De binnenmuren van de macht

De inzet van de komende oorlog is op voorhand krankzinnig: een vrijwillig geschaakte vrouw van hoge geboorte moet worden bevrijd uit de handen van de tegenstanders. De goden, die op dat moment nog een hoop te vertellen hebben, onderstrepen de absurditeit met een idiote eis: ze zorgen pas weer voor wind (zodat de vloot kan uitvaren) wanneer de opperbevelhebber zijn oudste dochter heeft geofferd.

Zo begint Euripides’ Ifigeneia in Aulis. Die opperbevelhebber, Agamemnon, zwicht. Hij lokt zijn dochter door een list naar het legerkamp in Aulis. De opperbevelhebber is ons, toeschouwers, als het ware een verantwoording verschuldigd. En die krijgen we ook.
In de voorstelling van Hollandia komt Agamemnon (Peter Paul Muller) langzaam maar zeer zeker op gang. Over het tweezijdig hellende speelvlak in de enorme ruimte van het atrium in het Haagse stadhuis drentelt hij heen en weer en kijkt hij gekweld omhoog naar de binnenmuren van de macht. In zijn hand heeft hij een brief waarin hij het verzoek aan zijn dochter om naar Aulis te komen herroept. Hij wil van dat verdomde offer af. De brief wordt onderschept - door Menelaos, zijn broer, de echtgenoot van Helena, de geschaakte dame van hoge geboorte en inzet van de komende oorlog.
Die broer (Daniël Boissevain) is woedend. Hij zet Agamemnon zwaar onder druk. Het is een mooie scène. In de regie-opvatting van Johan Simons en Paul Koek wordt-ie vreemd. De geforceerde verbetenheid van Boissevain detoneert bij de genuanceerde emotionaliteit van Muller. Hier klopt iets niet, twee speelstijlen botsen. Of is dit een opvatting? Maar welke dan?
Als de woede van Menelaos omslaat in begrip, gebeurt er iets prachtigs: de Agamemnon van Muller kruipt tegen zijn broer aan, zo zacht dat je verzoening vermoedt. Dan richt Muller zich op: Agamemnon beseft dat de feiten niet meer zijn terug te draaien. Zijn dochter, die, zo horen wij, met haar moeder Klytaimnestra reeds in het legerkamp is gearriveerd, zal moeten sterven. Als hij nu weigert, komt er opstand. Als hij met zijn gezin vlucht, zullen ze hem komen halen. Agamemnon zit in de tang.
Dat is de brille van dit, in 407 voor onze jaartelling door de stokoude Euripides geschreven stuk. Euripides legt onder zijn laatste tragedie een enorme woede over politici die - net te laat - beginnen te snappen dat ze over een grens van menselijkheid zijn heengesprongen. Als Agamemnons vrouw Klytaimnestra (Betty Schuurman) hem dat genadeloos inpepert, kan de opperbevelhebber die Muller speelt alleen nog maar in elkaar krimpen en zich machteloos weer oprichten - een scène die pijn doet aan ogen en oren, zo ellendig, zo wreed ook.
Daarna begint het laatste gevecht: Ifigeneia werpt zichzelf in de strijd. Het is een ondankbare rol met een vrijwel onmenselijke finale: de dochter smeekt om genade. Pal daarop draait ze om als een blad aan een boom. Ariane Schluter houdt aanvankelijk bescheiden afstand van het grote conflict tussen haar moeder en haar vader. Zodra ze doorheeft wat er van haar wordt verwacht, sleept ze zichzelf bijna kotsend over de plankieren. Daarna verricht ze het wonder dat niet te begrijpen valt. Haar stem zakt een paar octaven. Haar lichaam siddert van kruin tot tenen. En dan geeft Ifigeneia toe. Ze ziet in dat haar dood onvermijdelijk is. Schluter speelt deze ongelooflijke omkering stuiptrekkend, huiveringwekkend mooi.