De blijvende warmte van het uylennest

Ze vormen een soort clan, de zeven kinderen van Joop en Liesbeth den Uyl. Met alle aanhang en kleinkinderen erbij vormen ze een familie van 31 personen. ‘Het is een warm nest’, zeggen ze eendrachtig. Ze zijn het vaak oneens, bijvoorbeeld over politieke kwesties, maar ze vallen elkaar nooit af. De Groene vroeg ze ieder naar hun ouders, het gezin waar ze uit komen en hun huidige leven. Een echte ouderwetse Uylen-discussie.

Medium uylennest

Saskia
Leeftijd 48, lid van de Tweede Kamer voor de PvdA, binnenhuisarchitecte. Getrouwd met Theo, bouwkundig ingenieur, die ze vanaf haar 21ste kent. Woont in Heemstede. Sinds 1974 lid van de PvdA. Vier kinderen: Anne Weike (20), Merel (18), Hernan (17), Marlen (15). Hernan en Marlen komen oorspronkelijk uit Colombia. ‘We wilden ook graag eigen kinderen, eigen teelt. Dat hebben we eerst gedaan, en toen dat beviel, zeiden we: “Op naar de volgende ronde.” Omdat die kinderen er al zijn en omdat een ingewikkeld leven een leuk leven is.’
‘Het hele Tweede-Kamergebouw hangt vol met portretten en bustes van mijn vader. Zeker in het begin moest ik daar aan wennen, maar op een gegeven moment zie je het niet meer. Ik sluit niet uit dat als mijn vader geen kamerlid was geweest, ik er eerder had gezeten. Ze hebben me wel eerder gevraagd, maar tegelijk met mijn vader in de Kamer zitten, dat zat te veel in de weg. Je moet je eigen plek maken.’
‘Ik regel wel veel, dat is waar. Eigenlijk sinds het moment dat ik zelf kinderen kreeg. Het hoort bij me, ik ben van het type dat blijft regelen.’

Marion
Leeftijd 47, universitair docent vrouwenstudies aan de Vrije Universiteit te Amsterdam, antropologe. Woont in Amsterdam met twee kinderen: Roos (14) en Susan (6).
‘Ik wilde eerst geen Barbie-poppen in huis, maar uiteindelijk ben ik gezwicht. Ze wilde ook een mannenbarbie, om ze te laten trouwen. En toen lagen barbieman en barbievrouw inderdaad de volgende dag in een bedje, met de kinderen ertussen.’
‘Ik heb de keuze niet van tevoren gemaakt, maar ik zou het niet anders willen, nu. Het is met z'n tweeen niet altijd makkelijker. Vriendinnen die wel een man erbij hebben, hebben het soms over hun man als derde kind.’
‘Aan de Vrije Universiteit hangt het onderwijs op veertien fulltime heren. Ik werk er zes jaar en heb sinds oktober een vaste aanstelling - daar konden ze niet onderuit. Maar ik hou ook wel van strijd. Als alles gladjes verloopt, ga ik naar het volgende conflict.’
‘Ik kan heel opgewonden zijn van wetenschappelijke visies of theorieen. Mijn promotie-onderzoek ging over een streek in Zuid-India waar tot voor kort een matriarchaat was. Ik ben altijd een zwevende kiezer geweest, maar de laatste keer heb ik op Sas gestemd, bijna Indiaas: het familieverband gaat voor.’

Barbara
Leeftijd 45, filmmaakster, ex-lerares Nederlands, woont samen met Henk, advocaat, die ze sinds haar zeventiende kent. Woont in Amsterdam. Twee kinderen: Gillis (12) en Miel (7).
‘Ik zat altijd tussen twee vuren. Als ik me tegen de PvdA verzette, lachte De Telegraaf, en als ik de PvdA een beetje verdedigde, lachte de kraakbeweging. Ik ben eigenlijk ontzettend braaf en evenwichtig, ik probeer ruzie te voorkomen. In de kraakbeweging genoot men ervan als er stenen gekeild werden. Ik keur het niet af, maar ik geniet niet van een agent die een steen in z'n smoel krijgt.’
‘In mijn films ben ik hard voor de autoriteiten, maar ik ben ook hard voor de mensen met wie ik solidair ben. De waarheid moet verteld worden. Sommige mensen zeggen dat ze mijn film over mijn volleybalclub niet uit kunnen kijken, het is ze te somber. Maar dan denk ik: schiet op, ik laat het zien zoals het is, de wereld is geen goed-nieuwsshow.’
‘Kinderen van vriendinnen van mij mogen vaak niet meer dan een uur Nintendo-spelletjes doen, of televisie kijken, of andere verderfelijke dingen. Maar van mij mag alles. Ik vind het niet leuk, maar het mag wel.’

Marten
Leeftijd 43, directeur van een softwarebedrijf, psycholoog, getrouwd met Lenie, docente vrouwenstudies aan de Vrije Universiteit, die hij sinds zijn negentiende kent. Woont in Amsterdam. Twee kinderen: Tim (10) en Tess (8) (Lenie: ‘De Uylen korten alle namen af, dus wij hebben ze maar meteen een eenlettergrepige naam gegeven.’) Sinds 1976 lid van de PvdA.
‘Waar het om gaat, is te begrijpen wat een mens, of wat leven, wat intelligentie is. Ik wil systemen maken die vergelijkbare eigenschappen hebben als mensen, omdat ik denk dat we dan pas begrijpen wat een mens juist onderscheidt van computers. Ik vind dat ik intellectueel meer op mijn moeder lijk dan op mijn vader. Mijn moeder had een lichtvoetig soort intellect. Speels, bezig met het moment, iets improviseren, dat herken ik. Over enkele decennia is de mens economisch overbodig en zijn wij allemaal werkzoekenden met leuke of minder leuke hobby’s.’
‘Doordeweeks ben ik, als het meezit, een avond met het eten thuis. Twee avonden kom ik als de kinderen al in bed liggen en twee avonden als ze al gegeten hebben.’

Xander
Leeftijd 41, lid van het dagelijks bestuur en onderhandelaar van de AbvaKabo, econoom. Getrouwd met Jeannette, mede-eigenaresse van een kinderkledingzaak, die op dezelfde lagere school als hij heeft gezeten. Woont in Haarlem. Drie kinderen: Bart (8), David (7), Jurriaan (1). Sinds 1975 lid van de PvdA.
‘Er zijn dingen in de wereld ten goede veranderd, maar het is altijd twee stappen naar voren, drie stappen terug, en dan kom je dus niet vooruit. Bezuinigen voor lastenverlichting, wat dit kabinet doet, dat is kiezen voor individuele koopkracht van de midden- en hogere inkomens in een land waar grote groepen mensen, en ook de publieke voorzieningen, aan het verarmen zijn.’
‘Het is de aloude discussie: of je doet mee en je corrumpeert jezelf, of je doet niet mee en je staat erbuiten. Ik doe mee en corrumpeer. Als dingen gebeuren die je niet bevallen, kun je in verzet komen, of je kunt meebuigen, en ik heb sterk de neiging om mee te buigen.’
‘Ik ben altijd zaterdags thuis en doe dan ook de boodschappen en kook het eten. Maar af en toe geloof ik dat ik er wel iets te weinig ben. Voor de kinderen, maar ook voor Jeannette. We zitten op een grens.’

