Harry Mulisch zeventig

De bijenkoning

Harry Mulisch wordt zeventig. Hij vierde dat al vele weken geleden. Bang dat anders iedereen op vakantie zou zijn. Dat valt dus wel mee. Er zijn nog genoeg schrijvers in het land die hun mening over de man en de mythe willen geven. Maar wat vreemd nou toch: bijna iedereen vindt hem ineens heel fatsoenlijk!

ZEVENTIG JAAR en negen maanden geleden: het zaadje Harry en zijn miljoenen broertjes en zusjes breken los als een champagnekurk van de fles. Bruisend van levenslust verlaten zij vaders troon om een strijd aan te vatten op leven en dood, een afvalrace tussen miljoenen spermatozoïden met maar één mogelijke winnaar: hij/zij die als eerste de eicel van de achttienjarige Alice Schwarz weet binnen te dringen. Na een heroïsche strijd waarin hij iedereen te snel af is, wint het zaadje Harry. Er is een schrijver verwekt.

Harry Kurt Victor Mulisch haalt zich - Tristram Shandy indachtig - zijn conceptie jaren later in Mijn getijdenboek (1975) nog moeiteloos voor de geest. Zo ook de resterende maanden tot aan zijn geboorte, waarin de almaar aanwassende Harry vanuit de oneindigheid gewichtloos tuimelt op weg naar de aarde. ‘En alles wat ik nu nog bezit aan eeuwigheidsgevoelens, is uit die oneindige tijd afkomstig’, aldus de schrijver.
Het eeuwige verblijf in het oneindige duurt welgeteld negen maanden, en precies op de dag waarop de schrijver het eerste licht ziet, begint het te spoken vanuit het binnenste van de Vesuvius - 'maar de kranten vermeldden niet of dat kwam door mijn geboorte of door Mussolini, die ook die dag zijn verjaardag vierde’, voegt de schrijver daaraan toe.

VRAGEN WIJ ter gelegenheid van zijn zeventigste verjaardag enkele collega’s om een visie op hun voorname collega, dan blijkt dat niet iedereen zomaar mee wil werken.
Kamerheer van Gerard Reve Joop Schafthuizen: 'Schei toch uit! Mijnheer Reve heeft wel wat beters te doen dan een halve Harry Mulisch geluk te wensen. De andere helft hebben ze meegegeven aan de vuilnisman, zoals u weet.’
Simon Vinkenoog: 'Nee hoor, daar heb ik geen enkele behoefte aan. Ik zal jullie blad woensdag wel gezellig lezen.’
Ronald Giphart: 'Aan De Groene Amsterdammer geef ik geen interviews meer.’
Er zal toch wel iemand iets positiefs willen zeggen over Harry Mulisch, de Homerus van de lage landen? Welzeker. Gelukkig is Jeroen Brouwers thuis. Brouwers: 'Ik ben onvoorwaardelijk bewonderaar van Mulisch. Hij was - en is in zekere zin nog steeds - mijn leermeester. Zestien was ik toen hij debuteerde en ik heb hem altijd op de voet gevolgd. Met name zijn meer essayistische werk vind ik interessant. Heel mooi is bijvoorbeeld De toekomst van gisteren, een essay over een boek dat hij niet kan schrijven!’
Een tegengeluid is bijna even snel gevonden. Cyrille Offermans: 'Mulisch is heel belangrijk voor mijn uitgeverij De Bezige Bij en daar zijn wij auteurs hem allen eeuwig dankbaar voor. Maar als schrijver vind ik hem minder interessant. Zijn blik reikt niet verder dan zijn eigen schaduwen. Alles draait om het middelpunt Mulisch. Dat hij zelf niet leest, is ook typerend voor zijn schrijverschap.’
