De bijbel is ook een boek

Franca Treur, Dorsvloer vol confetti. € 17,95

Medium treur franca

In het literaire tijdschrift De Gids van oktober/november staat pensionado Maarten ’t Hart centraal, net 65 jaar oud en door vrienden en collega’s in het zonnetje gezet. Het gros van de stukken heeft een hoog persoonlijk gefeliciflapsteerd-gehalte, waarvan je denkt: het heet een brief, probeer dat eens. Maar het geeft wel een veelzijdig beeld van hoe ’t Hart een schrijversleven lang strijd levert – niet eens zo zeer tegen geloven, schrijft H.M. Kuitert in een essay, maar tegen het gareel waarin gelovigen elkaar vastleggen. Hij schrijft ‘over de reëel bestaande christelijke godsdienst die in reëel bestaande kerken wordt beoefend. Daar heerst, met een beroep op het geloof, knevelarij. Knevelchristenen, soms als Knevel-christenen gespeld, is de vaste term van ’t Hart.’
‘Knevel-christenen’. De manier waarop Maarten ’t Hart afrekende met zijn geloof, met een soms scherpe, soms zachte ironie, heeft een beleefdheid die nauwelijks meer van deze tijd is. ’t Hart is ook niet meer de meest actuele schrijver, maar verrassend genoeg kunnen neerlandici sinds kort weer een nieuwe generatie aan zijn werk koppelen, want in de Nederlandse literatuur heeft de christelijke godsdienst de laatste jaren een comeback gemaakt. Dat staat niet op zichzelf: godsdienst is ook steeds vaker onderwerp in westerse films en documentaires. Misschien is het een soort zelfonderzoek: nadat in de kunst eindeloos onderzoek is gedaan naar de beweegredenen van de ‘exotische’ godsdienstfanatici die de 21ste eeuw in 2001 wakker schreeuwden, zoeken we nu de religieuze uitwassen in onze eigen cultuur. Arjan Visser schreef met De laatste dagen een sterke roman over godsdienstwaanzin op het Groningse platteland; in het spoor van het monstersucces van Siebelinks Knielen op een bed violen verscheen vorig jaar Sneeuweieren, de geslaagde debuutroman van Ricus van de Coevering, waarin een boerin zich tot in het extreme aan de Heer overgeeft, nadat haar adoptiekind is omgekomen.
En nu is er het debuut van Franca Treur, Dorsvloer vol confetti, over de twaalfjarige Katalijne uit een bijbelvast boerengezin op het Zeeuwse platteland. Treur werpt zich misschien nog wel het meest op als erfgenaam van de romans van Maarten ’t Hart, die bijvoorbeeld in De jakobsladder gedetailleerd de beknellende leefregels van een gereformeerde geloofsgemeenschap beschrijft. Treur doet hetzelfde, maar met één verschil: bij haar is het geen antigodsdienstbetoog. Ze probeert geen zielig verhaal te vertellen, ze wil haar lezers niet het hypocriete van godsdienst inwrijven.
Dorsvloer vol confetti (wat een mooie titel) is een opvallend tedere roman. Katalijne is het enige meisje in het gezin. Dagelijks ondergaat ze de pesterijtjes van haar broers, en toch vormen de kinderen binnen het gezin een eenheid die samenspant om de leefregels van de ouders en de kerk iets soepeler te maken. Het is raden hoe autobiografisch de roman is. Franca Treur, geboren in 1979, groeide zelf op als boerendochter in Walcheren. Dat zal verklaren waarom Treur zo waanzinnig gedetailleerd kan schrijven. Juist door alle kleinigheidjes, de titels van de familietijdschriften die vader en moeder lezen, overtuigt Treurs portret helemaal. Subtiel zijn die kleinigheidjes niet, het zijn er zo veel dat je er niet omheen kunt. Dat is meteen het manco van de roman: Treur weet niet echt maat te houden. Zo nu en dan heb je het idee dat ze zich wat verlekkert aan het boerenjargon – ‘De schoepen konden niet meer draaien en de aftakas naar de stationair draaiende trekker klapte af. Een slipkoppeling zat er helaas niet op’ – en met 220 bladzijden zonder echte verhaallijn is de roman aan de lange kant. Er zitten nu te veel herhalingen in, elk hoofdstuk had twee of drie pagina’s korter gekund.
Op een verdekte manier gaat Dorsvloer vol confetti over de kracht van taal en verhalen. Het eerste wat wordt opgemerkt over ‘vader’ is dat hij altijd dezelfde dingen zegt, dezelfde anekdotes vertelt, dezelfde uitdrukkingen gebruikt. Katalijne probeert juist haar eigen verhalen te bedenken, hoe moeilijk dat ook is. Het pijnlijkst komt dat naar voren in een knappe scène waarin ze thuiskomt en haar moeder aantreft die voorleest uit het schriftje waar Katalijne haar verhalen in neerpent. Het is een peststreek van haar oudere broer, die het schrift op haar kamer heeft ontdekt.De kinderen luisteren en kijken haar aan, half ongeïnteresseerd, half spottend.
Katalijne gaat door de grond. Maar juist hierin schuilt de vrijheid: Treur legt het er niet dik op, maar alleen al het gegeven dat Katalijne zelf verhalen kan verzinnen, betekent dat ze verder kan kijken dan dat ene verhaal dat in de bijbel staat. Zoals ze opmerkt wanneer haar oma haar wantrouwend vraagt of ze niet te veel leest in verhalenboeken van school: ‘“Wat lees je dan eigenlijk? Van vele boeken te maken is geen einden, weet je dat wel? En veel lezen is vermoeiing des vlezes.”’
‘De bijbel is ook een boek, denkt Katalijne, maar dat is oma vergeten.’ Ze denkt het. Ze durft het niet uit te spreken, nóg niet. En zo is er veel wat er nog niet is, maar bijna wel. Katalijne merkt dat haar rokjes te strak zitten en dat ze langzaam uit haar meisjestruitjes barst; ze ontdekt dat ze zelf kan denken en niet alleen haar ouders hoeft te volgen. Ondanks het repeterende karakter is Dorsvloer vol confetti een geslaagde coming of age-roman.

FRANCA TREUR
DORSVLOER VOL CONFETTI
Prometheus, 220 blz., € 17,95

Foto: Bob Bronshoff