Rogier
Leeftijd 37, werkt bij een organisatie-adviesbureau en is tijdelijk directeur Algemene Zaken van de stichting Averroes voor opvoedingsondersteuning (vooral aan allochtonen), sociaal-psycholoog. Getrouwd met Yolanda, bijstandsmaatschappelijk werkster, met wie hij vanaf z'n veertiende gaat (‘met een korte pauze van m'n 19de tot m'n 22ste’). Woont in Leiden, drie dochters: Floor (8), Jonna (6), Roos (4). Al 17 jaar lid van de PvdA.
‘Allochtone moeders leren van een buurtmoeder “spelen” met hun kinderen, en die buurtmoeder wordt begeleid door een projectcoordinator, en die wordt weer begeleid door een regiocoordinator, en de stichting Averroes begeleidt de regiocoordinatoren en ontwikkelt spelmateriaal.’
‘Tijdens mijn studie leidde ik lange tijd een bohemien-achtig leven. Veel uitgaan, genieten. Ik heb er geen spijt van, maar vanuit carriereperspectief was het dom. Daarna kreeg ik plotseling haast en heb ik iets gezocht dat “in” was. Het was het jaar van de Minderhedennota, zo kwam ik er op.’
‘Ik hecht heel erg aan m'n broertjes en zusjes, ik hecht heel erg aan de vriendjes die ik al ongeveer vanaf m'n dertiende heb, ik hecht aan m'n vrouw die ik al vanaf m'n veertiende ken. Misschien ben ik dus wel vreselijk saai.’

Ariane
Leeftijd 29, beleidsmedewerkster bij VluchtelingenWerk, juriste. Woont samen met Evert, musicus in een hardcore-band, die ze vanaf haar zeventiende kent. Twee kinderen: Daan (1) en Isa (0).
‘Ik heb ooit een psychologische test gedaan en op commercieel gebied scoorde ik nul. Die man zei dat ze dat nog niet vaak hadden meegemaakt. Als ik nog eens de advocatuur in ga, wordt het in ieder geval de sociale advocatuur.’
‘Mijn ouders zijn voor mij erg vroeg overleden en mijn vriend is ook de jongste thuis. We wilden zelf geen oude ouders zijn. En we willen er misschien wel meer, daarom zitten ze vrij dicht op elkaar. Maar geen zeven, je moet het tenslotte ook financieel en in je behuizing kunnen bolwerken en voorlopig ben ik de enige die geld verdient.’
‘Hiervoor werkte ik voor een dierenbeschermingsorganisatie. Dieren, dat is enigszins abstract. Want eigenlijk ben je bezig met het beinvloeden van de mentaliteit van mensen. Beesten zeggen nooit wat ze ervan vinden. Bij VluchtelingenWerk weet je beter over wie het gaat.’

Het lijkt of we erin slagen het verleden te laten herleven. Een discussie tussen de zeven kinderen van Joop en Liesbeth den Uyl, waarin het er soms spannend en heftig aan toe gaat terwijl er het volgende moment weer algemeen en opgelucht wordt gelachen. Familiegrapjes worden uitgewisseld, tegenstellingen uitgesproken dan wel verdoezeld, de kritiek op de PvdA komt heel even op de rand van het pijnlijke maar nergens gaat het zover dat een van de anderen echt wordt gekwetst. Maar het belangrijkste is, tussen al het gelach en geschreeuw in, de intense stilte die er valt als een van hen echt aan het woord is. In de loop van drie uur debat gebeurt het elk van hen minstens een keer dat hij of zij, of het nu de jongste of de oudste is, alle aandacht krijgt van de anderen. Hoewel ze elkaar heel veel bellen en zien, op verjaardagen, met Kerstmis, in het familiehuis in Frankrijk, vindt zo'n gezamenlijk debat nooit meer plaats. Met kinderen erbij - ze hebben er allemaal minstens twee, sommigen drie of vier - komt dat er niet zo van.

Ze weten zelf niet meer of het elke week was, of regelmatig, of af en toe. Het was in elk geval meestal op zondagmiddag als Joop den Uyl al zijn kinderen naar het ouderlijk huis in Buitenveldert had getelefoneerd. Vroeger had hij het wel eens moeilijk met de discussies, als de drie oudste dochters hem aanvielen over de Mobil-vestiging in Amsterdam, de oorlog in Vietnam of het optreden van de politie tegen de Maagdenhuisbezetting. Maar later, toen de drie jongens ouder werden, kreeg hij er steeds meer lol in om zich aan de opvattingen van een jongere generatie te toetsen. Misschien had hij er intussen vertrouwen in gekregen dat de Uylenkinderen weliswaar waren uitgevlogen, maar nooit al te ver van het nest terechtkwamen.

Hijzelf heeft hun - meer impliciet dan expliciet - een mengsel van sociaal-democratische en calvinistische deugden bijgebracht: soberheid, verantwoordelijkheidszin, iets maken van je leven, studeren en daarmee vervolgens iets doen wat de wereld ten goede komt. Hij was er heel vaak niet, maar als hij er was, was hij zeer aanwezig. En hij was er vooral als het echt nodig was. Om ze te wijzen op hun plichten - hun best doen op school - maar ook om ze te steunen als er echt een ramp was gebeurd, bijvoorbeeld als een vriendinnetje het had uitgemaakt.

Liesbeth denk Uyl legde vooral de nadruk op de verscheidenheid van haar kinderen. Zij stimuleerde datgene waarvan zij zag dat het in het kind zat. En zij zorgde ervoor dat het allemaal liep in het huishouden. Het oudste kind in huis moest koken, vanaf zijn of haar veertiende. De drie oudere meisjes hadden ieder een jonger broertje onder hun hoede - Saskia had Marten, Marion had Xander en Barbara Rogier. Pyjamaatjes aandoen, aankleden. Zoals later, toen hij de oudste was, Marten weer voor Ariane zorgde. Barbara vond het heerlijk, dat moederen, Marion dacht op haar achttiende dat ze zelf geen kinderen hoefde ‘want die had ik al gehad’. Het huis was enigszins ‘puinhoperig’, maar Joop hield van netjes en maakte af en toe de wc schoon. Er waren fantastische vakantiereizen, naar Finland, Oost-Europa, naar Istanboel, Joegoslavie en Griekenland. Er waren duidelijke grenzen, en binnen die grenzen kon heel veel.

Een gezin van zeven kinderen bestaat eigenlijk niet lang als een gezin met zeven kinderen. Toen Ariane, de jongste dochter, in 1965 werd geboren, waren haar oudste zusters al ongeveer het huis uit. De drie oudste dochters Saskia, Marion en Barbara - van respectievelijk 1946, 1947 en 1949 - moesten heel wat bevechten. Omdat ze de oudsten waren, misschien omdat ze meisjes waren en omdat de tijdgeest in de jaren zestig dat met zich meebracht. Toen de jongens Marten, Xander en Rogier (van ‘51, '53 en '57) opgroeiden, was de hevigheid er al vanaf. De jongens hoefden zich veel minder af te zetten tegen hun ouders, al zag met name Xander juist dat weer als een probleem. Ariane, de jongste, uit 1965, is een echt nakomertje, de lieveling van iedereen. Zij trok toen de anderen uit huis waren vooral met haar moeder op of ging al weer logeren en kinderoppassen bij de oudere zusters. Ondanks de prettige herinneringen aan het grote gezin kregen ze zelf allemaal minder kinderen. 'Omdat bij ons ook de partner werkt.’ In zoverre is er inderdaad iets veranderd. Maar het vreemdste is misschien dat in deze grote familie niemand een grondige hekel aan een van de anderen lijkt te hebben.