Ook Theodor Holman heeft weinig aansporing nodig om enige kanttekeningen bij Mulisch’ roem te plaatsen. Holman: 'Mulisch heeft het altijd heel moeilijk gehad met twee tegenstanders die niet alleen beter konden schrijven maar ook beter en raarder konden denken. Aan alle kanten is hij overschat. Als filosoof heeft hij uiteindelijk niets te betekenen. Hij probeerde een Nederlandse Sartre te worden maar was meer een New Age-filosoof avant la lettre. Dat gedoe met die octaviteit! Eenvoudige paradoxjes en daar dan even leuk over na gaan denken. Hij heeft een diepzinnigheid die net zo groot is als zijn neus lang. Wat opvalt bij de vergelijking met Reve en Hermans is dat hij nauwelijks een subcultuur van fan-tijdschriften en subliteratuur om zich heen heeft. Literair blijft hij steken in pedanterie. Terwijl hij eigenlijk niet meer dan de definitieve Godfried Bomans van de Nederlandse literatuur is geworden. Mulisch die een avontuurlijk jongensboek schrijft over zijn vriendschap met Hein Donner, ja, dat was wel mooi opgeschreven, maar dan gaat het weer naar die filosofietjes. Daarmee is hij deel van een kwaal die de hele Nederlandse literatuur teistert. Zie De vriendschap van Connie Palmen. Dat begint als een hartstikke leuk meisjesboek, maar in het laatste deel is daar dan weer die filosofische tournure. Dat is de invloed van Mulisch.’
SPEUREND NAAR een bevriende collega komen we bij Adriaan Morriën. Hij was vijf jaar geleden nog op het feest ter ere van de vijfenzestigste verjaardag van de schrijver. Aldaar aangekomen werd hij door een Bij-redacteur begroet met de woorden: 'Eindelijk, een schrijver!’ Er waren nauwelijks collega’s van Mulisch op het feest. Morriën: 'Ik heb Mulisch toen natuurlijk gefeliciteerd. Wij zijn altijd heel aardig voor elkaar. Maar ik kan moeilijk een doorlopend gesprek met hem voeren. Hij neigt altijd zo naar grootspraak en heiligspreken. Hij is een groot talent maar zelf ben ik niet zo dol op zijn werk. Zijn sfeer is een beetje die van Das Absolute. Hij bedrijft ideële ruimtevaart.’
De journalist Henk Hofland wordt getipt als vriend. In ieder geval is hij samen met Mulisch lid van het exquise eetclubje dat eens per week op maandag in restaurant Le Garage door Joop Braakhekke ontvangen wordt. Het woord gaat overigens dat deze herenclub inmiddels is geslonken tot een restje ouderlingen met te veel vrije tijd.
Hofland: 'In de club waar u op doelt, kom ik nog maar hoogst zelden. Trouwens, ik heb het altijd een vriendenclub genoemd. Het is zo'n club eigen dat je niet aan buitenstaanders vertelt hoe het daar is - of je er ruzie hebt, wat er besproken wordt, of je er lekker eet, en al helemaal niet of het er gezellig is. Als je dat wel doet, dan bestaat hij niet meer.
Ik ben inderdaad bevriend met Mulisch, maar ook daarover laat ik aan derden niets los. Er bestaan twee soorten mensen. Bij de een denk je: “Hé! Daar komt híj aan. Ik steek over.” Bij de ander blijf je op dezelfde stoep lopen. Harry behoort bij mij zeker tot de laatste categorie. Dat is ontzèttend positief bedoeld.
Ik kan nu best eens zeggen dat Harry een trotse man is en dat dat zo hoort. Je moet niet de wereld tegemoet treden met een houding van: neemt u me niet kwalijk dat ik er ben. Ik vind dat die trots hem past. Want hij is een groot schrijver.
Ik was er toevallig bij toen de Engelse vertaling van De ontdekking van de hemel ten doop werd gehouden in New York. Toen was ik trots op mijn landgenoot. Niet alleen omdat zijn boek daar in de New Century Club met vlag en wimpel werd ontvangen, maar ook omdat hij het zelf zo goed deed. Het nationalisme sprak. Ik dacht: dat heb je hem verdomd goed gelapt. Dat is objectief positief bedoeld. Ik ben er trouwens ook trots op dat we bevriend zijn - maar dat is een andere zaak.’
