De bijbel van de arbeiders

Karl Marx, Het kapitaal. Vertaald door Isaac Lipschits, herzien door Hans Driessen, € 34,90

Naast mij ligt een boek met de titel De actualiteit van Marx. Nu het kapitalisme de ergste crisis sinds de jaren dertig van de vorige eeuw doormaakt, lijkt dat inderdaad een actueel geschrift. Het gaat hier echter om een bundel lezingen uit 1964, waardoor het een van de vroegere Nederlandse publicaties is uit de stortvloed van boeken die in de jaren zestig en zeventig aan Marx en het marxisme werden gewijd. Het marxisme was hot in die jaren, en drie jaar later verscheen een nieuwe vertaling van Das Kapital, dat een eeuw daarvoor in het Duits was gepubliceerd. Vrijwel alle zichzelf als ‘links’ beschouwende studenten zagen zich genoodzaakt dat boek aan te schaffen. Anno 2010 is diezelfde vertaling herzien, en deze uitgave werd op 1 mei gepresenteerd op een symposium met als titel 'De terugkeer van het kapitaal. Een middag over de actualiteit van Marx’. Die Marx moet dus wel een intellectuele krachtpatser zijn geweest, als 46 jaar geleden zijn toen al bijna honderd jaar oude boek als 'hoogst actueel’ werd beschouwd, en dat blijkbaar nu nog steeds (of opnieuw) is.
Wie heden ten dage dit dikke boek ter hand neemt, zal wellicht hetzelfde ervaren als ijverige vakbondsleiders rond 1900 en linkse studenten uit de jaren zestig: het is wel een erg taai, dikwijls abstract, saai en langdradig werk. Toegegeven, er staan aangrijpende passages in over de mensonterende arbeidsomstandigheden in het kapitalistische Engeland van het midden van de negentiende eeuw, en wie verzot is op een tamelijk botte vorm van polemiek kan zijn hart ophalen aan de beledigingen die Marx uitdeelt aan het adres van alle auteurs die er een andere visie op nahouden dan hijzelf, maar degene die zegt het gehele boek met plezier te hebben gelezen is of een leugenaar of behept met een uiterst merkwaardige literaire smaak.
Het grootste bezwaar tegen Het kapitaal is evenwel de pretentie van het boek. In zijn voorwoord schreef Marx immers dat hij, zoals een fysicus de wetmatigheden in de natuur trachtte te ontraadselen, bloot zou leggen aan welke 'natuurwetten’ de 'kapitalistische productie’ gehoorzaamde. Bovendien wilde hij aantonen dat die 'met ijzeren noodzakelijkheid werkende en geldende tendensen’ zouden leiden tot de ineenstorting van datzelfde kapitalisme, waarna uit de as en puinhopen een socialistische samenleving zou oprijzen. Het fundament van deze theorie wordt gevormd door Marx’ stelling dat in het kapitalisme de menselijke arbeid de enige factor is die waarde creëert. Het probleem met deze 'arbeidswaardetheorie’ was niet alleen dat Marx zijn stelling niet onderbouwt, maar tevens dat zij zich niet leent voor een empirische analyse van de economie. Vooral dit laatste is, als het gaat om een economische theorie, geen aanbeveling. Wat dit betreft was Marx’ theorie even metafysisch als Friedrich Hayeks geloof dat de op de vrije markt tot stand gekomen prijzen een onfeilbaar telecommunicatiesysteem vormden dat producenten en consumenten voorzag van alle informatie die ze nodig hadden om rationeel te handelen.
Er is al vaak op gewezen dat Marx probeerde zijn theorie van het historisch materialisme te bewijzen met behulp van feiten die hij ontleende aan de kapitalistische ontwikkeling in Engeland. Tegen de tijd dat het volgende deel van Das Kapital moest verschijnen, waren die feiten al zodanig veranderd dat het moeilijk werd de theorie kloppend te krijgen en de feiten er op acceptabele wijze in te persen. Deel 2 en 3 verschenen dan ook pas na Marx’ dood in 1883. Het was de voormalige hoeder van de marxistische graal Eduard Bernstein die in zijn in 1899 verschenen Die Voraussetzungen des Sozialismus und die Aufgaben der Sozialdemokratie aantoonde dat de werkelijkheid een andere kant op ging dan Marx had voorspeld. De arbeiders kregen het niet steeds slechter, het kapitalisme liep niet op zijn laatste benen en het steeds groter wordende belang van de dienstverlenende sector viel met behulp van Marx’ arbeidswaardetheorie helemaal niet te verklaren. Het was echter vooral de crisis van de jaren dertig die duidelijk maakte dat marxistische economen evenzeer met lege handen stonden als hun liberale collega’s.
In het reeds genoemde boekje uit 1964 is ook een lezing opgenomen van de anarchist Arthur Lehning, getiteld 'Het socialisme van Marx: een als wetenschap vermomde utopie’, waarin haarscherp het probleem van Marx’ leer wordt geformuleerd. Voorzover zijn theorieën het etiket 'wetenschappelijk’ verdienen - niet alle economische denkbeelden van Marx zitten ernaast en hij geldt tevens als een van de grondleggers van de sociologie - zijn ze niet specifiek socialistisch, en voorzover zijn denkbeelden socialistisch zijn, zijn ze niet wetenschappelijk maar utopisch.
Lehning schreef dit aan het begin van de Marx-revival van de jaren zestig en zeventig, die resulteerde in politiek, wetenschappelijk en cultureel dogmatisme van de ergste soort en een intellectuele winterslaap waaruit velen in de jaren tachtig met een forse kater zouden ontwaken. Helaas hebben vanaf die tijd nogal wat mensen achter de hayekiaanse utopie van de vrije markt aan gehold. Hopelijk zullen zij die hier inmiddels van bekomen zijn niet halsoverkop de utopie van het marxisme omhelzen.

Karl Marx
Het kapitaal: Kritiek van de politieke economie. Deel 1: het productieproces van het kapitaal
Vertaald door Isaac Lipschits, herzien en van verklarende noten voorzien door Hans Driessen
Boom, 749 blz., € 34,90