Florentino García Martínez onderzoekt de Dode Zee-rollen

‘De bijbel moet op de schop’

Jezus woonde om de hoek, maar in de Dode Zee-rollen komt hij helemaal niet voor, constateert godsdienstwetenschapper Florentino García Martínez. En het Nieuwe Testament is minder nieuw dan tot nu toe werd aangenomen, ontdekte hij.

Medium martinez

32 jaar geleden kwam hij aanwaaien in de Lage Landen, vanuit Spanje via Rome en Jeruzalem. Eerst in Groningen, waar hij later directeur zou worden van het vermaarde Qumran Instituut en een van ’s werelds meest vooraanstaande kenners van de Dode Zee-rollen, dan ook in Leuven, voor een tweede professoraat. Het Groot Begijnhof in Leuven is groot, oud en pittoresk en overgerestaureerd als de meeste Vlaamse binnensteden. Vakwerkhuizen en dorpels van Belgisch hardsteen. Ik moet bij de vrolijke bloembakken zijn die zijn vrouw buiten heeft gezet. Binnen wijn, goed eten en een middeleeuwse ommuurde tuin.

‘Het is me gelukt een piek in Vlaanderen te zetten’, grapt Florentino García Martínez (Mochales, 1942). Hij is lid van de Koninklijke Akademie van Wetenschappen en werd, bij zijn afscheid van de Universiteit van Groningen in 2008, Ridder in de Orde van de Nederlandse Leeuw, de hoogste onderscheiding voor een burger. ‘Dat was voor mij ontroerend.’ Niet slecht voor een uit Spanje gevluchte ex-priester.

‘Poner una pica en Flandes, zeg ik met een gevleugeld woord van de hertog van Alva soms tegen Spaanse vrienden, want eigenlijk ben ik voornamelijk de Dode Zee-rollen achterna gereisd.’

Spanje, 1942. De provincie Guadalajara, tussen de rotsige heuvels op de grens van Aragon en Castilië, noordoostelijk van Madrid, heeft de naam van koppige onafhankelijkheid. De strijd tegen de Moren werd er uitgevochten, de opstand tegen Napoleon en, recenter, in 1937, in de Spaanse Burgeroorlog, een bloedige veldslag tussen de Republikeinen en de Nationalisten van Franco. Lang blijft hij niet in zijn geboortedorp Mochales, een gehucht van 69 zielen, geplakt tegen de bergen. ‘Mijn moeder stierf toen ik drie maanden oud was, mijn vader vertrok naar Barcelona, ik had geen contact meer met hem. Ik werd met mijn broer bij een oom geplaatst die priester was. Ik had een goede stem, kon goed zingen. Mijn oom, die niet veel geld had, zei: “Je kunt met jouw stem je eigen boontjes doppen”, en hij stuurde me toen ik zes was naar Zaragoza, naar de Schola Cantorum van de Basiliek van Onze Lieve Vrouw van de Pilaar. In die kathedraal ben ik opgegroeid. We zongen iedere ochtend om half zes in de mis, maakten platen, gaven concerten, zoals de Wiener Sängerknaben. Van het fascistische Spanje van na de burgeroorlog heb ik weinig meegekregen. We waren een gesloten groep, alleen maar bezig met zang en met studeren. Het was een gelukkige jeugd, met niet al te veel restricties en veel mogelijkheden.’

Hij krijgt een beurs en gaat naar het seminarie. ‘Mijn politieke bewustzijn is daar langzaam gegroeid. Ik hoefde niet veel te studeren, was slim genoeg om zonder enige moeite de hoogste cijfers te halen en had tijd te over om van alles te doen. Piano studeren op het conservatorium, dat soort dingen. Op een gegeven moment ben ik gestopt met de muziek en begonnen met schilderen en het maken van sculpturen van ijzer. Ik stuurde een beeld in voor een wedstrijd, zonder vooraf te informeren wie de organisatoren waren, en won de eerste prijs. Naar achteraf bleek stond het beeld op een granieten sokkel in een of ander jeugdkamp van de Falangisten. Ik heb het laten demonteren en terugbrengen.’

