China en buitenlanders

De Bijen van Buiten

Buitenlanders worden in China aangeduid als laowai, een woord dat zowel respect als spot in zich draagt. Toch valt in de dagelijkse omgang niet veel van xenofobie te merken.

NIET LANG NA mijn aankomst in China midden jaren tachtig toerde ik op een dag per auto door de bergen ten noorden van Peking, over zandwegen waarlangs geen richtingborden stonden. Het land was nog niet opengelegd door zesbaanssnelwegen, en alleen de excentrieke toerist waagde zich buiten de gebaande paden die leidden naar de Grote Muur of het Zomerpaleis. De zon daalde en ik was hopeloos verdwaald.
Ik besloot de weg te vragen aan een boer die op het land werkte. Met ogen groot van schrik zag hij me naderen. In naar mijn eigen idee vloeiend Mandarijn vroeg ik: ‘Zemma hui Beijing?’ ('Hoe terug te gaan naar Peking?’) Met driftige, afwerende handgebaren antwoordde hij: 'Wo buhui shuo waiyu!’ ('Ik spreek geen buitenlandse taal!’) Nadat ik mijn vraag enkele malen had herhaald, brak bij hem plots het besef door dat dit wezen van een andere planeet Chinees sprak. Ontroerd pakte hij mijn hand, schudde die vele malen krachtig op en neer en legde me uit hoe terug te rijden naar Peking.
Het Chinese woord voor buitenlander is waiguoren, maar veel gangbaarder is laowai ('de oude van buiten’), een woord dat een mengeling van respect en spot in zich draagt. De Chinezen noemen zichzelf Zhongguoren, bewoners van het Centrale Land. Het onderscheid tussen binnen en buiten, tussen centrum en periferie, gaat dieper dan het voeren van de Chinese nationaliteit. Iedere burger is verplicht een identiteitsbewijs te dragen dat vermeldt tot welke etnische groep hij behoort. De overgrote meerderheid wordt gekwalificeerd als Han (Chinees), maar de Meng (Mongolen), Zang (Tibetanen), Wei-Wu-Er (Oeigoeren) en meer dan vijftig andere minderheden figureren ook op het palet van de multi-etnische staat, een begrip dat aan het begin van de twintigste eeuw door de Vader des Vaderlands Sun Yat-sen werd geïntroduceerd.
In theorie staan alle groepen op voet van gelijkheid, maar in de praktijk voelen de Han zich superieur aan hun aan de rand van de beschaving levende landgenoten. Ondanks het vele gepraat over een 'harmonieuze samenleving’ nemen de bij de minderheden levende gevoelens van onderdrukking eerder toe dan af: in 2008 kwamen ze tot uitbarsting in Tibet, in 2009 in Urumqi, de hoofdstad van de provincie Xinjiang waar de meeste Oeigoeren wonen. Zelfs het als rustig beschouwde Binnen-Mongolië raakte recent in rep en roer toen een Han-chauffeur over een Mongoliër heen reed die zijn weidegrond wilde beschermen. Een demonstratie van honderden woedende Mongoliërs was het gevolg.
De ruim een miljard Han vormen zelf allesbehalve een homogeen blok. De grootste tegenstelling is die tussen stad en platteland. Een door Mao geïnstitutionaliseerd registratiesysteem bepaalt namelijk voor het leven of je stedeling of boer bent. Ondanks de enorme urbanisatie van de laatste twintig jaar - de grootste volksverhuizing in de geschiedenis van de mensheid - behouden de nieuwe stedelingen hun status van agrariër, wat ze de toegang ontzegt tot basisvoorzieningen als onderwijs en medische zorg. Ook zijn ze rechteloos als er besloten wordt om de stad van een modern imago te voorzien. Zo ontdeed Peking zich onlangs van de 'rattenmensen’, boerenmigranten die in kelders woonden en die, volgens de autoriteiten, de stad onveilig maakten. Maatregelen als deze kunnen op sympathie van de stedelijke bevolking rekenen. De waidiren ('mensen van het buitengebied’) worden immers gezien als vies, onbetrouwbaar en crimineel.