Enigszins verbaasd constateren we dat er in deze regressieve tijden niemand van hen uitgesproken rechts is geworden. Een meerderheid is lid van de PvdA, Xander en Rogier zijn of waren actief in die partij, Saskia is sinds vorig jaar Tweede-Kamerlid. Marion, Barbara en Ariane zitten alle drie ergens links van de Partij van de Arbeid. Bij Marion gaat het daarbij vooral om feminisme en de derde wereld, bij Barbara om krakers, de onderklasse en de multiculturele samenleving. Ariane is vegetarier en bekommert zich om het milieu, het lot van de dieren, de positie van vreemdelingen. Alle zeven, zij het op verschillende manieren, bekommeren ze zich om de misdeelden in de samenleving. Marten is na een universitaire carriere voor zichzelf begonnen. Hij is ondernemer in computerprogrammatuur en onderzoek naar kustmatige intelligentie en heeft elf werknemers in dienst. Maar hij is eerder een enigszins filosofisch, bevlogen, zelfs dromerig soort van ondernemer dan het type van een snelle-business-jongen. Soms plaagt hij zijn vegetarische zusje Ariane door haar uit te leggen dat hij makkelijk een robotje zou kunnen ontwerpen voor de kippenindustrie, dat rondrijdt tussen de kippen om eieren te rapen en dat tegelijk meet welke kip te oud wordt, ‘en dan komt er een heel handig mesje uit te voorschijn en dan: tsjak!’.

Volgens Marten waren er geen vaste coalities in het gezin. Marten: ‘Het was altijd een dynamische kluwen, een heel complex en open samenstelsel van relaties. Er werd vroeger behoorlijk veel geruzied - degenen die het meest met elkaar hadden, hadden automatisch ook het vaakst ruzie. Zelf was ik eerst een baby met vier moeders boven me, en daarna kwam er iedere keer weer een ander jong kind, ik zat al snel ergens in de middenmoot.’

Van oudsher is er een tegenstelling tussen de realisten en de idealisten onder de kinderen. Ariane was te jong om zelf aan de familiediscussies mee te doen, maar zij vond het ‘hartstikke stoer en leuk, al die harde stemmen tegen elkaar. Je zag toen al een verschil tussen de kinderen onderling. De meer behoudende, Sas en Xander tegenover de meer radicale Bar en Marion. Rogier en Marten spraken zich er vroeger minder over uit.’

Barbara is nog steeds het felste, zowel in haar films als in ons gesprek. Zij herinnert zich maar een keer dat haar vader boos is weggelopen bij een gesprek: ‘Het ging over de woningnood. Ik was zelf een huis aan het zoeken en hoorde over een gezin dat met negen kinderen op een kamer woonde, met een invalide moeder. Ik flapte eruit dat mijn vader niks aan die woningnood deed. Hij voelde zich daarmee echt tekortgedaan. “Je doet net of ik alleen maar wat zit te koeterwalen in het kabinet en of wat ik doe helemaal niks is.” Eigenlijk ben ik van karakter ontzettend braaf. M'n zusje Marion heeft een veel radicaler karakter. Ik kon heel goed met haar opschieten en nam het zo'n beetje voor haar op.’

Barbara is ook degene die het meeste last had van het Den Uyl-imago. Zij was actief in de kraakbeweging en werd daar soms ‘freule Den Uyl’ genoemd. Zij voelde zich vaak tussen twee vuren zitten. In een aantal van haar films worstelt zij nog altijd met de sociaal-democratie en het beeld van haar vader. Barbara: ‘Hij was echt begaan met de wereld en wilde echt wat veranderen, maar hij heeft daarbij altijd concessies gedaan aan het CDA en aan het bedrijfsleven. Ik vertrouwde zijn drijfveren wel en ik vond hem ook aardig. Maar ik heb me wel altijd afgevraagd in hoeverre hij de boel belazerde als hij bezig was het politieke spel te spelen.’

Een keer wilden actievoerders, Barbara was daar niet bij, het PvdA-kantoor bezetten uit protest tegen de bouw van een kolos aan de Wibautstraat. ‘Toen stond de politie daar met getrokken revolver. Dat vond ik zo erg - dat de PvdA op die manier het protest van zich af probeerde te houden - dat ik mee ben gegaan om het partijcongres te verstoren. Daar kwam ik m'n moeder tegen . Die zei: “Goh, wat leuk dat jij er bent, Saskia en Xander zijn er ook. Ach nee, jij komt natuurlijk hier om actie te voeren, dat vind ik leuk, hoor, iedereen z'n eigen actie!” Zij was toen ook al bezig met de vrouwenbeweging, abortus en de Argentijnse moeders. Tot woede van De Telegraaf.’

Barbara heeft het meeste moeite met ons voorstel een discussie te organiseren die in de krant komt: ‘Het liefste zou ik helemaal vrij en anoniem willen leven, ik voel me bezwaard door alles waar ik uit voortkom. Ik heb m'n vader nooit echt willen afvallen, en m'n broers en zussen ook niet. Ik mag ze persoonlijk heel graag, we gaan met elkaar op vakantie.’ Niet dat ze bang is dat haar broers en zussen haar standpunten niet respecteren. ‘Dat doen ze wel, iedereen wil het liefste harmonie, maar een beetje truttig is dat ook.’

In zekere zin is Marion nog altijd een buitenbeentje. Zij is de enige van de zeven zonder vaste partner en ze is bewust ongehuwd moeder van twee dochters. Zij slaagde erin haar werk op de universiteit, het schrijven van een proefschrift en de zorg voor het huishouden en de kinderen op een soepele manier met elkaar te combineren. Nee, met haar huidige leven zet ze zich niet af tegen het vroegere gezin. ‘Zo'n gezin kan heel leuk of warm zijn. Het is prachtig dat wij met elkaar die onderlinge band hebben. Ik ben met een groot conflict het huis uitgegaan en kwam jarenlang zelden thuis. Ik voelde m'n ouders als te dominant, als een druk en een belasting. Maar toen ik eenmaal was afgestudeerd, twee jaar in India was geweest en moeder was geworden, had ik blijkbaar zelf ruimte genoeg en heb ik vooral met m'n moeder een heel goed contact gehad. Zij vond het heel leuk dat ik reisde en de wetenschap was ingegaan. Ze zei alleen: “Op die manier kan je geen vijf kinderen krijgen.” Van m'n vader kwam ook geen kritiek, maar hij vond wel dat ik moest opschieten met promoveren.’