Hij is vijftien, zestien jaar oud als een minister van Franco hem polst voor de Vaticaanse diplomatie. ‘“Er zijn maar weinig Spanjaarden op het Vaticaan actief, en zo’n jongen als jij…”’ Hij bedankt beleefd. ‘Ik wilde priester worden en geen diplomaat.’

Was je toen al anti-Franco?

‘Inmiddels wel. Ik las veel boeken over de Burgeroorlog en ik schreef gedichten – en won een aantal poëzieprijzen. Het was meer dan puberaal verzet tegen de familie. Het regime controleerde het seminarie, het onderwijs, alle goede dingen van het leven. Met vier vrienden organiseerde ik een filmclub. We vertoonden films die nog niet door de censuur waren toegelaten. Ik zie me nog zitten in het appartement van Carlos Saura, de avant-garde-regisseur die later beroemd zou worden, samen met zijn partner, Charlie Chaplins dochter Geraldine. De dictatuur was toen nog niet totaal. Later wel.

Later, met de studentenprotesten, kwam de directe repressie; op een gegeven moment was er zelfs een gevangenis speciaal voor priesters. Op mijn 24ste werd ik gewijd tot priester en werd aalmoezenier van de plaatselijke jeugdbeweging. Op die manier had ik contact met veel jongeren, mensen van de clandestiene communistische partij, en ik begon een aantal lezingen te geven in een bioscoop – die zijn later door de politie verboden. In die jaren rond 1964 was er in Spanje geen enkele mogelijkheid tot georganiseerde oppositie. De enige organisatie waar het verzet een dekmantel had, was de katholieke kerk.

De politie kwam naar al mijn preken luisteren en ik had spoedig de naam een communistische priester te zijn. Maar dat berustte op een komisch misverstand. Er was in die tijd in Baskenland een hoge prelaat die naar de naam Ubieta luisterde. Hij had namens de bisschoppen een document uit doen gaan, en ik las een deel van die brief voor in de preek. De politieman die mij beluisterde verstond niet “Ubieta”, maar “eta”. En dacht aldus dat ik begonnen was met een pleidooi voor de eta. Waarop de bisschop zei: “Ik doe niet mee aan de verdediging van de eta. En ik wil niet dat een van mijn priesters naar de gevangenis gaat. Je wilt studeren in het buitenland? Ga maar!”’

Hij vertrekt naar Rome. ‘Ik wilde niet weggaan uit Spanje. Maar toen ik aankwam in Rome, de eerste week, zag ik een demonstratie in de stad. Allemaal rooie vlaggetjes! En zoveel! En ik zag dat de politie ze aan het begeleiden was, dat was voor mij echt een openbaring. Sommige van mijn gedichten waren in Spanje gebruikt in de studentenprotesten, maar daar kwam de politie met paarden en moest je rennen. Het was voor mij een openbaring te zien dat het mogelijk was om op een andere manier met mensen om te gaan, om te kunnen gaan met verschillen.’

Hij gaat studeren op het Pauselijk Bijbelinstituut, het Biblicum. Toen, zoals ook nu, naar Vaticaanse maatstaven een bolwerk van vrijzinnigheid. Een priesterboord draagt hij niet. ‘Die droeg ik eigenlijk in Spanje ook zelden.’ Hij blijft politiek actief. ‘In Rome heb ik een paar jongens van Guadalajara begeleid en contact voor ze gelegd met de Communistische Partij.’

Vanaf het Vaticaan?

‘Vanaf het Vaticaan, ja.’

Palestina,1947. Op zoek naar een afgedwaald schaap gooit een herder, zo wil het verhaal, een steen in een grot aan de Dode Zee en hoort het geluid van brekend aardewerk. Meer dan negenhonderd handschriften zouden de daaropvolgende jaren uit elf grotten opduiken. Een verzameling boekrollen in het Hebreeuws, Aramees en Grieks uit de tijd van pakweg 250 voor Christus tot 50 na. Rollen met bekende boeken als Genesis, Exodus, psalmen en profeten, maar ook onbekende apocalyptische teksten, messiaanse verwachtingen, reinheidsvoorschriften en leefregels. In die grotten verstopt door de bewoners van de even verderop gelegen nederzetting in Qumran, een joodse religieuze sekte die in het jaar 68 door de Romeinen vernietigend werd verslagen.

