een uitermate fysiek gebeuren. Maar ook de taal speelt een grote rol. Zoals Adam de dieren een naam had gegeven, bepaalt hij ook hoe zijn partner zal heten. In dit boek bestaan de verschijnselen pas echt wanneer ze benoemd zijn.

Aldus een korte, maar cruciale passage uit het eerste bijbelboek Genesis in de Statenvertaling uit 1637. Het is vet, soms knetterend en zompig proza waarin je de sensuele poëzie van Vondel en Brederode hoort meeklinken. Prachtig, maar bij vlagen ook volkomen onbegrijpelijk. Die onbegrijpelijkheid mag zeker gedeeltelijk op het conto van de Hebreeuwse oertekst geschreven worden, maar is ook te wijten aan het feit dat het Nederlands de afgelopen vier eeuwen ingrijpend veranderd is. Vertalingen worden nooit voor de eeuwigheid gemaakt. De Odysseia-vertaling van P.C. Boutens is tegenwoordig alleen nog te volgen als je het Grieks ernaast legt en geen regisseur zal het in zijn hoofd halen Shakespeare op de planken te brengen in de versie van Burgersdijk. Ook de bijbel moet steeds opnieuw vertaald worden – althans, gesteld dat het de bedoeling is dat de lezer enig idee krijgt van wat de tekst betekent.

Blijkbaar is dat niet de bedoeling van alle gebruikers van de Heilige Schrift. Volgende week verschijnt de langverwachte Nieuwe Bijbelvertaling (NBV) waaraan tientallen deskundigen vele jaren gewerkt hebben, maar eind september wist Trouw al te melden dat «Beatrix’ hofpredikers», de gebroeders Ter Linden en Huub Oosterhuis, niet van plan waren aan deze nieuwlichterij mee te doen. De NBV zou Genesis «vers voor vers naar de knoppen» hebben geholpen en het boek Jona wordt gekenschetst als «burgermansproza». Nu valt er op iedere vertaling altijd van alles af te dingen, dus ook de NBV maakt keuzen waarover je inderdaad regel voor regel van mening kunt verschillen, maar over één ding zijn de nieuwe vertalers het eens: de bijbel gaat ergens over en het is handig als ook moderne lezers kunnen zien wat er staat.

Wie de bijbel in de eerste plaats beschouwt als rituele tekst die geen andere functie heeft dan de kudde bij elkaar te houden, zal pleiten voor een zo ondoorgrondelijk mogelijke vertaling, want rituelen zijn niet gebaat bij nadenken. Zoals er Indonesische en Pakistaanse islamieten zijn die de gehele koran in het Arabisch uit hun hoofd kennen zonder er ook maar een woord van te begrijpen (daar zijn zelfs concoursen voor), kennen we in Nederland nog kerkgenootschappen die zweren bij de Statenvertaling omdat die de enige juiste versie van Gods Woord zou behelzen. Zelfs als dat het geval zou zijn, kun je je afvragen hoeveel lezers nog begrijpen wat deze vervloeking uit de Brief van Judas betekent: «Dezen zijn vlekken in uwe liefdemaaltijden, en als zij met u ter maaltijd zijn, weiden zij zichzelve zonder vrees; zij zijn waterlooze wolken, die van de winden omgedreven worden; zij zijn als boomen in het afgaan van den herfst, onvruchtbaar, tweemaal verstorven, en ontworteld; wilde baren der zee, hun eigen schande opschuimende; dwalende sterren, denwelken de donkerheid der duisternis in der eeuwigheid bewaard wordt.» Prachtig proza, wederom, maar er is geen touw aan vast te knopen.

Het probleem is natuurlijk dat de bijbel zo’n merkwaardige status heeft. Voor sommigen vertegenwoordigt het boek der boeken de enige echte waarheid over deze wereld en onze plaats erin. Voor dat doel hadden ze beter een ander boek kunnen kiezen, want je hoeft maar een paar uur in de bijbel te bladeren om te zien dat God zichzelf wel erg vaak tegenspreekt, dat Hij niet altijd even helder formuleert en dat nogal wat verhalen geen enkele morele relevantie lijken te hebben, althans niet voor ons, hier in Nederland, in 2004. Daarom is de bijbel totaal ongeschikt als levensbeschouwelijk en praktisch richtsnoer voor het bestaan. Daar komt bij dat het enige bewijs voor de stelling dat de bijbel Gods Woord is, in dat boek zelf is te vinden.