Marion weet eigenlijk niet of zij op haar beurt haar moeder heeft beinvloed. ‘Ik denk van wel. Ik irriteerde haar eerst, later kwam er niet alleen acceptatie, maar ook respect. Zij veranderde, ik veranderde, de hele tijdgeest veranderde. Zij ging naar de vrouwenconferentie in Mexico en had daar enorm veel ontmoetingen.’

Marion relativeert de eigenzinnigheid van haar eigen levensloop. ‘Wat voor jezelf individuele stappen zijn - een woongroep, parttime baan, bom-moeder - past achteraf weer gewoon in de tijdgeest. Het individuele is natuurlijk heel relatief.’ Die tijdgeest komt steeds ter sprake in de gesprekken met de kinderen Den Uyl. Een tijdgeest die hun verzet tegen hun ouders bepaalde, die hun ouders beinvloedde, die ook de politiek van hun vader mede beinvloedde.

Xander, de vakbondsman, had er moeite mee zich aan het ouderlijk gezin te ontworstelen. ‘Die jaren zestig betekenden een zekere breuk en dat vertaalde zich in ons gezin. De hevige conflicten die mijn zusters hadden, hadden wij niet meer. Conflicten zijn een methode om volwassen te worden, als je die niet hebt, heb je meer problemen om je te ontworstelen.

Het waren dominante ouders, en ik had geen aangrijpingspunt voor verzet tegen hen.’ En opnieuw veranderde de tijd. Ooit stond Xander aan de rechterkant in de PvdA, maar die tijd is voorbij: ‘Voor gelijkheid en kansen scheppen is helaas te weinig aandacht in de PvdA. Die coalitie met VVD en D66 is natuurlijk een vreselijke regeringscombinatie. Saskia vindt het allemaal heel nieuw en sprankelend, maar dat zogeheten frisse zegt mij niet zoveel. Alle discussies gaan over bezuinigen in plaats van over de inhoud van het beleid. Ik ben al een tijd heel erg ontevreden met mijn partij. Als sociaal-democraat uit de jaren zeventig voel ik me door het WAO-gebeuren heel persoonlijk gewond. De PvdA pleegde verraad.’

Rogier was de jongste van de drie jongens. Hij hoefde niets meer te bevechten en zegt dat hij een gelukkige jeugd heeft gehad. Toen hij al uit huis was, ging hij altijd na zaalvoetbal ‘savonds langs het huis in Buitenveldert. Z'n moeder sliep meestal al, en dan bleef hij rondhangen tot z'n vader thuiskwam. Dan praatten ze over van alles, politiek, maar ook over voetbal of over de relatie met zijn vriendin. 'Hij is nu al een tijdje dood maar als ik moeilijke beslissingen moet nemen, praat ik als het ware weer met hem, vraag ik: “Wat zou jij nou doen, Joop?’ als in een socratische discussie.‘

Datzelfde heeft hij nu met z'n broers en zusters: 'We hebben met z'n zevenen iets heel erg intiems. Dat is zelfs voor onze partners niet goed te begrijpen. Die vragen, als je een hele tijd met je zus hebt zitten praten, waar we het over hebben gehad en dan weet je dat niet eens meer, je trekt gewoon sterk naar elkaar toe, je schurkt tegen elkaar. Dat heb ik met alle zes.

Deels heeft het natuurlijk te maken met de te vroege dood van Joop en Liesbeth, nu zeven en vier jaar geleden. Toen hebben we elkaar ondersteund, in sociale zin hebben we dat echt goed gedaan. Daarna hebben we nog heel lang eens in de twee maanden of zo bijeenkomsten belegd met z'n zevenen, zogenaamd omdat er nog een paar koffers over waren van de erfenis met foto’s die nog verdeeld moesten worden. We zaten dan een hele avond heerlijk met elkaar te kwebbelen, vaak bij Marion thuis, omdat die geen oppas had. Op het laatst keken we dan nog een paar dia’s, Joop op een olifant, en dan gingen die koffers weer dicht. Maar op een gegeven moment waren die spullen echt verdeeld. En nu gebeurt dat niet meer.’

Rogier heeft ook goede herinneringen aan wat Joops werk met zich meebracht in huis. Goed, er waren dreigbrieven, maar daar trokken ze zich allemaal weinig van aan. Rogier: ‘Toen ik klein was, vond ik het natuurlijk heel bijzonder om in het Catshuis te blijven slapen. En dan de Molukse gijzelingsacties en de politie die ons toen kwam bewaken - ik was toen al twintig, maar vond het eerlijk gezegd toch heel spannend, jongensboekachtig. Ik ging voetballen met m'n vrienden in de schijnwerpers van die bewakers.’

Ariane trok weer meer op met haar moeder. ‘M'n moeder nam me mee naar allerlei feministische weekenden. Zij had veel belangstelling voor allerlei mensen. Als ik nu mensen tegenkom die haar toen ontmoetten, praten zij met heel veel warmte over haar. Mijn ouders lieten overduidelijk merken dat ze trots op ons waren.’

Saskia is de oudste. Ze treedt als Tweede-Kamerlid zowel in de voetsporen van haar vader (de politiek) als in die van haar moeder (de wens om een eigen leven te leiden naast dat van haar man). ‘We hebben het onszelf nooit gemakkelijk gemaakt. Ik heb het niet gezocht in een groots en meeslepend leven, maar wel in een complex, emotioneel en vol bestaan. Ik houd van mensen, ik ben een mensen-mens. Mijn broers en zusters zijn niet door een smalle poort van de eenheidsworst geperst. We hadden wel heel dominante ouders, heel sterk geprofileerde persoonlijkheden, maar er was altijd ruimte, bewust gemaakte ruimte, om te zijn wie je bent.

We leerden al vroeg niet al te veel ontzag voor ze te hebben. Bij ons gold ook ’‘de meeste stemmen gelden” en dan waren de kinderen in de meerderheid. De ruimte om met elkaar te praten en te discussieren en het niet eens te worden en toch gewoon van elkaar te blijven houden, die hebben wij al heel vroeg ontwikkeld.’

Op een zondagavond komen ze alle zeven samen op de redactie van De Groene. Of acht, want baby Isa, de jongste van Ariane, is ook van de partij. Saskia ontfermt zich over haar, en misschien is het daardoor dat de voorspelling van sommige van haar broers en zussen, dat Saskia waarschijnlijk het gesprek zal domineren, niet wordt bewaarheid. In de zeven voorafgaande gesprekken viel op hoezeer de kinderen van Joop en Liesbeth zich kinderen van de tijdgeest voelen. ‘Kleine stapjes’, ‘beperkte mogelijkheden’, ‘het is nu een andere tijd’, klonk het zodra het over ideeen en idealen ging.
Marten: ‘Nou, het is maar net hoe je het bekijkt, volgens mij sjouwen we ons allemaal rot aan dat ene kleine steentje dat we proberen bij te dragen. Maar het ging om de kwaliteit van het bestaan, toch? Je moet zorgen dat je eigen bestaan ook een redelijke kwaliteit heeft.’
Saskia: ‘Bij ons is het nooit genoeg. We blijven sjouwen en tillen. Maar niet alles wat je wil, kan. Dat zoeken naar de balans is heel lastig, want we zijn opgevoed met het idee: je kunt pas iets niet als je bewezen hebt dat je het niet kunt.’
Marion: ‘Tanden op elkaar, doorbijten. Nog een tentamen, nog een examen.’
Ariane: ‘Maar mijn moeder zei ook altijd zo mooi van: “Zeehondjes zijn ook zielig.” En daar bedoelde ze mee dat er een heleboel onrecht is in de wereld, en dat je niet alles tegelijk kunt, en dat je dus zelf moet ontdekken aan welk onderdeel jij iets kunt bijdragen wat bij je past.’
Marion: ‘Ik ben denk ik alleen maar radicaler geworden in wat er volgens mij allemaal anders zou moeten. Maar wat je daar aan kunt doen, als individu, of als beweging of politieke partij, of als klein landje in een Europese Unie, dat is zo weinig!’
Rogier: ‘Ik wil nog steeds graag in een samenleving verkeren waarin voldoende waarborgen zijn voor mensen die weinig kansen hebben. Maar het is zo moeilijk om tegenwoordig te zien wat dat politiek precies betekent. De partij waar ik nog steeds lid van ben, de PvdA, weet dat ook niet meer.’