Met een beurs van een Spaanse bank trekt Florentino García Martínez begin jaren zeventig van Rome naar Jeruzalem en huurt een huisje op Nablus Road, pal tegenover de École Biblique, het vermaarde onderzoeksinstituut van de dominicanen voor bijbelstudie, oude talen, handschriftkunde en archeologie.

‘Met wat dollars op zak ging ik me daar wijden aan de rollen. Het was een gouden tijd. We waren met een klein groepje van tien, twaalf professoren en een stuk of twintig studenten. Er waren priesters, vrouwen, archeologen, Duitsers, Afrikanen, Koreanen. Iedereen kende iedereen, de grootste wetenschappers uit de tijd liepen er rond en je kon daarmee bevriend raken. En we mochten roken in de bibliotheek! Er was echter één probleem: niemand kon bij de rollen komen. Dat had een geschiedenis. De eerste rollen zijn ontdekt op de dag voordat de Verenigde Naties Israël erkenden. Dus de ontdekking van de rollen is sterk gekoppeld aan de geboorte van de staat Israël.

Na de ontdekking, in de jaren vijftig en zestig, bevonden de rollen zich, onder beheer van de directeur van de École Biblique, in het Rockefeller Museum in Oost-Jeruzalem. Een aantal landen had de exclusieve publicatierechten verworven van verschillende rollen. De Koninklijke Nederlandse Akademie van Wetenschappen, bijvoorbeeld, had geld gegeven aan de bedoeïenen voor het grootste gedeelte van grot 11 – een van de grotten met de best bewaarde handschriften, waaronder de beroemde acht meter lange Tempelrol. Toen gold: wie betaalt publiceert, en in Nederland werd in 1961 aan de Universiteit van Groningen het Qumran Instituut opgericht. De Nederlanders hadden het exclusieve recht van studie en publicatie van grot 11 en verder mocht er niemand naar kijken.’

Maar toen Israël in de Zesdaagse Oorlog van 1967 Oost-Jeruzalem bezette, nam het de rollen mee als oorlogsbuit. Vanaf dat moment moest de wetenschap het voornamelijk met microfiches doen. ‘Die rollen werden goed bewaakt door Russinnen. Je mocht ze niet aanraken of velletjes in handen nemen. Dat was de situatie tot 1991. Toen gaven de Israëlische autoriteiten de rollen vrij.’ Het wordt nachtwerk, maar binnen het jaar publiceert García Martínez de eerste integrale vertaling van alle Dode Zee-rollen.

‘Met de ontdekking van de rollen kwam een hele bibliotheek te voorschijn waarvan niemand bevroedde dat-ie kon bestaan. De oudste rollen zijn veel ouder dan de nederzetting in Qumran en stammen van het eind van de derde eeuw voor onze jaartelling, de jongste uit het begin van de eerste eeuw ná. Vóór de ontdekking van de Dode Zee-rollen kenden we het Oude Testament, de Tenach, van Genesis tot en met het boek Daniël, dat vermoedelijk werd geschreven rond het jaar 175 voor onze jaartelling, en kenden we het Nieuwe Testament, geschreven vanaf de tweede helft van de eerste eeuw na onze jaartelling. Tussen het Oude en het Nieuwe Testament, twee, drie eeuwen lang, was er niets. Dus in het Nieuwe Testament was alles nieuw. Dachten we.’

En dat is niet zo?

