De bijna blinde fotograaf

BEHALVE kleuren- en nachtblind ben ik ook nog enigszins gewoon blind. Daar bestaan brillen voor. Alles ging goed tot ik hem op een gegeven ogenblik niet meer schoon kon krijgen. Een zachte nevel versperde het anders zo aangenaam scherpe zicht en zelfs als ik mijn bril afzette, trok hij niet op. Naarmate de seizoenen vorderden, ging de mist over in een zwevend stelsel van kleine bevallig voor elkaar langs walsende lichaampjes. ‘Lymfocyten’, zei iemand. Het klonk mooi, maar loste niets op. Zo blij als ik was met de kennis van het nieuwe woord, des te meer begon ik in te zitten over de gestaag aanwassende populatie van het aquarium binnen in mijn linkeroog. Soms leken het vrolijk hupsende watervlooien, op andere momenten weer vreedzaam grazende amoeben. Waar zouden ze van leven? Oud zout van oude tranen leek mij nog het meest waarschijnlijk.

Bestrijding vond plaats met oogdruppels. In één ervan kon je alleen al levobunololhydrochloride, polyvinylalcohol, dinatriumedetaat en benzalkoniumchloride aantreffen. Waarvan de logische bijverschijnselen onregelmatige hartslag, benauwdheid, hoofdpijn, misselijkheid, duizeligheid, depressie en spierzwakte zijn.
Inmiddels duizenden druppels verder heb ik onscherp in al zijn gradaties leren kennen en hier en daar ook waarderen. Daarom ook met meer aandacht dan anderen misschien naar het in mei 1997 uitgekomen boek Ritual van Jorge Heredia gekeken. Daarin heeft hij een aantal van zijn tussen 1990 en 1996 gemaakte intrigerende foto’s samengebracht. Heredia fotografeert bij voorkeur met primitieve kindercamera’s of andersoortige kapotte toestellen. Hij werd in 1958 geboren in Peru en werkt sinds tien jaar in Nederland.
HOEWEL DE rechtgeaarde foto niet meer dan twee dimensies in beslag neemt, wordt door gunstig benut perspectief en suggestieve vlakverdeling maar ook scherpte van contouren en nauwkeurig afgebeelde structuur, nog al te veel de illusie in stand gehouden dat die derde dimensie er wel degelijk toe doet. De dimensie die diepte heet en waarin de fotografie, zelfs al zou zij dat willen, niet werkelijk kan ingrijpen.
Fotografie laat ruimte, object of gebeurtenis waar je doorheen, omheen of langs kunt lopen precies zo achter als ze werden aangetroffen. Is er daarentegen, met losse handen, intussen wel in geslaagd een fragment tijd aan hun bestaan toe te voegen. Een ogenblik dat op te rekken valt tot het oneindige.
Verwijzingen naar dat korte moment zijn, behalve misschien bij foto’s gemaakt tijdens sportmanifestaties, binnen de fotografie nauwelijks gebruikelijk.
Maar een sportmoment is een pseudomoment, juist omdat het zich van alle ogenblikken wil onderscheiden. Het is een gekozen moment. Opgesierd met positief of negatief geaarde verwachtingen en daaraanvolgend maar al te vaak onthutsend door eigenmachtig optreden.
EEN FOTO bestaat uit contrasten. Vorm en tint. Ritme of spanning daarvan suggereert ook iets mee te delen over de ruimte die zich voortzet rondom het kader dat door de fotograaf is gekozen. Wat een onmogelijkheid blijft. Het is een fotograaf, afgezien van de beperkingen van de camera, niet gegeven alles af te beelden wat hij ziet, en in nog mindere mate datgene wat hij niet ziet. Hoe ingenieus de fototoestellen van amateurs zowel als professionals zich ook in digitale bochten wringen, sinds Nièpce en Daguerre is er niets wezenlijks meer bijgekomen. Het kader blijft de gevangenis van een uiterst beperkt deel van die twijfelachtige werkelijkheid.
Vanuit dat besef lijkt het werk van Jorge Heredia te zijn ontstaan. Het is vaag, het is onscherp. De derde dimensie is in zijn werk wel aanwezig, maar alleen als lijm. Plaksel om de andere twee bij elkaar te houden.
Aan een onderwerp valt niet te ontkomen. Er wordt een gebeurtenis getoond. De aandacht daaraan gegeven lijkt een willekeurig segment te zijn van de blikrichting die zich van het ene naar het andere beweegt. Even luchtig weergegeven als de ruimte, voorzover aanwezig, tussen twee terloops aangereikte associaties.
Behalve naar plaats en tijd blijven de foto’s verder onbenoemd. Enkele meters onregelmatig verlicht plaveisel, gezien vanuit een deuropening in Cuzco. Gedeelte van een ladder en schaduw van die ladder met daarbij de gebogen gestalte van een man in Iquitos. Half silhouet van een (politie?)paard in Amsterdam. Een spelend meisje naast een straathond in Máncora. Fragmenten van fragmenten.
Het werk van Heredia richt zich op tussenliggende emoties, die pijnlijk naamloos blijven. Het zijn niet bijzonder eervolle momenten, en het zou van al te veel eigenwaan getuigen wanneer de camera zich daar pretentieus en verheven tegenover zou opstellen.
Hoewel al die minder knallende en blinkende ogenblikken voor het opscheppen liggen, is het niet zo makkelijk ze te pakken te krijgen. De elektronische Hasselblad-guillotine of aloude Leica-sluipmoordenaar voldoen hier niet. Ze zijn allebei, tijdens hun speurtocht naar slachtoffers, te zeer gebonden aan eigen rituelen en regels. Uitstekende technische hulpmiddelen, maar als visueel bestek onbruikbaar. Vandaar misschien die speelgoedfotomachientjes. Waar dan wel het oog van een geroutineerd kind achter hoort te zitten, anders gebeurt er nog niets.
Elke oogopslag kent zijn voorkeuren. Zelfs in het willekeurige. Heredia’s ritueel lijkt te bestaan uit het bestrijden van zijn voorkeur terwijl hij weet er niet aan te kunnen ontkomen. De foto’s zijn allerminst willekeurig genomen. Objecten, plaats en tijd, hoogte en hoek en licht en donker zijn niet aan hun lot overgelaten. Maar al die factoren hebben van de maker een opdracht meegekregen. Na afloop van deze mysterieuze samenkomst op dit ondiepe vlak verder onvindbaar te zijn, nooit meer terug te komen. Zelfverbanning voor eigen bestwil.