Voor anderen is de bijbel een bron van cultuurhistorische informatie. Voor de geschiedenis van het Midden-Oosten in de laatste twee millennia voor Christus is het Oude Testament een waardevol document, terwijl het Nieuwe Testament belangrijk is voor onze kennis van de Romeinse keizertijd. Ook vertellen de vertalingen veel over de tijd waarin en de intentie waarmee ze gemaakt zijn. De Statenvertaling zegt: «En Adam bekende Eva zijne huisvrouw, en zij werd zwanger, en baarde Kain, en zeide: Ik heb eenen man van den Heere verkregen.» De NBG-vertaling uit 1951 doet het zo: «De mens nu had gemeenschap met Eva, zijn vrouw, en zij werd zwanger en baarde Kaïn; en zij zeide: Ik heb met des Heren hulp een man verkregen.» De katholieke Willibrord-veraling uit 1977: «De mens had gemeenschap met zijn vrouw Eva; zij werd zwanger en bracht Kaïn ter wereld, en zij sprak: Door Jahwe’s gunst heb ik een mannelijk kind voortgebracht.» De nieuwe vertaling handhaaft het eufemisme voor de geslachtsdaad, expliciteert nog eens dat de naam Adam «mens» betekent en geeft de godsnaam Jhwh weer met het traditionele «Heer»: «De mens, Adam, had gemeenschap met Eva, zijn vrouw, en zij werd zwanger en bracht Kaïn ter wereld. Met de hulp van de Heer, zei ze, heb ik het leven geschonken aan een man!» Het uiterst fysieke woord «baren» is kennelijk uit de gratie. Daar staat tegenover dat de polariteit van man en vrouw in deze vertaling goed tot uitdrukking komt en dat «het leven schenken» aanzienlijk actiever is dan «verkrijgen» en minder kleurloos dan «voortbrengen».

Behalve een religieuze en een cultuurhistorische, heeft de bijbel ook een literaire betekenis. Lezers hebben zich vanouds aangetrokken gevoeld tot de poëzie van de bijbel, maar pas sinds de achttiende eeuw wordt er echt werk gemaakt van een letterkundige benadering van de sacrale tekst. De Psalmen werden vergeleken met de lyriek van Pindaros en Horatius, de brieven van Paulus met die van Seneca en de lijdensgeschiedenis van Christus werd als tragedie gelezen. Maar welke benadering men ook koos, altijd stuitte men op de problematische eenheid van de bijbel. Of men nu aannam dat het boek van kaft tot kaft geïnspireerd was door de adem Gods of niet, niemand kon ontkennen dat er tussen de vroegste en de laatste teksten een gat van minstens duizend jaar gaapt en dat beweringen uit het Oude Testament vaak radicaal worden tegengesproken door erkende autoriteiten als Jezus en Paulus.

Met andere woorden: de bijbel is meerstemmig en meerduidig. Is dat een bezwaar voor liefhebbers van conventioneel proza, de twintigste-eeuwse literatuur heeft laten zien dat de meest gefragmenteerde en weerbarstige boeken juist de spannendste zijn. De Satyrica van Petronius, The Anatomy of Melancholy van Robert Burton, het proza van James Joyce en de poëzie van Ezra Pound bewijzen dat een literair werk geen eenheid behoeft te zijn om én de aandacht vast te houden én iets zinnigs over de wereld te vertellen. Montage-technieken, afwisseling van poëzie en proza, variaties in stijlregister, ready-mades, vertellers met een onduidelijke status – niets is de door de wol geverfde lezer te veel. Misschien zou je de auteurs van de verschillende bijbelboeken zelfs kunnen vergelijken met de heteroniemen van Pessoa. Omdat het in de christelijke traditie bovendien gebruikelijk is de bijbel in alle richtingen te doorkruisen, waarbij het niet verboden is willekeurige regels uit de evangeliën naast bijvoorbeeld Jesaja of Exodus te leggen, ontstaat een geschrift dat het ideaal van Gerrit Krol benadert: een roman waarin je op elke gewenste pagina met lezen kunt beginnen, als was het een gedichtenbundel. Musicologen zouden van aleatoriek spreken: de noten liggen wel vast, maar niet de volgorde waarin ze gespeeld worden. In het gunstigste geval ontstaat bij zo’n lectuur een vorm van contrapunt, en dat is wat predikanten week na week nastreven.