‘Allerminst. Als je de rollen bestudeert, zie je dat het Nieuwe Testament zich presenteert als een voortzetting en interpretatie van het Oude. Bijna tweeduizend jaar lang heeft men gedacht dat alles nieuw was in het Nieuwe Testament. Dat het Nieuwe Testament het wiel heeft uitgevonden: het idee van de opstanding uit de dood, het idee dat de Messias zoon van God zou zijn, enzovoort. Maar die ideeën vind je al honderd of tweehonderd jaar eerder, in de rollen van Qumran. Hetzelfde met de twistgesprekken over de sabbatviering met de Farizeeën, waar het Nieuwe Testament vol mee staat; veel van die polemieken vind je honderd jaar eerder, vaak met dezelfde voorbeelden. Het werken met de rollen heeft mijn kijk op de bijbel volledig veranderd.

Het hele idee van het bestaan van een bijbel, het boek van kaft tot kaft dat iedereen kent, heb ik moeten loslaten op basis van de evidentie van de rollen. We praten over rollen, maar het beeld dat wij van de bijbel hebben, is verbonden met een boek, met een codexvorm. De codexvorm, van kaft tot kaft, beperkt de inhoud. Met rollen daarentegen kun je verschillende teksten naar believen bij elkaar zetten; je neemt nu eens de ene rol ter hand en daarna de andere. Je kunt het vergelijken met de nieuwe manieren van elektronisch publiceren, die zijn grenzeloos. Je kunt toevoegen, plakken, knippen, herschikken, enzovoort.

Je begint dus met denken in rollen. En vervolgens ga je kijken welke rollen belangrijk werden gevonden door de mensen van Qumran. Welke rollen hebben autoriteit? Want er is geen vooraf gegeven lijst van heilige boeken. Als er bijvoorbeeld veel kopieën zijn van een bepaald boek, dan was dat boek belangrijk voor de mensen. En je ziet: boeken die wij uit de bijbel kennen en boeken die niet in de bijbel staan hebben voor de mensen precies hetzelfde gezag.

Van de kant van traditionele christenen bestond van meet af aan een grote belangstelling voor de rollen; ze dachten er de sleutel tot het Nieuwe Testament in te kunnen vinden, de ontbrekende schakel. Vooral Amerikanen wilden bewijzen: de bijbel is waar. Dat staat absoluut haaks op ons onderzoek. Als er íets is wat de rollen bewijzen, is het dat de tekst niet vaststond. Er was een complete pluraliteit van teksten zonder enig voorbehoud. Iedereen gebruikte de ene versie door de andere heen; langer, korter, variant a of variant b. Ik geloof niet meer in de verschillen tussen bijbelse teksten en niet-bijbelse teksten. En ik heb ook geen zin om daarover steeds maar de discussie aan te gaan. Dat is ook absoluut zinloos: sektarische teksten hebben voor mensen dezelfde autoriteit als Genesis of Exodus kan hebben voor de christen.’

Wat zeggen de rollen over Jezus?

‘Niks! Absoluut niks!’

Maar Jezus woonde bij wijze van spreken…

‘Om de hoek. En in die tijd, enzovoort. Op een gegeven moment dacht ik in een van de Qumran-rollen een tekstfragment te zien dat ook in Lucas of Mattheüs voorkomt. Maar dat bleek helaas een miskleun, want beide teksten blijken terug te gaan op een tekst van Numeri. Toch is het vreemd: de Qumran-teksten reppen met geen woord over Jezus. En in het Nieuwe Testament, op zijn beurt, staat geen woord over de Essenen – terwijl het daar toch van zou moeten wemelen volgens Flavius Josephus. Het zou een soort damnatio memoriae kunnen zijn; over de vijand praat je niet. Of ze zijn zó dichtbij en zulke directe concurrenten dat je maar beter over ze zwijgt.’

Jezus, die drie jaar door het gebied rondtrok, was niet belangrijk genoeg?

