De eurocrisis als tijdbom onder het Afrikaanse Wirtschaftswunder

De blanke dokter is zelf ziek

Afrika kent een jaarlijkse economische groei van vijf procent en is niet meer erg geïnteresseerd in Europa. Het Westen blijft maar denken in termen van hulp, maar Afrika zou er meer baat bij hebben als we eens onze eigen crisis konden oplossen.

Onlangs liep ik door de wijk Hurlingham in de Keniaanse hoofdstad Nairobi. Het was nog vroeg en slierten mist hingen tussen de bomen. Van alle kanten hoorde je drilboren en getimmer en gezaag en het gepiep van hijskranen. In de jaren vijftig van de vorige eeuw moet het in veel Duitse steden precies zo geklonken hebben. Afrika zit midden in een Wirtschaftswunder. Al acht jaar haalt het continent een jaarlijkse groei van zo’n vijf procent. Het totale inkomen van alle Afrikaanse landen bij elkaar opgeteld beloopt inmiddels tweeduizend miljard euro. Bij een groei van vijf procent komt daar dus ieder jaar zo’n honderd miljard bij.

Bij dat soort cijfers verbleken de pakweg twee miljard die met onze ontwikkelingssamenwerking naar Afrika gaat. Het hoeft dan ook niet te verbazen dat in dat nieuwe, bruisende Afrika de Nederlandse hulp niet meer van belang is. Dit geldt te meer omdat er geen duidelijke link is tussen de westerse hulp en de onstuimige Afrikaanse groei. Die groei komt op het conto van geheel andere factoren. Denk aan internet, de alom aanwezigheid van mobiele telefoons, de explosieve toename van het vliegverkeer (nu vijftien vluchten per dag tussen Nairobi en Dubai), een Western Union-vestiging op iedere strategische straathoek, de mondialisering, de democratiseringsgolf en de stijging van de grondstofprijzen.

Ja, ook het oude, introverte Afrika bestaat nog. Maar daarvoor moet je wel heel diep het binnenland in. Western Union, tien jaar geleden nog een topper, is binnen Oost-Afrika trouwens al weer behoorlijk ingehaald door Mpesa. De ‘M’ staat voor mobiel en ‘pesa’ betekent in het kiswahili ‘betalen’. Zo ongeveer iedere Keniaan, ook in de slums, loopt nu rond met een rekening courant op z’n mobieltje. De minimum toegestane overmaking is achttien eurocent (twintig Keniaanse shilling). Het maximum is ruim twaalfhonderd euro per keer. Het geld arriveert via een sms ‘in real time’ op de mobiel van de ontvanger. Geldovermakingen die in Nederland ten minste een werkdag kosten, duren in Kenia tegenwoordig slechts luttele seconden. Dat geldt ook voor internationale betalingen in de regio, van laten we zeggen Mombasa of Dar es Salaam naar Gulu in Noord-Oeganda of naar Juba in Zuid-Soedan. Er is een supersnel meta-bancair betaalcircuit ontstaan dat oneindig veel mogelijkheden biedt.

De aangesloten landen tellen inmiddels zo’n zestigduizend Mpesa-agentschappen die aan meer dan honderdduizend mensen werk verschaffen. Vier jaar geleden bestond Mpesa nog niet en nu kan niemand meer zonder. Dat is het nieuwe Afrika. Of neem de royale financiële steun die de olierijke, voormalige Portugese kolonie Angola (tien procent jaarlijkse groei) onlangs aan Lissabon heeft aangeboden. Ook dat is het nieuwe Afrika.

En er is nog een andere mega-trend: een heroriëntatie van Afrika op Azië. Sinds vier jaar is China de grootste handelspartner, ondanks het feit dat de chemie tussen Chinezen en Afrikanen helemaal niet goed is. Europa raakt gemarginaliseerd. Neem ons partnerland Ethiopië. Toch het klassieke ontwikkelingsland bij uitstek, zou je zeggen. Maar kijk op de drukke luchthaven van Addis Abeba eens naar het bord met vertrekkende vluchten. Het aantal vliegtuigen richting Azië is nu vier keer groter dan het aantal richting Europa. En wie het in Afrika over Azië heeft, heeft het over ‘business’, niet over hulp.