De meest opvallende verschillen zijn die tussen de joodse Pentateuch – de vijf boeken van Mozes waarmee de bijbel opent – en het vroeg-christelijke Nieuwe Testament, dat in het Grieks is geschreven, de toenmalige lingua franca in de oostelijke helft van het Middellandse-Zeegebied. In het begin is Jhwh nog één van de vele goden. Zijn naam houdt verband met het werkwoord «waaien», vermoedelijk was hij een Semitische hemelgod, die van zijn vader het volk van Israël als ambts gebied kreeg toegewezen: «Toen de Allerhoogste bezit toewees aan de volken en Hij aan de mensen ieder hun deel gaf, heeft Hij de grenzen der naties bepaald naar het getal van Gods zonen. Toen werd zijn volk het deel van Jhwh, Jakob het hem toegemeten bezit.» Veelvuldig klaagt de Heer over concurrentie die liever vandaag dan morgen uitgeschakeld moet worden: liberaal is God nooit geweest.

Daar komt bij dat de oudste gedeelten van de bijbel geen hiernamaals kennen: het doorgeven van de genen, en wel via de mannelijke lijn, is de enige vorm van onsterfelijkheid die de mens gegeven is. Vandaar dat met name in Genesis zoveel aandacht wordt besteed aan procreatie, zelfs in de vorm van tamelijk lange geslachtsregisters: «Toen Sem 100 jaar oud was, verwekte hij Arpaksad, twee jaar na de zondvloed. Na de geboorte van Arpaksad leefde Sem nog 500 jaar. Hij verwekte zonen en dochters. Toen Arpaksad 35 jaar was, verwekte hij Selach. Na de geboorte van Selach leefde Arpaksad nog 403 jaar. Hij verwekte zonen en dochters.» Enzovoorts. Zulke teksten hebben het geruststellende ritme van de oudste beweging ter wereld.

Voor Jezus en zijn makkers is er maar één god, die zijn terrein heeft uitgebreid van Israël naar de gehele mensheid. Dat brengt automatisch met zich mee dat allerlei gebodsbepalingen uit de Pentateuch al binnen de bijbel buiten werking worden gesteld. Een goed voorbeeld is de besnijdenis, die zonder ook maar een spoor van argumentatie door God wordt ingesteld om zijn contract met Abraham te bekrachtigen. De tekst van Genesis geeft geen enkele reden waarom het de voorhuid is die eraan moet geloven, in plaats van bijvoorbeeld een oorlel. De apostel Paulus zegt daarentegen: «Het is volkomen onbelangrijk of men wel of niet besneden is, belangrijk is dat men de geboden van God in acht neemt.» Maar die besnijdenis was toch een gebod van God? En als we dan besluiten dat de gebodsbepalingen uit Genesis, maar vooral die uit Leviticus, Numeri en Deuteronomium alleen betrekking hebben op het joodse volk, waarom zou een christen die dan moeten lezen?

Het Oude en het Nieuwe Testament spreken elkaar dus tegen. Maar het is nog erger: precies halverwege de bijbel staat het boek Prediker, dat iedere aanspraak op waarheid of wijsheid onderuithaalt. «IJdelheid der ijdelheden! Alles is ijdelheid. Welk voordeel heeft de mens van al zijn zwoegen, waarmee hij zich aftobt onder de zon?» Omdat het Hebreeuwse woord dat traditioneel wordt weergegeven met «ijdelheid», letterlijk «luchtigheid» betekent, en omdat de «boek-der-boeken-cons tructie» een hebraïsme is, doet de NBV het zo: «Lucht en leegte, alles is maar leegte.» Niet alleen hard werken, rijkdom en aanzien zijn in de ogen van de Prediker zinloos, maar ook aan wijsheid heb je niets: «Ik heb meer en groter wijsheid verworven dan iedereen die voor mij heeft geregeerd in Jeruzalem. Ik heb veel wijsheid en kennis opgedaan. Ik heb me er met hart en ziel voor ingespannen te ontdekken wat wijs is, en wat dwaas en onverstandig is. Maar ook dat, zo heb ik ingezien, is enkel maar najagen van wind. Want wie veel wijsheid heeft, heeft veel verdriet. En wie kennis vermeerdert vermeerdert smart.» Even later zegt hij echter: «Bezit kan samengaan met wijsheid; dat is nuttiger onder de zon. Ze bieden beide schaduw, maar het voordeel van wijsheid is dat ze de mens meer schaduw in het leven biedt.» De Pre diker is een soort Sokrates, die meende dat zijn enige wijsheid bestond uit het inzicht dat hij niet wijs was: een wijze ziet tenminste waar hij de mist ingaat, terwijl een dwaas in het duister tast.