‘Voor de groep niet, nee. Voor de groep van Qumran zijn zelfs de Farizeeën niet belangrijk genoeg. En we weten: Farizeeën waren de meest wijdverspreide groep. In de rollen komen ze nergens voor. De groep van Qumran houdt zich hoofdzakelijk bezig met zichzelf. Zoals een Nederlandse collega het eens treffend formuleerde: ze zijn de artikel 31-gemeente van het jodendom. Al woonden ze vlak bij elkaar, het is hoogst onwaarschijnlijk dat er contacten geweest zijn tussen Jezus en de groep. Ze kwamen elkaar niet tegen in de tempel, want de groep was tegen de tempel. Jezus is open naar anderen en ging om met tollenaars en prostituees; de groep verbiedt alle contacten met anderen en streeft een rigide zuiverheid na. De groep van Qumran was een soort elitegroep, heel radicaal, heel conservatief. Een groep zonder vrouwen en kinderen die zich hoogstwaarschijnlijk heeft afgesplitst van de Essenen en als een soort Eerste Divisie de woestijn in trok.

Voor het overige: ik ben er niet zeker van dat Jezus veel te maken heeft met het Nieuwe Testament. Of de historische Jezus veel te doen heeft met de bijbel als collectie van geschriften betwijfel ik ten zeerste. De rollen van Qumran zeggen weliswaar niks over Jezus, maar ze laten ons wel zien hoe de boeken die iets vertellen over Jezus zijn ontstaan. Ik heb vorig jaar in Toronto een lezing gehouden met de titel The Voice of the Teacher, een tafereel dat voorkomt in drie van de Qumran-geschriften, waar uitspraken autoriteit krijgen door te refereren aan de Leraar van de Groep. Dat doen ze in precies dezelfde formules die we later kennen uit het Nieuwe Testament: “Jezus zegt: …!” Die formules blijken in bijbelse boeken en in niet-bijbelse boeken precies hetzelfde. De verhalen uit het Nieuwe Testament lopen in tal van dingen exact parallel met de verhalen van Qumran. Paulus, de eigenlijke stichter van het christendom, is een rabbijn. Paulus redeneert als de mensen van Qumran, als de rabbijnen, maar hij maakt Jezus tot de openbaring van Gods wil en tot de hoeksteen van zijn doctrine. Maar op tal van punten lopen Paulus’ verhalen exact gelijk met de rollen van Qumran. Het is tijd om de bijbel op de schop te nemen.’

Nieuwe rollen zullen er niet opduiken, vermoedt Florentino García Martínez. Hoogstens af en toe een snipper, zoals laatst nog in Amerika en in Oslo. Kleine fragmentjes waarvoor dan veel geld moet worden neergeteld. En al gaat het gerucht dat er ergens nog vier onbekende rollen zijn – heeft het vroegere hoofd van de Oudheidkundige Dienst in het Britse mandaatgebied Palestina op zijn sterfbed gezegd – hij geloofde daar niets van. ‘Totdat we, op weg naar een eetafspraak, op zekere avond in Jeruzalem gevolgd werden door de Israëlische geheime dienst. Toen dacht ik: als die het serieus nemen, dan zit er wellicht toch iets in. Maar het blijft een droom.’

En voer voor complotdenkers, romanschrijvers en National Geographic. ‘Hele boeken zijn geschreven over Jezus die na de kruisiging vertrokken zou zijn naar Qumran en hoe het Vaticaan – of het joodse opperrabbinaat – de publicatie van de rollen verhinderde. Ik kan je een simpel antwoord geven: als ik iets scandaleus gevonden zou hebben in de rollen zou dat het eerste zijn wat ik zou publiceren. We zouden beroemd worden en de universiteit zou opgetogen zijn, dat lijkt me zonneklaar.’

Dissertaties uit alle delen van de wereld stromen binnen – ‘Deze week Yale, Toronto en een proefschrift over documenten van grot 3’ –, maar in november gaat hij definitief met pensioen. Met een gerust hart, want het gaat goed met het Qumran-onderzoek. ‘Het gaat zelfs zeer goed. Vorig jaar zijn de eerste Dode Zee-rollen door Google online gezet in hoge resolutie. De rest zal de komende jaren volgen. En… volgend jaar komen de rollen naar Nederland! Vanaf 2 juli 2013 worden sommige van de mooiste rollen tentoongesteld in het Drents Museum.’ Het zal storm lopen, denkt hij. ‘De rollen trekken mensen.’ Hij kan niet wachten.


Beeld: Rob Stevens