UITGEVER VAN het wandelend schrijverschap Mulisch is sinds jaar en dag De Bezige Bij. Want de Nederlandse literatuur, dat is volgens Harry Mulisch De Bezige Bij. En de belangrijkste schrijver van de uitgeverij? Dat is hij. Over het daar te voeren beleid is de schrijver stellig: de uitgeverij dient zich te beperken tot een fonds van goedlopende auteurs. Op een vergadering vroeg hij zich al eens hardop af waarom een uitgeverij de ambitie moet hebben om koste wat het kost jongere schrijvers te brengen. Eigenlijk zou De Bezige Bij moeten uitsterven met zijn belangrijkste auteurs. Leuk idee, maar wel een beetje sneu voor de vijfentwintig werknemers en de minder hitgevoelige auteurs die bij de gratie van hun goed verkopende collegae ook een kans maken.
In 1951 maakte Mulisch zijn entree in de Nederlandse letteren toen hij voor het manuscript van Archibald Strohalm de Reina Prinsen Geerligs-prijs kreeg. Adriaan Morriën viel daarop de eer te beurt de eerste redacteur van het aankomend fenomeen te zijn. Morriën: 'Ik zat in de jury van die prijs en was zeer onder de indruk van zijn verhaal. Daarop heb ik tegen Geert Lubberhuizen gezegd dat het om een groot talent ging. Mulisch werd onmiddellijk benaderd - het staat mij nog vaag bij dat Geert Lubberhuizen meteen na de uitreiking met Mulisch in een taxi stapte om hem naar het kantoor van De Bezige Bij te brengen.’
Hoewel zijn eerste boek, Tussen hamer en aambeeld, in september 1952 bij de Arbeiderspers uitkwam, stond al snel vast dat Archibald Strohalm een maand later bij De Bezige Bij zou verschijnen. Mulisch werd voorgoed ingelijfd. Later zou hij tegen Wim Wennekes, die een eerbetoon aan Geert Lubberhuizen schreef, zeggen: 'Ik wist wel zo'n beetje waar ik terechtkwam en waar die coöperatie voor stond: voor een utopie uit de oorlog, zo'n beetje de enige utopie uit die tijd die tot op de dag van vandaag overeind is gebleven. Verder vond ik het geweldig dat daar ineens een hele nieuwe generatie schrijvers binnenliep, uit kringen van allerlei literaire bladen. Voor mij was het echt dé uitgeverij waar ik bij wilde - en wil - horen en ik heb nooit enige reden gehad om een andere uitgever te zoeken. Ze behandelden me prima, ik had nooit gedonder, kon m'n eigen typografie vaststellen, m'n eigen omslagen, alles wat ik wou gebeurde eigenlijk.’

WENNEKES sprak medewerkers en betrokkenen en kreeg inzage in de correspondentie van Mulisch en de uitgeverij. Wennekes: 'Je moet “Moelisj” zeggen. Dat is een gevoelig puntje voor hem - hij heeft per slot van rekening Duitse voorvaderen. Mulisch heeft de Bezige Bij serieuzer genomen dan al zijn huwelijken. De uitgeverij is hij wel altijd trouw gebleven, en ik denk dat hij dat zal blijven tot aan zijn dood. “De Bezige Bij, c'est moi” - zo ziet hij dat. Je kunt hem daarom gerust de Bijenkoning noemen.’
Volgens Wennekes is Mulisch al jaren de grootste omzetmaker van de uitgeverij en zou hij wel gek zijn als hij daarom niet wat hogere financiële eisen stelde dan de andere auteurs. Niet onhandig daarbij was dat Mulisch jarenlang in het bestuur van de coöperatie zat. Edoch gaat volgens Wennekes de relatie Mulisch-De Bij veel dieper dan een zakelijke verhouding. De schrijver bestookt de uitgeverij al decennia lang permanent met adviezen en ideeën. En dat zijn niet altijd de slechtste. Zo helpt Mulisch zijn medemensen er nog altijd graag aan herinneren hoe hij de vorm van de literaire reuzenpocket uitvond.
