De bijziende blik

BESTAAT ZE eigenlijk wel, Hedda Martens? De afgelopen jaren dook haar naam af en toe op op de achterpagina van NRC Handelsblad, als auteur van miniatuurschetsjes. Zeven jaar geleden verscheen Een naald op het water, een roman die altijd in mijn geheugen is blijven zitten vanwege zijn mysterieuze eigenheid. Van nog daarvóór herinner ik me het verhaal ‘Sjibbolet’ dat oorspronkelijk in De Revisor verscheen en later het titelverhaal van een bundel werd. Genoeg feiten die iemands bestaan bevestigen, maar er zweeft iets vreemds om haar naam. Ze is er wel, maar je ziet haar niet. Hetgeen meteen ook haar schrijfstijl en haar thema’s karakteriseert: Hedda Martens bericht van een schoorvoetend bestaan in een bijna breekbare stijl.

De broosheid van haar schrijverschap wordt nog eens onderstreept door de precieuze wijze waarop een aantal van haar NRC-schetsjes nu gebundeld is uitgegeven. Dagelijks leven verscheen in een kleine oplage bij de kleine zetterij/uitgeverij De Lange Afstand uit Eefde. Een prachtige uitgave, maar voorbestemd om in een bibliofiel glazen kastje te verdwijnen. Hedda Martens’ werk verdient wat mij betreft een algemenere verspreiding. Zeker als ze weer eens wat van langere adem zou schrijven. Of is deze naam een pseudoniem van een schrijver die op allerlei andere fronten actief is en zijn of haar poëtische oprispingen reserveert voor het steeds fijner wordende Martens-werk? IK STAAR OP de foto’s die achter op de bundel Revisor-verhalen Het hart in het hoofd (1979) zijn afgedrukt. Dat smalle gezicht met die vage glimlach is toch blijkbaar echt Hedda Martens, te midden van de jonge, veelbelovende schrijvershoofden van Patrizio Canaponi (later beter bekend als A.F.Th. van der Heijden), Frans Kellendonk, Dirk Ayelt Kooiman, Nicolaas Matsier en Doeschka Meijsing. Ze is de meest onbekende gebleven in dit gezelschap. Het herlezen van haar verhaal ‘Sjibbolet’ dat in deze bundel is afgedrukt, levert gemengde gevoelens op. Aan de ene kant word ik wel gevangen door een beklemming die ik nu als typisch-Martens herken, aan de andere kant is het een té introvert verhaal om echt begrepen te kunnen worden. Ik kan niet eens zeggen waarover het gaat, behalve dat er sprake is van een vrouw die naar Florence reist omdat ze kunstboeken uit het Frans vertaalt en nu de kunstwerken wel eens in het echt wil zien. Die reis loopt uit op een overhaaste terugtocht naar huis, omdat in een vreemde omgeving haar permanente gevoel van onveiligheid ondraaglijk groot wordt. Heel dicht onder het oppervlak schuilt een soort gekte van die vrouw, die zich uit in een obsessie met woorden en namen. Met taal, die de mensheid in vrienden en vijanden verdeelt. Zelf staat ze overal buiten. 'Niemand kon ooit werkelijk voor of tegen me zijn, want er is nooit iemand geweest die zelfs maar in de buurt kwam van wat ik zelf zei, van de taal die ik zelf hanteerde.’ Dit soort innerlijke overwegingen, gecombineerd met minutieuze beschrijvingen van niks - ’(…) ik pak het bovenste koekje, breek het in drieën, roer met de achterkant van mijn pen door de limonade, (…)’ - maken me een beetje ongedurig. Twintig jaar geleden stond ik waarschijnlijk wat welwillender ten opzichte van vaagheden, of was ik sneller bereid diepzinnigheid te vermoeden. ECHT GEWONNEN voor Hedda Martens was ik door Een naald op het water, dat tien jaar na haar debuutbundel verscheen en dat ook bij herlezing blijft staan als een huis. Ook hierin veel particuliere overdenkingen, maar op een kenbare manier in precieze bewoordingen gevat. De afzonderlijke hoofdstukken hebben titels als 'Standpunt’, 'Uitzicht’ en 'Karakter’ en bevatten verstilde observaties van minimale alledaagse dingen. Prachtig beschrijft ze bijvoorbeeld het verschijnsel dat je iets ziet, maar dat het heel goed mogelijk is dat je net op het verkeerde moment kijkt en eigenlijk iets anders had moeten zien. Een theepot op een lichtje, een map die papieren herbergt, een zelfgebreide trui: ze krijgen een speciale glans door de prettig ontheemde blik waarmee ze worden beschouwd. De voorwerpen maken deel uit van rituelen, waaraan het ik-personage zich lijkt vast te klampen. Zo ging het en zo zal het altijd gaan. Totdat je als lezer opeens ontdekt dat er iets mis is. Iemand is verdwenen en niets is meer hetzelfde. Als je ogen eenmaal gewend zijn aan het duister blijkt dat je een liefdesroman zit te lezen die is gedompeld in rouw. De geliefde om wie het allemaal draait is afwezig, vertrokken. Een kippevel veroorzakend besef. EN NU DAN dus de verzorgde bundeling van de korte stukjes waarin dagelijkse dingen ongewoon intens worden beschouwd. Zoals het plastic boterhamzakje dat wegwaait in de wind: 'Het brood is eruit en doorschijnend waait het over het schoolplein, kleeft nog even tegen de spijlen van het hek maar glipt er al gauw tussendoor, de vrijheid in.’ Of de vlieg die buiten zijn seizoen op het raam terechtkomt: 'Af en toe houdt hij stil en plet zijn zuigsnuit als een trompet tegen het glas, of hij poetst kop en vleugels wel een minuut achter elkaar - om zich tenslotte flink schrap te zetten en prompt weg te vliegen, meteen ver uit het zicht: en dat alles op niets meer dan vijf graden Celsius.’ Mooie observaties, liefdevol getoonzet, maar ook een beetje ijl. Te midden van het voortdenderende krantenieuws heeft zo'n stukje misschien nog de functie van het meditatieve moment, maar zo op zichzelf geplaatst vind ik de meeste niet verrassend en oorspronkelijk genoeg. Vier stukjes springen eruit, vanwege de onthechtheid die eruit spreekt. Vooral het laatste in de bundel is mooi, al was het maar omdat de lof op de bijziendheid die Martens hierin bezingt programmatisch is voor haar eigen schrijven. Een bijziende blik maakt van een zwarte bloempot met kiezels eromheen het heerlijkste soort poes dat je je kunt indenken. En zo is een beetje Martens tenslotte altijd nog beter dan geen Martens.