Als je achter elkaar een aantal willekeurige bijbelboeken doorleest, kun je niet anders dan tot de slotsom komen dat de kwaliteit van Gods ghostwriters niet bepaald constant is. De grootste missers treffen we helaas aan in wat de climax had moeten worden, de Open baring van Johannes, ook bekend onder de titel Apokalyps. Wat een machteloos proza! In beelden die maar niet tot leven willen komen wordt verteld hoe binnenkort, aan het eind der tijden, definitief de pleuris zal uitbreken. God zal in een orgie van geweld die ik, of ik dat nu wil of niet, met de holocaust associeer, de bokken van de schapen scheiden. Hier wordt beschreven hoe een ster een sleutel krijgt waarmee ze een put opent (ik zie het niet voor me). Uit die put stijgt rook op als uit een grote oven. Uit de rook dalen sprinkhanen af die geacht worden zich als schor pioenen te gedragen. «Maar, werd erbij gezegd, ze moesten de planten, struiken en bomen ongemoeid laten. Alleen de mensen die niet het zegel van God op hun voorhoofd hadden, mochten ze kwaad doen. Doden mochten ze hen niet, alleen pijnigen, vijf maanden lang: die mensen zouden pijn moeten lijden alsof ze door een schorpioen gestoken waren. Dan zullen de mensen de dood zoeken, maar hem niet vinden.» Wat vooral opvalt in Openbaring is de perfecte logistiek van Gods terreur. De auteur vertelt nauwkeurig hoe lang bepaalde verschrikkingen zullen duren en wat de afmetingen zijn van het nieuwe Jeruzalem, de stad die met het lam zal trouwen – geen erg geslaagde beeldspraak, lijkt me.

Ook van de brieven van Paulus ben ik bij deze hernieuwde kennismaking enorm geschrokken. Goed, hij opereerde in een wespennest waarbij vergeleken de LPF een perfect lopende organisatie is, dus het is begrijpelijk dat hij zo nu en dan bezweek voor de verleiding zijn concurrenten liever te verpletteren dan te overreden, maar, bijvoorbeeld, de argumentatie waarmee hij wil aantonen dat een vrouw haar hoofd moet bedekken, is ronduit pervers. God schiep de man naar zijn beeld, vervolgens schiep hij de vrouw uit en voor de man. Man en vrouw hebben elkaar nodig, «want zoals de vrouw uit de man is voortgekomen, zo bestaat de man door de vrouw – en alles is ontstaan uit God». Afgezien van de ongeldigheid van de premissen, kan ik deze gedachtegang nog wel volgen. Maar zo gaat Paulus verder: «Oordeelt u daarom zelf. Is het gepast dat een vrouw met onbedekt hoofd tot God bidt? Leert de natuur zelf u niet dat lang haar een man te schande maakt, terwijl het een vrouw tot eer strekt? Het haar van de vrouw is haar gegeven om een hoofd bedekking te dragen.» Je snapt niet dat zulke nonsens ooit door iemand au sérieux is genomen.

De meest ontroerende verhalen staan in Genesis, al laten ook die de lezer soms in opperste verwarring achter. Wat moeten we met een Jakob die aan één stuk door de boel belazert, maar toch de lieveling van Jhwh blijft? Welke lering te trekken uit het lot van Onan, die voor het zingen de kerk uit ging? Waarom laat God Juda naar bed gaan met zijn schoondochter Tamar? En is het niet onverdraaglijk dat die onuitstaanbare Jozef het in Egypte tot grote welstand brengt door in de zeven vette jaren graan op te potten dat hij in de zeven magere jaren met woekerwinsten kan verkopen?

De Prediker zou afraden je daar te veel over op te winden: «Er komt geen einde aan het aantal boeken dat geschreven wordt en veel lezen mat het lichaam af.» Dat moge zo zijn, toch is het feit dat er ook aan het aantal bijbelvertalingen geen einde komt, een zegen. Net zoals de Odysseia iedere tien jaar opnieuw vertaald wordt, moet ook de bijbel steeds opnieuw onder handen genomen worden. Iedere vertaler laat een nieuwe kant van de tekst zien, en de enige manier om een traditie levend te houden is haar permanent aan te passen. Ik mag het Hooglied lezen in de versie van Mark Boog, de Psalmen in die van Lloyd Haft, Amos in de NBV, Exodus in de vertaling van Huub Oosterhuis en Genesis in de Naardense bijbel van Pieter Oussoren, die ook deze maand verschijnt. En de gebroeders Ter Linden zou ik willen toevoegen: «Wie laster verbreidt is een dwaas.»