Wennekes: 'Wat ik heel grappig vond om te ontdekken in de archieven is dat Mulisch nooit voorschotten wilde - in tegenstelling tot veel andere auteurs. Principieel wilde hij niks in al die jaren. Hij had de vaste gewoonte om wekelijks, soms tweewekelijks binnen te lopen en bij de afdeling verkoop te vragen hoeveel exemplaren er waren verkocht. Daarna ging hij naar de kassier en inde het bedrag waar hij recht op had. Boter bij de vis, maar nooit een voorschot.’
In het Hollands dagboek dat hij een maand geleden in de NRC publiceerde, vertelt Mulisch dat hij directeur Albert Voster ontvangt omdat die het met hem over de toekomst van de uitgeverij wil hebben. Louis Ferron: 'Die opmerking vind ik erg vreemd. Volgens mij werd Mulisch op dat moment slachtoffer van zijn eigen ijdelheid. Dit soort zaken moet je geheim houden. Voster zal hem niet als enige hebben geraadpleegd. Hij is natuurlijk ook naar Wolkers gestapt, want het is een volstrekt legitieme zaak dat de directeur van een uitgeverij zijn best verkopende auteurs polst over de toekomstplannen. Zij zijn tenslotte de voornaamste bronnen van inkomsten.’
Meteen dus Wolkers gebeld. Wolkers: 'Heeft Voster Mulisch geraadpleegd? Ik heb niets van hem gehoord, hoor. Maar ja, dat kan best komen omdat ik niet alleen schrijf. Ik ben ook beeldhouwer en schilder en ik ben vaak weg voor opdrachten buiten. Misschien heeft Voster wel gedacht: die timmerman hoeven we niet te raadplegen.
Eigenlijk interesseert me die overname ook helemaal niet. Ik heb zoveel dingen te doen.’

TERUG NAAR Louis Ferron, die Mulisch blijkt te wantrouwen. Ferron: 'Dat hij op gezette tijden graag zijn pijpje wilde paffen en dat hij bij diners het prerogatief heeft van de keuze van de wijn, ach, dat zij hem gegund. Waarom niet? Als je een ijdele man als Mulisch daarmee kunt plezieren… een kinderhand is gauw gevuld. Maar Mulisch is een ontzettend sluwe diplomaat. Als zijn ideeën afwijken van die van andere belangrijke auteurs, dan weet hij het politiek altijd verdomd handig te spelen. Ik vraag me af wat hij allemaal achter de schermen heeft geregeld.’
Gôh, zou Mulisch dan toch…? Maar veel meer wil Ferron niet kwijt. Ferron: 'Volgens mij denkt Mulisch dat hij de Nederlandse Goethe is. Ik kan me daar zelf met de beste wil van de wereld niet boos om maken. Ik vind hem eerder grappig, een fenomeen. We lachen wel eens om hem en zeggen: “Kijk de paus daar weer eens zitten”. Maar binnen De Bezige Bij denkt niemand echt boosaardig over hem.’
Het akelig vreemde vermoeden rijst dat Harry Mulisch wel eens - godbetert - een doodgewoon fatsoenlijk mens zou kunnen zijn.
Gelukkig is daar de affaire-Stephan Sanders van enkele jaren terug. De Volkskrant-columnist waagde het kritiek te hebben op de wijze waarop Mulisch Fidel Castro heeft gesteund in zijn veroordeling van collega-schrijver Padilla, de Cubaan die een vers had geschreven dat Castro niet aanstond. Mulisch reageerde meer dan gepikeerd. Hij verlangde van de Volkskrant dat de column van Sanders zou worden gestaakt. Bovendien zou hij De Bezige Bij verlaten indien er ooit nog een boek van Sanders werd uitgegeven. Hij eruit of ik eruit dus. Trots meldde Mulisch zijn tanden te hebben laten zien.
Hoewel? De uitgeverij belegde een gesprek en na afloop gingen beide heren gewoon weer aan de slag - bij nog steeds De Bezige Bij. Mulisch heeft zijn gebit weer uitgedaan.