Aandachtig luisteren en grote hilariteit wisselen elkaar in hoog tempo af. Er wordt wat afgelachen, maar ook veel weggelachen.
De Uylen zijn op hun hoede. Op hun hoede voor te grote onderlinge verschillen, op hun hoede voor vragen met een actuele politiek lading. En op hun hoede om gekenschetst te worden als somber of als minder strijdlustig dan hun ouders.
Saskia: ‘Ik ben geen pessimistisch mens! Ik ben niet pessimistischer dan mijn vader, laat staan dan mijn moeder.’ Luid lachend: ‘Ik ben eigenlijk van nature een walgelijk optimistisch mens.’
Marten: ‘Er is ons niet alleen meegegeven dat de wereld die je aantreft nog te verbeteren valt, maar ook dat het erg leuk is om dat te proberen.’
Marion schetst de tijd waarin hun ouders politiek actief werden. Herrijzend Nederland, Marshall-hulp, verenigd Europa. Niet de kinderen Den Uyl zijn minder optimistisch, de huidige tijd is minder optimistisch. ‘Je bouwt een Bijlmer vol idealen en dan blijkt dat het groen vooral ruimte biedt aan drugshandel en moorden.’
Rogier: ‘Je bent wat sadder and wiser tegenwoordig. Ontwikkelingshulp is het beste voorbeeld: met alle hulp die we geboden hebben, is het dus toch niet gelukt om in een continent als Afrika echt iets tot stand te brengen.’
Marion, spottend: ‘Ja, we gaven wel bijna anderhalf procent van ons nationaal inkomen - maar 98 procent was dus voor zogenaamd belangrijker doelen. Bovendien bracht die hulp ons meer geld in het laatje dan het kostte.’
Rogier: ‘Jaha, dat weet ik allemaal, maar je ziet dat zelfs met een bevlogen persoon als Pronk. Ondanks al zijn deskundigheid heeft hij bij de Partij van de Arbeid ontzettend veel moeite om mensen ervan te overtuigen dat hij goed bezig is.’
Saskia, het dreigende verschil van opvatting tussen Marion en Rogier bezwerend: ‘De vraag was: hoe smal zijn de marges, waarom de kleine stapjes. Ro geeft daar een toelichting op.’
Marion: ‘Ik krijg ieder jaar hele ladingen eerstejaarsstudenten die allemaal roepen dat ze dat feminisme echt niet meer nodig hebben. De opleiding Organisatie en Management loopt daarentegen fantastisch, driehonderd eerstejaars, hapklare brokken en klaar ben je. Laatst zat ik tijdens een etentje naast iemand die al twintig jaar aan yoga en aswan deed, en ik zei: tegenwoordig kan je er ook veel geld mee verdienen he, want al die managers moeten toch zo'n training. Ik bedoelde dat cynisch, maar hij ging uitgebreid vertellen dat de zaken inderdaad fantastisch lopen.’
Barbara, die tot dat moment heeft gezwegen: ‘Er zijn nu wel meer mensen lid van een actiegroep dan ooit en het bewustzijn van mensen om op hun eigen gebied iets niet te pikken is ook veel groter dan vroeger.’
Als er een enorme toren komt bij het Amstelstation klaagt notabene de krant dat er niet tegen geprotesteerd is.
Barbara: ‘Maar wat in de krant staat is het allerlaatste wat je moet geloven. De invloed van de ouders op het onderwijs, de invloed van de buurt op wat er wordt gebouwd - dat is veel groter dan vroeger, dat is allemaal winst, dank zij de jaren zestig.’
Terwijl jullie ouders, en met name Joop, nadrukkelijk probeerden de tijdgeest te beinvloeden, lijken jullie je neer te leggen bij de (on)mogelijkheden van de tijd.
Rogier: ‘Ja, dat klopt.’
(Instemmende stilte)
Xander: ‘Mijn ouders hadden de tijdgeest mee. Ze hebben hem niet radicaal beinvloed, hij lag in hun lijn. De tijd waarin we nu zitten, is aan anderen.’
Barbara: ‘Ik geloof dat mijn ouders helemaal niet zo optimistisch waren, en misschien wel net zo gelaten als wij. Mijn vader was zeker de laatste tien jaren weinig optimistisch, hij deed de dingen meer uit een gedrevenheid en een plicht aan zichzelf, omdat hij vond dat hij het moest doen. Mijn moeder heeft in een heel ander tempo een heel andere ontwikkeling doorgemaakt.’
Marion: ‘Maar zij was ook heel realistisch. Weet je nog met de Moeders in Argentinie? Ze heeft zich toen ingezet voor een bejaardentehuis voor die moeders die geen zonen meer hadden. Zij richtte zich heel realistisch op de minimale dingen die je echt van de grond kunt krijgen.’
Toch stort Saskia zich er nu weer volop in. Of niet?
Saskia begint met parlementariërsstem: ‘In de tijd van mijn vader was de samenleving eenvoudiger, de wereld is complexer geworden, de mensen zijn mondiger. Dat betekent dat groepsgewijze of grootschalige oplossingen hun tijd gehad hebben, dat de oplossingen voor problemen gedifferentieerder zijn, dat de overheid niet meer altijd degene is…’
Dat zijn politieke cliches.
Saskia: ‘Nee, laat me even uitpraten. Ik heb het over hoe je binnen een geindividualiseerde samenleving toch solidariteit van mensen vorm kunt geven. Dat zijn dezelfde issues als die van veertig, vijftig jaar geleden, er zijn alleen andere oplossingen voor nodig. Ik ben niet minder idealistisch dan mijn vader, maar de oplossingen zijn niet meer zo gratuit.
Nee, gratuit is het verkeerde woord: ze zijn minder makkelijk.’ Een instemmend geroezemoes stijgt op.
De voorbeelden die je eerder in het interview noemde, voorbeelden van waar jij je als parlementarierdruk over maakt, klonken niet zo hoogdravend. Je noemde bijvoorbeeld het kwijtscheldingsbeleid van de onroerend-goedbelasting.
Saskia: ‘Ik vind de inkomenspositie van de mensen in de steden helemaal geen kleine zaken, dat vind ik heel wezenlijk.’
Mis je niet de grote concepten?
Saskia: ‘Ik wantrouw grote concepten.’
Xander: *‘Nou, ik niet.’
*Barbara:
‘Ik ben blij dat de politiek af en toe iets kleins kan bereiken, maar om dan meteen te zeggen dat je idealen wantrouwt…’
Rogier: ‘En ook al wil je niet aan grote concepten, je kunt toch af en toe wel doelen formuleren, waar je naar toe wilt. Je kunt zeggen dat oplossingen liggen in het kleine, in maatwerk. Ik zou toch wat meer principes willen horen van waaruit men dan steeds naar die oplossingen zoekt. Ik kan bijvoorbeeld nooit aan iemand uitleggen hoe het kan dat de VVD en de PvdA nu in een kabinet zitten.’
Saskia kan het uitleggen.
(Algemeen protest: wat flauw van de journalisten om Saskia aan te spreken als politica.)
Saskia: ‘Het is een verstandshuwelijk, het is niet een nieuwe kleur, het is ook niet een nieuw concept, het is een pragmatische samenwerkingsrelatie om een aantal stappen te kunnen zetten die blijkbaar op een andere manier niet gezet konden worden. Meer niet, en dat is maar goed ook.’
Xander: ‘Volgens mij is er wel een overheersende ideologie, een ideaal op dit moment, alleen is dat niet het sociaal-democratische of het marxistische ideaal, maar het oud-liberale kapitalistische ideaal. De crisis van de PvdA is natuurlijk al vijftien jaar aan de gang. We hebben geen antwoord op bepaalde maatschappelijke ontwikkelingen, we dachten dat mensen gelukkig werden als ze een auto hadden en goede sociale voorzieningen en dat bleek niet zo te zijn. Ja, het kapitalisme heeft gewonnen.’
De rest moet hem daarin gelijk geven, alleen Saskia, aartsoptimist, sputtert tegen.
Ariane is minder beinvloed door de tijdgeest van de jaren zestig en zeventig.
Ariane (stralend): ‘Ja, en zie wat ik aan het doen ben: ik ben nog het meest idealistisch van allemaal, ha! Als Saskia zegt dat de maatschappij ingewikkeld in elkaar zit: volgens mij was dat vijftig jaar geleden evengoed zo, en daar kun je op heel veel verschillende manieren mee aan de slag. Ik krijg heel vaak de vraag of een politieke carriere niks voor mij is, maar het nadeel van politiek vind ik dat je dan zoveel af moet doen van je ideeen. Als je werkt bij een belangenorganisatie zoals ik tot nu toe gedaan heb, kun je zeggen wat je echt denkt. En je bereikt ook nog wat. Dat zijn weer die beroemde kleine stapjes waar we iedere keer op komen. Ik heb geen groot concept, maar dat weerhoudt me er niet van om iets te doen.’
Marten, met zijn typerende mengeling van gedragenheid en kwajongensachtigheid: ‘Je kunt zeggen dat er in onze samenleving maar twee wezenlijke politieke problemen liggen. Het probleem van de internationale solidariteit en het probleem van de nationale solidariteit. Het probleem van de internationale solidariteit is rationeel voor een groot deel oplosbaar, ik weet de oplossing niet maar het is rationeel gezien oplosbaar. De politieke instituties deugen niet voor de problemen van vandaag. Essentieel is dat er een zekere autoriteit zou moeten zijn die tegen politieke leiders kan zeggen dat ze niet deugen.’ Hij pauzeert even, de anderen luisteren stil.
Marten: ‘Maar nu het andere probleem, de binnenlandse solidariteit, de dreigende tweedeling tussen diegenen die iets constructiefs bijdragen aan de samenleving, iets dat ook door anderen gewaardeerd wordt, en degenen die dat niet kunnen en die alleen in eigen kring gewaardeerd worden. De maatschappij ontwikkelt zich zo dat steeds meer mensen steeds minder betekenen voor de samenleving. Daar heeft niemand ook nog maar het begin van een oplossing voor. Ik zelf ook niet. De technologische samenleving is in principe, het duurt nog een aantal decennia, maar in principe heel goed in staat om de maatschappij draaiend te houden, terwijl er nauwelijks meer menselijke arbeid aan te pas komt. Of het een ideaal is weet ik niet, dat is juist het punt, maar die kant gaat het op.’
En daar ben jij hard mee bezig.
Marten: *‘Nou, daar ben ik heel bescheiden mee bezig.’
*Marion:
‘Dan komt er misschien eindelijk ruimte voor een 25-urige werkweek, dat ideaal van Joke Kool- Smit, ruimte voor herdefiniering van emoties, zorg, kinderzorg, voor een andere relatie tussen mens en milieu.’
Xander: *‘Ik vrees dat we een hele andere kant uitgaan, in de richting van de *working poor, een nieuw massaproletariaat, mensen die de godganse dag bezig zijn en die absoluut geen tijd hebben om na te denken over al die mooie dingen die jij noemt. We zijn verdomd hard op weg naar een samenleving van have’s en ’have-nots‘ waarbij de have’s ook geen leven hebben, want die zijn voortdurend bezig hun eigen bezit te beschermen.’
Marion: ‘Precies. Wat ik net zei, bedoelde ik cynisch. Het is wel wat ik hoop, maar ik vrees dat jij gelijk hebt. We gaan toe naar een kleine minderheid van mensen die beladen zijn met interactieve piep-piepjes en beslissingen nemen en af en toe een kwartiertje yoga doen om hun maagzweer in controle te houden. En een grote meerderheid van mensen die zorgen dat die kleine minderheid functioneert. Het model van de kostwinner en de huisvrouw die zorgt voor de reproduktie wordt langzamerhand uitvergroot op wereldschaal, tussen wit en zwart, tussen Noord en Zuid.’
*Barbara: *‘Daarom is het een probleem dat vandaag de dag het marxisme als theorie heeft afgedaan. Want Mari, en daar ben ik het heel erg mee eens, heeft het in feite over een boven- en een onderklasse.’
*Marten: *‘Wat je krijgt, is het nieuwe Amerikaanse model van verborgen werkloosheid dat eigenlijk als twee druppels water lijkt op het oude Russische model van verborgen werkloosheid. Als je een hamburger eet, betaal je twee keer te veel voor die hamburger, zodat er twee, drie, vier, vijf mensen aan je tafel staan, die allemaal staan te vragen of het goed met je gaat, of je nog een beetje ketchup wilt. Omdat ze niet officieel werkloos mogen zijn, staan ze je voor vijf dollar zestig per uur van het rustig eten van een hamburger af te houden. In feite worden die mensen ervan weerhouden om iets zinnigs met hun leven te doen, want het is hondewerk om tien uur per dag aan zo'n tafel te vragen of die hamburger smaakt of niet.’

