De blauwe muziek

Walter van der Kooi ziet veel meer dan hij in zijn wekelijkse kroniek kan bespreken. Deze keer: De Kleur van Blue Note, een jazzgeschiedenis waarin het accent ligt op de eerste bloeitijd van Blue Note met Thelonious Monk, Bud Powell, Miles Davis, Art Blakey, Horace Silver en noem ze maar op.

Twee Duitse dertigers, voor de nazi’s naar Amerika gevlucht, begonnen in 1939 een platenbedrijfje: Blue Note Records. Dit jaar dus tachtig geworden. Alle jazzlabels waren destijds in handen van witten, zegt hoogbejaarde altsaxofonist Lou Donaldson grijnzend: ‘Allemaal tuig - ik noem geen namen.‘

Maar Alfred Lion en Francis Wolff waren, zegt hij, de geweldige uitzondering. Diep geraakt door en geïnteresseerd in deze muziek, die ze in de jaren twintig in Berlijn voor het eerst hoorden. Met op den duur grote kennis ervan en feeling ervoor (Wolff zegt in een oud radio-interview dat hij er, destijds in Berlijn, nog geen touw aan vast kon knopen ook al vond hij het geweldig). Ze waren vol respect en bewondering voor ‘hun’ overwegend zwarte muzikanten. Die ze totale artistieke vrijheid gaven plus fatsoenlijke betaling voor repetities (niet vanzelfsprekend) en voor de opname zelf. Oftewel, een productiebedrijfje dat kunstzinnige ontwikkeling stimuleerde en niet uit was op maximalisatie van winst door middel van hits. Kom er eens om. Met als gevolg een geweldige stimulans voor de ontwikkeling van de jazz, want de artiesten van hun stal konden steeds grenzen verleggen - niet alleen improviserend in de clubs en zalen waar ze speelden met soms een vergankelijke radiouitzending, maar nu ook blijvend en definitief hoorbaar voor collegae en leken dankzij de plaat.

Blue Note was trouwens niet alleen van belang voor de kwaliteit van de muziek zelf, maar ook voor het vastleggen ervan, dankzij technicus Rudy Van Gelder. Een jongeman die nog bij zijn ouders woonde en van de huiskamer een studio mocht maken. Tot zijn naam en succes in de muziekwereld zo groot werden dat hij eruitbarstte en een nieuwe studio liet bouwen met de afmetingen en bouwwijze van een kleine kerk, wat de opnamekwaliteit nog weer beter maakte. Dus nóg een witte jongen die totaal ‘in’ zwarte muziek was en die maximaal faciliteerde. (Mijn kleinzoon, nu 15, witter dan wit, speelde gitaar en had niet alleen volgens ons, maar ook volgens zijn leraren talent. Het onhaalbare idool van zijn vader, Jimi Hendrix, werd het zijne en hing aan de muur. Maar hij bekeerde zich tot het gitaarloze hiphop en stopte.

Dank je wel Broederliefde en al die anderen. Hier leidde zwarte muziek tot wit verlies, een kleine familietragedie). Blue Note leverde ook nog eens een keer het allermooiste jazzfoto-archief op, doordat Wolff bij alle repetities en opnamesessies placht te fotograferen op een zo casual manier dat de camera voor de muzikanten niet meer bestond. Het resultaat, altijd zwart-wit, verbluffend mooi. En alsof dat nog niet genoeg is: grafisch vormgever Reid Miles ontwierp met gebruik van die foto’s en prachtige belettering hoezen die steevast klasse en Blue Note uitstraalden. (Ik bezit ze niet, ik kon me alleen EP'tjes in flodderig papier veroorloven.)

Niet alleen Donaldson benadrukt de vriendschappelijke betrekkingen tussen Lion en Wolff, met hun vet-Duitse accent en harkerige motoriek enerzijds, en hun boppende, swingende pianisten, saxofonisten, trompettisten, drummers, bassisten en xylofoonspelers anderzijds; het wordt bevestigd door een reeks Grote Namen, voor zover nog levend, onder wie Wayne Shorter en Herbie Hancock - ‘Alfred en Frank hoorden erbij’ (het hoogst haalbare voor witte Europeanen).

Ik dank deze kennis aan de recente Zwitserse documentaire Blue Note Records: Beyond the Notes van Sophie Huber. Die titel is voor Het uur van de wolf (NTR) iets nadrukkelijker vertaald als De kleur van Blue Note. Dat ‘kleur’ zal slaan op de dubbele betekenis van ‘blue’, maar vooral op het feit dat veel van de muziek die door het maatschappijtje werd geproduceerd mede vorm en inhoud kreeg door de maatschappelijke positie en ervaringen van de muzikanten, zijnde Afro-Amerikanen. Want, om De Beauvoir te parafraseren, men mag zwart geboren worden, men wordt beduidend meer zwart gemáákt.

De film toont dus een jazzgeschiedenis waarin het accent ligt op de eerste bloeitijd van Blue Note met Thelonious Monk, Bud Powell, Miles Davis, Art Blakey, Horace Silver en noem ze maar op. Voor wie als scholier of student in de jaren vijftig en zestig met hun muziek kennismaakte, was dat een openbaring en is de film dus een doos madeleines.