Niemand bij De Bezige Bij die Mulisch dan nog veel in de weg wil leggen. Gaat men eten, dan mag Harry zeggen waar. En dan mag hij ook de wijn weer uitkiezen.
Toch blijft hij net als vroeger altijd gepaste afstand afstand bewaren. Want Mulisch waakt er immer voor om helemaal in het gezelschap te worden opgenomen, om van de groep slechts onderdeel te zijn. Op de spontane feestjes die, zoals Bij-auteurs later mijmerend melden, in de jaren vijftig en zestig om de haverklap uitbraken zodra Geert Lubberhuizen weer eens zijn grammofoon te voorschijn toverde en er in de hal op jazzplaten werd gedanst, was hij na het nuttigen van vooral jus d'orange altijd snel weer weg.
VAN EEN JONGERE auteur als Leon de Winter zal men geen kwaad woord over de grote voorganger horen. De Winter: 'Dat we samen bij De Bezige Bij werken, wil nog niet zeggen dat we elkaar ook kennen. Schrijvers komen elkaar daar tegen op de gang en knikken dan minzaam. Tussen ons zit een hele generatie. Bovendien meent Mulisch dat hij zich op eenzame hoogte bevindt. Dat is natuurlijk de mythe die hij cultiveert. Als je hem meemaakt, is hij uiterst beminnelijk en spreekt hij vol ironie over zichzelf. Dan merk je nauwelijks wat van de mythe. Mulisch wordt behandeld als een belangrijk man voor de uitgeverij. Terecht, want dat ís hij ook. Misschien kan hij een voortrekkersrol spelen, want elke goede auteur zou in een limousine vervoerd moeten worden en uitsluitend zalm en kaviaar geserveerd moeten krijgen.
Een beetje schrijver hoort literaire vadermoord te plegen. In Kaplan deed ik dat met het personage Harry Fulish. Mulisch vertrouwde me later toe dat hij het erg fijn vond dat ik kennelijk zo belangrijk voor hem was geweest. We hebben er nog enorm om gelachen.’
Ook Herman Brusselmans geeft toe dat wanneer hij zich tegen Mulisch afzet, dat niet veel meer is dan een verplichte stijlfiguur. Brusselmans: 'Claus en Mulisch waren altijd mijn pispalen omwille van het hele literaire gedoe. Ik reisde een paar jaar geleden mee om een tournee van die twee te verslaan en dan hoor je wel verhalen van schouwburgpersoneel hoe Mulisch de vorige avond een fles wijn wegstuurde om zoiets als dat de ober die hem kwam brengen verkeerde sokken aanhad. Of dat Mulisch wel een standbeeld wil hebben: hij als ruiter gezeten boven op een paard. Ik ga dan kapot van het lachen. Laatst nog, toen hij op een rondvaartboot die Clinton-griet de oren van de kop babbelde. Vroeger dacht ik altijd: Reve, die heeft ironie. Nu denk ik: het is andersom. Ze zijn van plaats gewisseld. Mulisch is pure camp geworden. Reve trappelt nog wat op de plaats, maar Mulisch blijft in een stijgende lijn. De aanslag vond ik al mooi, maar toen ik begin dit jaar De ontdekking van de hemel las, ben ik zelfs honderd procent fan geworden.’

HARRY MULISCH is met afstand de bij leven meest besproken en beroddelde Nederlandse schrijver ooit. Schiet de literaire roddelaar even niets te binnen, dan draagt het onderwerp van discussie zelf wel het een en ander aan - een enkele goed gemikte provocatieve uitspraak, het aantal vrouwen dat hij beweert 'gehad’ te hebben, de uitspraak dat hij geen andere literatuur zou lezen, en de wonderlijke kwestie of hij op zijn vijfenzestigste nog vader werd van een zoon, en dan niet bij zijn vrouw maar bij zijn vriendin. Hoofdmotief is steevast ’s mans ijdelheid, die, getooid met een vederlicht toefje ironie en immer met een royaal gebaar, over de literaire kringen wordt uitgestort. Bij uitstek doet Mulisch dat wanneer hij zich profileert als de twintigste-eeuwse fakkeldrager van de mythe van het hoogedele schrijverschap: de denker zwevend boven de toevallige samenleving van de jaren waarin hij op aarde verkeert.