Jullie zijn opgevoed met een sterk arbeidsethos. We zitten inmiddels in een tijd dat je daar weinig meer mee kan. Zijn jullie voor een basisinkomen?
Het gesprek vindt plaats voordat minister Wijers zijn ballon daarover heeft opgelaten, wat niet wegneemt dat ook onder de Uylen prompt een hels gekrakeel losbreekt. Het blijkt vier tegen drie: Saskia, Rogier en Xander zijn tegen, Ariane, Marten, Barbara en Marion zijn voor.
Is het toeval dat degenen die partijpolitiek actief zijn - of, in het geval van Xander, tot voor kort waren - tegen zijn?
Xander: ‘De politieke realisten hier zijn ertegen en de politieke idealisten zijn ervoor.’ (Opgelucht gelach.)
Saskia: ‘Ik ben er helemaal niet voor. Omdat het heel moeilijk is voor mensen - en dan heb ik het niet over mensen met hele bijzondere vaardigheden, maar over gemiddelde mensen - om zonder betaalde arbeid hun leven een zinvolle inhoud te geven.’
Marion: ‘Het is ook moeilijk voor mensen met betaalde arbeid hun leven een zinvolle inhoud te geven!’
Saskia: ‘Maar je hebt collega’s, je dag heeft een ritme en je dag heeft een kop en een staart.’
Ariane: ‘Maar het is niet gezegd dat dat zinvol is.’
Marten: ‘Zoals de samenleving nu in elkaar zit, moet arbeid twee heel verschillende behoeften van mensen bevredigen: de behoefte tot zelfverwerkelijking, en de behoefte aan geld, levensonderhoud. Het is nergens voor nodig dat die twee verstrengeld zijn, en ik denk dat het voor de principiele discussie dringend gewenst is die dingen te ontkoppelen. Ik ben voor een basisloon omdat de technische samenleving inmiddels in staat is om met een minimaal aantal noodzakelijke taken mensen van het nodige te voorzien. En ik vind dat in principe iedereen die deel uitmaakt van deze samenleving daar recht op mag laten gelden.’
Xander: *‘Dit zijn de oude communistische idealen, die ik hier nog een keer hoor - (cynisch) dat spreekt mij bijzonder aan. Kijk, ten eerste geloof ik er dus niets van dat we toe gaan naar een samenleving zonder menselijke arbeid en ten tweede maak je met een basisinkomen de have-not’s absoluut afhankelijk van de bereidheid van de have’s om iets over te dragen. Het goeie van arbeid is dat je dank zij je arbeid macht hebt.’
Ariane, terwijl ze baby Isa de borst geeft: ‘Opvoeding en school zouden veel meer gericht moeten zijn op jezelf zinvol bezig houden, zinvol bijdragen aan de maatschappij, los van betaald werk. Wij zeggen toch niet voor niets allemaal dat we het bevredigend vinden om aan onze idealen te werken, nog los van of die idealen uitkomen? Voor mij is dat niet zo logisch, dat arbeidsethos.’
Marten wil nog rechtzetten dat hij er communistische ideeen op na zou houden, maar hij komt er niet meer bovenuit.
*Xander:
‘Dus je gaat nog meer geld geven aan mensen die het al hebben.’
*Marten (glimlacht fijntjes): *‘Ik heb helemaal niet gezegd dat het niet gecompenseerd zou moeten worden in de belastingen.’