Wat Afrika nu opstuwt is niet hulp maar hebzucht. En dan niet de hebzucht van de traditionele, Afrikaanse ‘Big Men’, maar die van een ongeduldige, ambitieuze middenklasse. Toch blijven de westerse overheden denken in termen van hulpprojecten en hulpprogramma’s. Onze diplomaten schrijven niet over zoiets als Mpesa. Zij zijn erin getraind om te berichten over hulp. Als onze staatssecretaris voor Ontwikkelings­samenwerking een Afrikaans land bezoekt wordt hij embedded in het ambassadecircuit. De chef de poste die hem op het vliegveld afhaalt, begint meteen te praten over ‘onze’ projecten en programma’s. En hij neemt de staatssecretaris mee naar zijn collega-ambassadeurs en naar de vertegenwoordigers van de EU en andere internationale donoren om te praten over ‘hun’ programma’s. En hij gaat op veldbezoek om projecten met eigen ogen te aanschouwen. En hij heeft in de hoofdstad een werklunch met vak­ministers die zeggen a) heel blij te zijn met wat wij doen en b) te hopen dat wij nog veel meer gaan doen. Ruimte voor reflectie over wat het land in kwestie echt in beweging heeft gezet, is er niet of nauwelijks. We zitten gevangen in dat project- en programmadenken. En, toegegeven, onze projecten en programma’s worden steeds beter. Toch blijven ze een uiterst onhandig vehikel. Ze doen denken aan de kolchozen en sovchozen in de Sovjet-Unie.

In ons land lijkt nog maar weinig besef te zijn van het nieuwe Afrika. Dat bleek ook weer toen er onlangs op de televisie tijdens Debat op 2 gesproken, of liever gezegd geruzied werd over de door de vvd voorgestelde korting van drie miljard op het budget voor ontwikkelingssamenwerking. Volgens een van de deelnemers, _Volkskrant-_columnist Pieter Hilhorst, getuigde dat voorstel van ‘nationaal egoïsme’. Daar heeft hij natuurlijk wel een beetje gelijk in, maar de moeite die hij en veel anderen tijdens dat debat met die dreigende besnoeiing hadden, getuigt ook van nationale zelfoverschatting.

In het grotere geheel van Afrika is een paar miljard aan hulp nauwelijks nog te traceren, behalve dan op het microniveau van een voorlichtingsprogramma hier en een waterput daar. Het werelddeel telt nu een miljard inwoners. Er gaat dus vanuit Nederland naar onze Afrikaanse medemens gemiddeld twee euro per jaar. Toch blijft bij velen het gevoel bestaan dat Afrika zonder onze hulp veel slechter af is. Je zou het met nog wat meer precisie ‘nationale, laat-koloniale zelfoverschatting’ kunnen noemen.

Toen Afrika na de Tweede Wereldoorlog onafhankelijk wilde worden vonden de koloniale meesters het nog ‘te vroeg’. Londen, Brussel, Parijs en Lissabon meenden dat het beter zou zijn als ze hun zware maar nobele beschavingsmissie (over uitbuiting werd niet meer gesproken) tenminste nog enkele decennia voortzetten. Ook nu nog zien in Nederland veel mensen die rol voor de Europeaan weggelegd. Zonder ons is het in Afrika ellende. Je proeft bijna latent racisme. Voor een bredere, genuanceerde kijk op de situatie in Afrika is nauwelijks belangstelling.

Neem de Somaliërs. Voor ons zijn dat allemaal arme sloebers die zonder onze steun totaal zouden wegkwijnen. Maar voor de mensen in Oost-Afrika, die het beeldmateriaal van Vluchtelingenwerk Nederland nooit onder ogen krijgen, zijn de Somaliërs juist exceptioneel rijk. Mombasa aan de Keniaanse kust heeft een ontmoedigingsbeleid dat erop gericht is om in de binnenstad de overweldigende, geld-speelt-geen-rol-aankopen van onroerend goed door Somaliërs af te stoppen. Ook in veel buurten van Nairobi bestaat de angst dat Somaliërs ‘alles’ opkopen. Het informele, internationale _hawala-_geldverkeer dat steden als Dar es Salaam en Amsterdam, Dubai en Londen en Mogadishu en sinds kort ook Juba, Bentiu en Rumbek in het nieuwe Zuid-Soedan met elkaar verbindt, is een Somalisch monopolie, dat getuigt van verfijnd, kapitaalkrachtig ondernemerschap.

