De bijslaap als ramp

DE EERSTE verhalenbundel van T.C. Boyle heette Descent of Man (1979), een darwinistische titel die voor tweeërlei uitleg vatbaar is. Schrijft Boyle over de afstamming van de mens of over de val van de mensheid? Als God na Darwin en Nietzsche is doodverklaard en de mens tot ver in de kantlijn van de kosmos is teruggedrongen, hoe kan het bestaan dan nog zinvol zijn?

Maar het is juist de illusie die Boyle’s creaties in beweging houdt, of ze in zijn romans nu op zoek zijn naar een vader (World’s End, 1987), naar de bron van de Niger (Water Music, 1982), naar het grote geld van de marihuanateelt (Budding Prospects, 1984), naar een nieuw vaderland (East is East, 1990), naar een gezond leven vol verantwoord voedsel dat ‘de nachtmerrie van het vleselijk verval’ kan uitstellen (The Road to Welville, 1993) of naar een freudiaans wondermiddel dat een gespleten geest weer heelt (Riven Rock, 1998). Boyle’s personages pendelen heen en weer tussen Darwin en Freud, of ze willen of niet. De evolutieleer en de psychotherapie beheersen hun bestaan. Hun moraal, dat is: hun prille opvattingen over goed en kwaad, man en vrouw, Eros en Thanatos, moet het opnemen tegen de zelfzuchtige genen. Boyle is geobsedeerd door het gevecht tussen biologie en psychologie, tussen lichaam en ziel. Populair geformuleerd: de mens is een aap met wankele ethische normen.
Boyle’s kleine helden storten zich in de meest zinloze ondernemingen om het onmogelijke toch te kunnen bereiken, het onzichtbare te aanschouwen en het onkenbare te weten te komen. Daarbij volgen ze hun instinct, libido of een onbestemd voorgevoel en onderscheiden ze zich nauwelijks van de dieren. De graal die ze willen vinden is de bron van het leven, en door hun overlevingsdrift komen ze heel ver. Tot het lot toeslaat en iedereen weer in de eeuwige cyclus van de evolutie wordt opgenomen, een illusie armer, hoewel het nageslacht natuurlijk weer in de voetsporen van vader of moeder treedt. Karaktertrekken zijn immers ook erfelijk?
Jagers en opgejaagden in allerlei gedaanten bevolken Boyle’s vertellingen, die een negentiende-eeuwse epische verhaaltoon vermengen met de twintigste-eeuwse associatieve springerigheid van obsessieve bewustzijnsstromen. Jagen is net zo natuurlijk als eten, vrijen of zich voortplanten. Op cruciale ogenblikken kunnen prooi en jager van rol wisselen, een omslag geregisseerd door seksuele instincten. Hoogstaande idealen worden ontmaskerd als het product van een opspelend, lastig libido; psychiaters maken hun patiënten horendol; lezers achtervolgen hun schrijversheld, man jaagt op vrouw, vrouw jaagt op man, man probeert aan zijn vrouw te ontsnappen. De menselijke verslavingen zijn niet te bestrijden, of die nu drugs, idealisme, idolatrie, racisme, geilheid of gekte heten.
Toch is het de redding van de mens dat hij zich aan de onmogelijkste fantasieën blijft vastklampen. In Descent of Man verzucht een rijke Amerikaanse bierblikjesverzamelaar: 'Zo zijn de dingen in dit land: illusie gemaskeerd als realiteit. De realiteit is een traan op de sluier van Maia. En ik zit daartussen opgesloten.’
OPGESLOTEN, dat is het trefwoord in Boyle’s meest recente historische roman Riven Rock. Opgesloten in je hoofd en in je voortmalende gespleten gedachten, opgesloten in een luxueuze gevangenis met elkaar opvolgende peperdure psychiaters die weet hebben van Darwins ontdekking en de pas geopenbaarde, gewaagde veronderstellingen over dromen, seks en ego van Sigmund Freud. En die freudiaanse Don Quichots klampen zich vast aan de hoop dat er genezing bestaat.