In zijn biografische werk laat hij die mythe hand in hand gaan met het ultieme cliché van het ware kunstenaarschap: het lijden. Voordat - maar ook nog nadat - zijn eerste boek verscheen, diende er eerst even flink geleden te worden. Zo gaat dat met echte schrijvers: alleen uit leed wordt kunst geboren! ’s Winters ontdooide Harry slechts op de spaarzame momenten dat er geld was om met een klein petroleumkacheltje zijn krakkemikkige kamertje te verwarmen. Meestal echter moest hij een bioscoophal in vluchten om aan de koude te ontsnappen. Gelukkig maar dat de schrijver een kostbare schat met zich meedraagt, waarbij dit alles in het niets verzinkt en hij de wereld voor altijd aan kan: Harry Mulisch heeft de hongerwinter meegemaakt. Daar is hij pas een echte vent van geworden.
Geliefd worden? Daar lijkt Harry Mulisch vaak maling aan te hebben. In Mijn getijdenboek beschrijft hij hoe zijn jonge moeder hem vroeger naar school bracht en de andere jongetjes op haar schoonheid reageerden door te roepen: 'Lippenstift! Lippenstift!’ Wie verwacht dat de kleine Harry zich daarvoor schaamde, heeft het mis. Sterker: de zoon gevoelde een soort trots. Later schreef hij daarover: 'Ik denk dat ik daar het minachtende soort welbehagen heb ontwikkeld voor een bepaald soort kritiek, dat uit de samenleving tot mij pleegt te komen.’
DE ONGEREMDE ijdelheid van Mulisch zal nog menig journalist en collega-schrijver het bloed onder de nagels vandaan halen. Propria Cures gaf ter gelegenheid van Mulisch’ zestigste verjaardag zelfs een bloemlezing met vermakelijke anti-Mulisch-stukken uit, onder de titel Bestrijd het leed dat Mulisch heet.
Maar anno 1997 roept Mulisch geen hevige reacties meer op. Voor zijn naoorlogse medemens is hij allang die oude man van de Tweede Wereldoorlog geworden. Enkele jaren geleden hield Mulisch voor een tv-programma audiëntie en ontving hij de jongere schrijvers A.F.Th. van der Heijden, Joost Zwagerman, Rob van Erkelens en Ronald Giphart. Vooral bij het bezoek van de laatste twee bleek Mulisch een lieve, aardige oom. Wel een die zich definitief uit de wereld scheen te hebben teruggetrokken, zo bleek uit zijn reactie op de vraag wat hij van de oorlog in ex-Joegoslavië vond. Die, gaf hij te kennen, vond hij absoluut niet interessant. Dat was toch geen echte strijd tussen Goed en Kwaad, zoals de Tweede Wereldoorlog dat wèl was? Nee, Joegoslavië, dat verschoof maar. Dan weer was de ene en dan weer de andere partij de goeie.
Wie op zoek gaat naar de mens waaruit ooit de mythe Mulisch werd gecreëerd, de schrijver die zo'n succes kent in het buitenland, ontmoet een charmante oudere heer. De mythe leeft kennelijk vooral voort als literaire folklore, nu druk gepromoot voor het buitenlandse literaire circuit. In Nederland is de mythe ver te zoeken. Harry Mulisch is eigenlijk gewoon maar een mens.
Voor Dirk van Weelden is hij, hoewel een beetje raar, gewoon een voorganger zoals er zo velen zijn. Van Weelden: 'Ik heb nooit diepe bewondering voor Mulisch gekend, maar voelde me ook nooit gehinderd. Ik kan me ook niet aan hem ergeren. Mensen die commentaar op zijn ijdelheid hebben, luisteren misschien zelf wel naar rappers die roepen dat zij de besten zijn of de grootste lul hebben. Het is toch juist hartstikke leuk dat we er zo'n rare kwibus bij hebben?’