Of neem Oost-Congo. Ook allemaal sloebers. Maar de handelaren uit Rwanda – de zelf­verklaarde economische tijger van het continent – en uit Burundi doen het liefst zaken in de Congolese stad Goma, want ‘daar zit het geld’. Uiteraard zijn er veel Somaliërs en Congolezen met problemen, maar voor die voor ons contra-intuïtieve Afrikaanse zienswijzen (‘Somaliërs zijn rijk’; ‘Als je geld wilt verdienen moet je in Oost-Congo zijn’) is bijna geen aandacht. Sterker nog, als je ermee op de proppen komt, kun je het verwijt krijgen dat je onethisch bent en geen oog hebt voor ellende.

Wel hulp of geen hulp – ach, het maakt niet meer zo veel uit. Er is daarentegen iets wat Afrika wél veel zorgen baart: de eurocrisis. Het zwarte werelddeel beseft dat de blanke dokter zelf ernstig ziek is. Gelukkig lijken de effecten van onze crisis Afrika vooralsnog niet of nauwelijks te hebben geraakt. Ook in 2011 schommelde de groei nog rond de vijf procent. Volgens de Zuid-Afrikaanse Standard Bank telt het continent nu zestig miljoen huishoudens met een inkomen boven de drieduizend dollar. En eind 2015 zouden dat er volgens die instelling al honderd miljoen kunnen zijn – evenveel als nu in bric-land India. Topeconoom Shanta Devarajan van de Wereldbank speculeerde in het voorjaar van 2011 dat Afrika zich – zoals China dertig jaar terug en India twintig jaar terug – in de startfase bevindt van een sterke, langdurige, economische expansie.

Maar als Europa afglijdt in een dal en de rest van de wereldeconomie meesleept, gaat dat feest natuurlijk niet door. De exportopbrengsten van grondstoffen – volgens The Economist verantwoordelijk voor een kwart van de Afrikaanse groei – zouden teruglopen; buitenlandse investeerders zouden hun plannen terugschroeven; de Afrikaanse diaspora zou op haar geldovermakingen, jaarlijks goed voor twintig miljard euro, beknibbelen; in de havens zouden de loodsen verveeld voor zich uit staren; hotels en safarikampen zouden de poorten sluiten; in de wildparken zouden leeuwen hun prooi niet langer voor het oog van amateur­fotografen opeten.

Wij in Europa hebben veel last van de crisis. Maar we hebben ook nog heel wat vet op het bot. Voor Afrika geldt dat nog niet. Extra wrang is dat het juist de armen zijn – nota bene de door ons in Afrika omhelsde doelgroep – die het zwaarst onder een economische schok te lijden zouden hebben. Ook de Wereldbank waarschuwt hiervoor. Stel – en dat is dan nog maar een van de minder griezelige scenario’s – dat die vijf procent groei in Afrika tot stilstand komt. Dat zou het continent al meteen in het eerste jaar een schadepost van honderd miljard euro opleveren. Als de crisis vier jaar zou duren ziet het kostenplaatje er geaccumuleerd als volgt uit: honderd miljard in het eerste jaar, tweehonderd miljard in het tweede jaar, driehonderd miljard in het derde jaar en vierhonderd miljard in het vierde jaar. In totaal: duizend miljard euro. En dan laat ik gemakshalve een extra verhoging wegens ‘rente op rente’ nog even buiten beschouwing.

De perikelen rond de euro zouden uiteindelijk tot negatieve groei in Afrika kunnen leiden en de crisis zou ook veel langer dan vier jaar kunnen duren. Kortom, er is een gerede kans dat wij Afrika binnenkort veel pijn gaan doen. Het zou goed zijn om dit in een van de komende Kamerdebatten over ontwikkelingshulp als punt van aandacht mee te nemen. Misschien krijgen wij en de overige eurolanden over vijf jaar uit Afrika een briefje: ‘Met het oog op de door uw geklungel veroorzaakte schade, mogen wij u hierbij verzoeken om duizend miljard over te maken op de rekening van de Afrikaanse Ontwikkelingsbank, statutair gevestigd te Abidjan, maar nu tijdelijk ondergebracht aan de Ghanalaan 5 te Tunis-Belverdere, Tunesië. Met gevoelens van de meeste hoogachting, (getekend) Afrika.’

Het getuigt van nationaal egoïsme om in tijden van economische teruggang in onze hulp – ook al stelt die niet zo heel veel voor – te snijden. Maar zou het onbetaald laten rondslingeren van een Afrikaanse factuur voor aangerichte schade niet gelijk staan aan nationaal egoïsme in het kwadraat?


Robbert van Lanschot was diplomaat en is nu freelance journalist