Riven Rock gaat over de demonen van de liefde die rondspoken in het hoofd van iemand die lijdt aan dementia praecox. Stanley McCormick, aan het eind van de negentiende eeuw de steenrijke zoon van de uitvinder van de maaimachine, ontbeert het talent om lief te hebben en ontspoort hopeloos, waarna hij wordt opgesloten in Riven Rock. Dat is het door hemzelf ontworpen familiale buitenverblijf aan de Californische Stille Zuidzee dat op een Spaans bordeel lijkt maar in feite een val of een verraderlijke zandbak vermomd als paradijs is, een nachtmerrie, een gevangenis waarin zijn oudere zuster Mary Virginia eerder opgesloten zat.
Stanley kampt met een te groot verlangen dat omslaat in het tegendeel. Een oerscène in zijn jeugd - Mary Virginia die hem in de badkamer al haar vrouwelijkheden toont - is het begin van zijn zondeval. 'De eerste vrouw die Stanley McCormick ooit zag - echt zag, zoals Adam Eva zag - was zijn zuster, Mary Virginia.’ Daar bovenop komt een rampzalige ervaring met een Parijse hoer, waarna vrouwen hoeren of heiligen voor hem worden. Hij blijft hangen in die haatliefde, zijn dierlijke lusten die afgewisseld worden met het meest elegante en voorkomende gedrag dat een man tegenover een vrouw tentoon kan spreiden. Dat is Stanley McCormick: de belichaming van perfecte etiquette óf een dier dat zijn lusten botviert, een onderhoudende gesprekspartner die filosofeert over menselijke vooruitgangsidealen en sociale democratie óf een hominoïde, een beest dat maar op één ding uit is: seks. En daarom moet deze man worden opgesloten, daarom mag hij bijna dertig jaar lang, zonder dat hem ooit iets wordt gevraagd, geen vrouwen zien.
T.C. BOYLE vertelt het verhaal vanuit drie perspectieven en a-chronologisch, waardoor het korte maar heftige en rampzalige huwelijksleven van Stanley en Katherine Dexter broksgewijs en met veel gevoel voor dosering wordt gepresenteerd. De lezer volgt de Werdegang van Stanley door de ogen van verpleger O'Kane, echtgenote Katherine en Stanley zelf.
Arbeidersjongen en rokkenjager Eddie O'Kane komt er door allerlei rommelige affaires met vrouwen en als bewaker van zijn broodheer tot de ontdekking dat hij als het op mannelijk gedrag aankomt niet echt veel verschilt van de schizofrene miljonair. Ook hij zit opgesloten in zijn karakter, heeft typische trekjes die van generatie op generatie zijn overgedragen.
Katherine Dexter is een vrijgevochten, goed opgeleide vrouw die gecharmeerd is van Stanleys goede manieren. Zij ziet te laat in dat hij zijn bestiale instincten maskeert. Hun huwelijk wordt nooit geconsumeerd, de bijslaap is een ramp. En Katherine stort zich in de vrouwenbeweging als sublimering van haar eigen libido. De mannenwereld heeft haar verpletterd.
De manier waarop Boyle beschrijft hoe Stanley zich onttrekt aan zijn huwelijkse plichten is zowel hilarisch als ontroerend. Met mededogen schetst Boyle het menselijk tekort, dat niet zozeer ontstaat uit moedwil of misverstand, maar uit machteloosheid. De roman telt twee heel korte hoogtepunten. In twee cursief gezette teksten van nog geen drie bladzijden lang gunt de schrijver ons een blik in Stanleys hoofd, in zijn gekte, in zijn gevecht met zijn onberekenbare wil. Verlamd wordt hij door zijn permanente angst voor 'mijn rechters’ die zijn zondeval hebben bewerkstelligd, hem in de gaten blijven houden en hem pas vrijlaten bij bewezen goed gedrag. Het zijn die fragmenten waardoor de lezer de vraag gaat stellen wie de ware schizofrenen in de roman zijn, prozaflarden die laten zien dat psychische storingen inzicht in de eigen situatie niet hoeven uit te sluiten.
Het is jammer dat T.C. Boyle niet veel meer van dergelijke associatieve bewustzijnsstromen heeft ingebouwd in Riven Rock, een al te nadrukkelijke titel die is ontleend aan een scène waarin Stanley een ondoordringbaar en duurzaam stuk steen gespleten ziet worden door zoiets fragiels als een eikel.
Doordat Riven Rock ook een aanklacht wil zijn tegen zelfzuchtige psychiaters - psychiatrie uit puur eigenbelang - is de roman gelukkig meer dan een darwinistisch of freudiaans schema.