Ik was destijds van Haydn en Mozart, vond de lichte muze overwegend onopruimbaar, maar hier ging een wereld open. Muzikaal, zeker de avant-gardistische bop in zijn vele varianten. Maar ook sociaal: onwaarschijnlijk veel zwarte meesters tot genieën, wier wereld me volslagen vreemd was, inclusief hun vaak overvloedig drugsgebruik. Aantrekkelijk en afstotend. Eigenlijk geen muziek voor brave, bange jongetjes, maar meer voor onverschrokken types als Hans Dulfer, met wie ik honkbalde en die zichzelf vanuit de fanfare saxofoon en jazz leerde en met wie ik een EP'tje ruilde. Hij kreeg mijn Charley Parker, die me net boven de pet ging (schande); ik kreeg Gerry Mulligan (Ierse roots).

Voor mijn gevoel culmineerde destijds alles in het toegankelijke Moanin’, compositie (of liever thema) van pianist Bobby Timmons, dat het titelnummer werd van het gelijknamige album van Art Blakeys Jazz Messengers. Van Kooten en De Bie hebben nog eens een meesterlijk nummertje Moanin’ zoals geïmiteerd door ontelbare jongens van toen, te berde gegeven. In de docu horen en zien we uiteraard een fragment van de originele versie, dat me zo naar het geheel deed verlangen dat ik het op YouTube zocht. Met gesproken geestige inleiding door Blakey zelf, die Blue Note Records aanprijst en hoopt dat het publiek maar veel platen van hen zal kopen, want het label en de muzikanten hebben het geld hard nodig. En ik vroeg me af wanneer en waarom ik in godsnaam ooit gestopt was met jazz beluisteren.

Nu hoort het bij een voorbije fase en ik ben niet de enige afhaker, want waar hoor je nog jazz op de publieke radio? Radio 6 sneuvelde per 1 januari 2016. Hoe de jazz verdween uit Nederland heet een artikel uit het Jazzbulletin in dat jaar, dat een geschiedenis van ontbrekend Hilversums beleid schetst. Voor jazz moet je nu bij de Concertzender zijn. Laat ik me niet sjieker voordoen dan ik ben: ik weet bar weinig van jazz van de laatste decennia.

Ben sowieso geen kenner. Ik wist tot mijn schande zelfs niet wie Lou Donaldson was. Hij is in mijn ogen de ster van de film waar het het oude Blue Note van Lion en Wolff betreft: met hoge, hese stem, veel gein en vol respect beschrijft hij de hoofdrolspelers en de scene. Hij, en later ook Hancock en Shorter, moeten geweldig, maar liefdevol lachen als ze vertellen hoe Frank Wolff, als hij enthousiast werd tijdens een opnamesessie, het niet kon laten te gaan dansen, als je gehuppel al zo mag noemen. En altijd off-beat! Maar…. als hij ging bewegen dan kon je er gif op nemen dat juist die take de plaat zou halen.

Witte mannen en hun label. Dat natuurlijk alleen maar denkbaar was dankzij het talent en de genialiteit van een zee aan volstrekt niet inwisselbare zwarte muzikanten.

Maar Hubers documentaire is veel meer dan een trip down memory lane. Hij begint zelfs met een veel jongere generatie muzikanten en producenten, die het ooit zieltogende label weer tot leven wekten en gaande houden. De Blue Note All-Stars van nu, speciaal gevormd voor het festival van Monterey, bestonden uit Robert Glasper, Ambrose Akinmusire, Marcus Strickland, Lionel Loueke, Kendrick Scott, Derrick Hodge. Ongelofelijke muzikanten van wie ik nooit hoorde. Van wie de meesten niet alleen de gave van hun instrument maar ook van het woord hebben. Die de traditie diep erkentelijk zijn, maar daarin niet blijven hangen (zoals ik als luisteraar). En die vertellen over het hoe en waarom van het ontstaan van hiphop en over de invloed die die weer heeft op eigentijdse jazz, hún jazz. En die diep doordrongen zijn van de stilstand en zelfs terugslag van de emancipatie van het Afro-Amerikaanse deel van de bevolking. Hun muziek wordt daar, net als die van zwarte muzikanten in de tijd van de vroegere burgerrechtenbeweging, sterk door beïnvloed.

Een enkeling spreekt zijn zorgen uit over het feit dat jonge jongens geen instrument meer willen spelen (!). Een ontwikkeling die trouwens mede begon doordat zwaar bezuinigd werd op instrumenten en muzieklessen voor kinderen uit arme gezinnen. Voor hiphop had je alleen je platenspeler en die van de buurman nodig. We zien geweldige beelden uit de begintijd; van een vrachtwagentje dat met dj, twee grammofoons en een luidspreker door de buurt rijdt, omringd door enthousiaste jongeren. Mooie documentaire waarin inderdaad weinig vrouwen voorkomen, maar wel Norah Jones, ook een ontdekking van het (latere) Blue Note. Een documentaire die inspireert tot YouTuben. Ik moest en zou Lou Donaldson horen. En vond een optreden ter ere van 75 jaar Blue Note. Hij speelt met vibrafonist Dr. Lonnie Smith, Kendrick Scott (drums) en Lionel Loueke (gitaar). In The John F. Kennedy Center for the Performing Arts blijkt hij naast muzikant ook cabaretier, die (hij wél) geintjes maakt over de groten van de hiphop: ‘niks fusion, wij gaan gewoon recht voor z’n raap muziek maken, zoals we dat vroeger ook deden’.


Sophie Huber, De kleur van Blue Note* ,Het uur van de wolf, NTR, donderdag 11 juli, NPO 2, 22.45 uur.