DE COMMUNISTISCHE PARTIJ van China (CCP) voert een tweesporenbeleid om de binnenlandse spanningen te bezweren en de saamhorigheid te versterken. Positief zijn allerhande maatregelen om de positie van de boeren te versterken, bijvoorbeeld door ze duidelijker rechten op het land te geven waardoor ze minder snel slachtoffer worden van gewetenloze projectontwikkelaars. Bedenkelijker is de niet-aflatende propaganda om het Chinese identiteitsgevoel te versterken door zich af te zetten tegen werkelijke of vermeende historische misdaden van de buitenlanders.
In het recent heropende Nationale Museum in Peking wordt de 'Eeuw der Vernedering’, die begon met de Eerste Opiumoorlog, breed uitgemeten. 'De buitenlandse invallers streken als een zwerm bijen op China neer, roofden onze schatten en vermoordden onze mensen’, staat op een van de bordjes. Inderdaad hebben de westerlingen en Japanners (die er in de geschiedschrijving het slechtst van afkomen) vreselijke dingen gedaan, maar de morele verontwaardiging daarover overtuigt niet door de volledige verzwijging van Mao’s Grote Sprong Voorwaarts (minstens twintig miljoen doden) en de Culturele Revolutie, die leidde tot de vervolging en doodslag van miljoenen onschuldige mensen.
Buitenlanders worden niet alleen op negatieve wijze voor propagandadoeleinden gebruikt. Kort na de ontruiming van het Plein van de Hemelse Vrede in 1989 reisde ik voor vakantie met enkele vrienden door het woestijngebied van Alanshan in Noordwest-China. De plaatselijke prefect ontving ons met open armen. Na een kort gesprek over koetjes en kalfjes in de ruime ontvangsthal van de lokale hoofdstad werden we uitgenodigd voor een banket. Zoals gebruikelijk stond daarbij de tv hard aan. Tot mijn stomme verbazing zag ik dat het plaatselijke journaal ons gesprek in de ontvangsthal had gefilmd en verwerkt tot een reportage. Wat we besproken hadden was niet te horen. De nieuwslezer gaf commentaar: 'Voor het eerst sinds het neerslaan van de contrarevolutionaire opstand in Peking tonen buitenlanders weer interesse om te investeren in China, ook in onze prefectuur. Vanmiddag vonden er vruchtbare besprekingen plaats tussen investeerders uit Nederland en onze prefect.’
Een interessante paradox - niet de enige in China - is dat ondanks de officiële propaganda de mensen van binnen en buiten (zeker de blanke) het in de dagelijkse omgang uitstekend met elkaar kunnen vinden. Chinezen werken graag voor buitenlandse bedrijven. Voor de verbetering van hun Engels en omdat daar promotie op basis van kwaliteit kan worden gemaakt; in Chinese bedrijven is de relatie met de baas doorslaggevend. Buitenlandse jongeren werken op grote schaal in steden als Peking en Shanghai. Ze zijn enthousiast over de dynamiek, de mogelijkheden om geld te verdienen en het gemak waarmee contacten worden gelegd in de talloze bars en clubs. China heeft Amerika vervangen als the last frontier en Shanghai is minstens even sexy en bruisend als New York. Daar waar de 'proletariërs aller landen’ hopeloos faalden - namelijk om zich te verenigen - slagen de jongeren van de 21ste eeuw moeiteloos. In bepaalde wijken van Peking en Shanghai is de geglobaliseerde wereld al gerealiseerd.

DE INTELLIGENTSIA van het land is verdeeld over hoe deze integratie tussen Oost en West te duiden. Een groep meent dat vrijheid en democratie universele rechten zijn. Zij ontkennen dat er zoiets bestaat als een 'Chinees model’. Het spectrum van deze groep is breed. Nobelprijswinnaar Liu Xiaobo brak in het vlammende manifest 'Charta 08’ een lans voor universele rechten en werd tot elf jaar gevangenisstraf veroordeeld. Maar dat wil niet zeggen dat de CCP het 'universalisme’ unaniem verwerpt. Premier Wen Jiabao zei vorig jaar tegen CNN: 'De roep van het Chinese volk om democratie is onweerstaanbaar’, maar zijn uitspraak werd niet vermeld in de lokale pers.
Degenen die de positie van het land in de wereld als uniek zien lijken echter de overhand te hebben. Zij zien democratie als een recept voor chaos en geloven in de perfectionering van het autocratische systeem. Singapore is een geliefd voorbeeld. In het buitenlands beleid zijn ze voorstander van een sterk militair apparaat dat alle echte en vermeende inbreuken op China’s soevereiniteit kan weerstaan. Het officiële buitenlandse beleid staat in het teken van de 'vreedzame opkomst van China’, maar het ministerie van Buitenlandse Zaken staat bekend als zwak: minister Yang Jiechi zit niet in het almachtige Politbureau van de CCP.
Het assertiever wordende buitenlands beleid uit zich onder meer tegenover landen als Japan, Vietnam en de Filippijnen, waarmee Peking territoriale geschillen heeft in de Zuid-Chinese Zee. Zo werden in mei dit jaar Vietnamese schepen die naar olie boorden door de Chinese marine bedreigd en herhaalt Peking met eentonige regelmaat zijn claim op het hele gebied van de Zuid-Chinese Zee. Washington wordt gemaand zich niet te mengen in deze geschillen, die volgens China puur bilaterale kwesties zijn.
Gespierd buitenlands beleid en propaganda over de historische misdaden van de laowai zijn de middelen waarmee de CCP de aandacht van binnenlandse problemen probeert af te leiden. Wordt de Chinese bevolking hierdoor meer xenofoob? De soms virulente, via internet geuite sentimenten lijken daarop te wijzen, maar die woede is niet geïnternaliseerd. Kritiek op binnenlandse onderwerpen als milieuvervuiling en corruptie is vaak uit den boze, dus veel netizens (op het internet actieve burgers) richten hun opgekropte woede buiten de grenzen. Een woede die niet terug te vinden is in de dagelijkse omgang met buitenlanders, waarin overzeese kwesties überhaupt zelden ter sprake komen.
Stel je een wereld voor waarbij de burgers van China en het Westen - samen goed voor bijna driekwart van het mondiale bnp en de wereldhandel - hun eigen volksregering konden vormen. Een regering die vrij is van gemanipuleerde beeldvorming en selectief gebruik van de geschiedenis. Stel je voor… De Grote Vrede waar Confucius al van droomde, ligt dan binnen bereik.

Henk Schulte Nordholt is auteur van De Chinacode ontcijferd (2006)