Zo moet het vroeger thuis, op de zondagmiddagen, ook ongeveer zijn toegegaan: fel met elkaar oneens, maar de stemming blijft gemoedelijk. Of is dat omdat er journalisten bij zitten?
Rogier: ‘Ik ben er niet voor om mensen zo sterk de vrije hand te geven in wat ze gaan doen in het leven. Een basisinkomen kan alleen in combinatie met een overheid die in staat is om die mensen zodanig aan te sturen dat ze heel goed terecht komen.’
Marion: ‘Welke overheid? Dat stelletje heren dat daar zit?’
Rogier: ‘Zorg dan dat er betere heren en dames komen! Ik ben wat dat betreft net als Joop: of je doet het met de mensen die er zitten, of je zorgt voor betere poppetjes. Maar het systeem, dat laten we zo.’
Marion: ‘Dat is precies wat ik aanval.’
Saskia betoogt dat een basisinkomen onbetaalbaar is en dat niemand meer het vieze werk zal willen doen. Bovendien gaat een basisinkomen ten koste van de derde wereld.
Xander: ‘Nou is Barbara.’
Jullie voelen aan dat zij iets wil zeggen?
Saskia: *‘Jaaa, dat gonst zo!’
*Barbara:
‘Wat een onzin dat een basisloon ten koste zou gaan van de derde wereld, dat vind ik typisch moderne PvdA-uitspraken. De derde wereld wordt uitgebuit omdat mensen daar voor een hongerloon werken en wij daar voor niks spullen vandaan halen en dat eeuwen lang gedaan hebben. En het is waanzin dat de samenleving de uitkeringen niet meer zou kunnen opbrengen. Zolang een schat van geld en rijkdom en welvaart slechts ten goede komt aan een klein gedeelte van de mensen, kun je niet degenen die minder hebben tegen elkaar uitspelen.’
Dat is dus tegen Saskia?
Barbara: ‘Ja, dat is tegen Sas en vroeger natuurlijk ook tegen m'n vader, en het is tegen Kok. (Er wordt hard gelachen, vooral door Saskia.) De economie is een waanzinnig systeem. Een huis bouwen, dat is voor mij tien mensen die stenen op elkaar metselen en kozijnen zetten, dat is de waarde van de dingen, maar een huis kost drie ton. De makelaar verdient in een half uur dertigduizend gulden. Ik heb zelf altijd moeite gehad met geld uitgeven. Toen ik WW had, vond mijn vader dat ik me daar schuldig over moest voelen, maar mijn moeder zei: “Het is goed voor de winkelier als jij iets koopt.”’
Saskia, jij zat vroeger achter die frauderende bijstandtrekkers aan.
Saskia: ‘Jazeker. Het is waar dat de inkomens te ongelijk verdeeld zijn. Wat ik echt schandelijk vind, is dat de afgelopen tien jaar het verschil tussen de rijken en de armen groter is geworden. Armen elf procent armer, rijken twintig procent rijker in koopkracht. Maar dan betekent niet dat je bijstandsfraude niet zou moeten vervolgen.’
Staat de Partij van de Arbeid nog voor verkleining van de inkomensverschillen?
Saskia: ‘Ja, in beginsel wel, dat staat… ('in principe’, roepen de anderen hard lachend in koor) … als je kijkt naar het regeerakkoord… (nog meer gelach) getverdemme, maar mag ik even? Nee, ik vind het eigenlijk veel belangrijker wat ik er zelf van vind, en dat is dat, nu de economie wat aantrekt, er behoorlijk genivelleerd moet worden. En verder zou je erover moeten denken of je gegevens over belastingfraude niet net zo goed openbaar moet maken als uitkeringsfraude, waarbij mensen vaak met initialen in de krant staan.‘
Ga je een voorstel indienen?
Saskia: *'Nou, ik sluit het niet uit.’
Marion tegen de anderen aan tafel: ‘Hebben jullie wel jullie boekhouding gecontroleerd? Ik denk vaak: misschien zijn dit de laatste stuiptrekkingen van een systeem dat zichzelf volkomen heeft overleefd. Een achterhaalde witte mannelijke westerse beschaving.’
*Dat is nog positief uitgedrukt. De wereld valt uiteen, Joegoslavie…

In sneltreinvaart wordt nu de hele wereld behandeld. Grenzen aan de groei, asielzoekers, cultuurrelativisme.
Marion: ‘Als je kijkt naar reproduktieve controle: tachtig miljoen besneden vrouwen.’ Er wordt gelachen.
Dit is toch niet echt lachwekkend.
Xander: *‘Jaha, je hebt wel gelijk. Maar het is zo erg, te erg. Vreselijk. En daarom moesten we even lachen.’
*Marion, onverstoorbaar:
‘In China is in sommige provincies de verhouding tussen meisjes en jongens een op vijf, China heeft een overschot van veertig tot vijftig miljoen huwbare mannen. Dus het laatste wat ik bedoel is cultuurrelativisme.’
Marten: *‘Ik heb het gevoel dat we aan het einde van een tijdperk zitten, een transitie, of dat nou een ondergang van onze beschaving is of een overgang naar iets waar we nog geen beeld van hebben, maar het is het gevoel dat dingen nu zo hard veranderen dat dat niet eindeloos door kan gaan.’
*Is het nou toeval dat jij als ondernemer, bezig met geavanceerde technologische toestanden, de meest hoogdravende idealen hebt van jullie zeven?

Marten: *‘Ik zie die grote verbanden misschien juist scherp omdat ik niet de pretentie heb iets van die ideeen te kunnen realiseren. Ik heb een sterke splitsing aangebracht tussen wat ik dagelijks doe en wat ik denk.’
*Barbara: *‘Het heeft niets met Martens ondernemerschap te maken, het heeft te maken met het feit dat hij het langst over de middelbare school heeft gedaan, zich het meest in z'n kamer opsloot, het laatst aangekleed was en het laatste opstond en dus gewoon het meeste heeft nagedacht.’
*Saskia:
‘Ik denk niet dat je op deze manier een maatstaf kunt aanleggen voor de mate waarin wij ideologisch bevlogen zijn. Ik werk en redeneer wel degelijk vanuit idealen.’
Ariane: *‘Misschien zit politiek wel zo in elkaar dat de brede concepten bewaard worden voor de 1mei-redes en dat in de Tweede Kamer…’
Gejoel.
*Ariane: *‘Nee, ik bedoel dat helemaal niet negatief. Je kunt toch niet bij ieder concreet punt een verhaal houden over rechtvaardigheid enzo?’
*Rogier: *‘Maar het ging eigenlijk over de vraag in hoeverre wij nog grote idealen hebben. Ik heb “spreiding van inkomens, kennis en macht” nog steeds in mijn hoofd rondzoemen. Waarom heeft Kok als minister van Financien niet ontzettend hard de belastingwetgeving aangepakt om zo - waar Saskia zich ook kwaad over maakt - de verrijking van de rijken tegen te gaan? Ik verlang naar iets meer polarisatie, meer praten in termen van idealen.’
*En je hoopt nu dat Saskia dat gaat doen?

Geloei. Ze willen niet dat politieke verschillen van mening in persoonlijke zin worden uitgespeeld.
Rogier: *‘Als ik naar Saskia kijk, dan zie ik niet de PvdA voor me. Saskia is mijn zus.’
*Saskia:
‘In het parlement gebeuren wel dingen, daar worden wetten gemaakt, maar de samenleving wordt daar niet gemaakt, dat doet die samenleving ongeregisseerd met elkaar. Dat is benauwend, maar ook spannend en uitdagend. En er kijken heel wat meer mensen naar de films van Bar dan naar een kamerdebat.’
Xander: ‘Bar d'r films en Ro z'n opdrachten en ik m'n onderhandelingen en Aar d'r vluchtelingen en Maar d'r studenten, en iedereen moet z'n produktienormen halen.’
Zo zijn jullie opgevoed en daar zijn jullie ook trots op?
Marion: *‘Het is vreselijk om zoveel te moeten, en het is heerlijk om zoveel te moeten.’
*Rogier:
‘Ik vind het een enorm probleem. Ik vind het heerlijk om hard te werken, maar aan de andere kant heb je je gezin, kinderen, partner, moet je proberen je emancipatie- ideeen ook concreet te maken.’
Op Ariane na lukt het jullie geen van allen om huishouden en kinderen eerlijk te delen.
Marion: ‘Maar wat is eerlijk? Sas en Theo doen het heel eerlijk: zij zijn geen van beiden thuis tussen negen en vijf. En ikzelf doe het ook heel eerlijk, ik doe alles zelf. En Bar, Henk is laatst nog met de kinderen naar Artis geweest.’
Het basisinkomen mocht dan veel discussie losmaken, het haalt het niet bij het probleem van het moderne huisgezin.
Ariane: ‘Het ideaal is toch hoop ik niet allebei veertig uur?’
Marion: ‘Nee, natuurlijk niet. Het ideaal is een andere opvatting over wat arbeid en wat zorg is, het oude socialistisch-feministische ideaal van een fundamentele maatschappelijke verandering, een herdefiniering van emoties, relaties, arbeid, zorg en menselijke waarden. Dat heeft te maken met milieu, met bouwen, met…’
Xander: ‘Nou, nou, nou, Mar!’
Rogier: ‘Zelfs als het normaal zou worden om niet meer dan drie dagen per week te werken, denk ik dat een aantal van de mensen hier aan tafel zestig uur zou werken.’
Ariane: ‘En ook zul je dan zien dat de vrouwen verhoudingsgewijs meer aan de kindertjes doen en de mannen meer zullen lezen en achter de computer zitten.’
Jullie doen alle zeven iets wat je graag doet. Niemand is aan de drugs geraakt, uit de bocht gevlogen, terwijl dat statistisch toch heel normaal zou zijn.
Xander, ironisch: *‘Niet in onze kringen.’
*Marion:
‘Ja, precies. Als je kijkt naar onze generatie, met een calvinistische achtergrond, middenklasse, middelbare schooldiploma, belezen - daar is het percentage dat uit de bocht vliegt niet groot. En bovendien hebben we van huis uit een bijna ergerniswekkende vasthoudendheid. Door het volle huis, de dominante ouders, waren we gedwongen het vermogen te ontwikkelen om enerzijds te incasseren en toch steeds terug te komen, door te zetten. En we kunnen altijd weer om iets lachen.’
Marten: ‘Je kunt niet zeggen dat we socialistische normen hebben meegekregen, of juist calvinistische. Het waren de meest elementaire humanistische. Een mens is belangrijk en mensen moeten de ruimte krijgen om te worden wat ze kunnen worden.’
Saskia: ‘En creativiteit is belangrijk, en kritisch denken, en je weren is belangrijk, en initiatief nemen.’
Marion: *‘En hard zijn voor jezelf is héeéeéel belangrijk.’
*Rogier:
‘Dingen werden niet zo uitgesproken, maar we hadden onze ouders als voorbeeld. En uit de psychologie is genoegzaam bekend dat voorbeelden de beste manier zijn om je iets eigen te maken.’
Barbara: *‘Ik heb mijn studie niet afgemaakt en dat vond mijn vader verschrikkelijk. En toen ging ik lesgeven en dat vond hij ook niks, en toen hield ik op met lesgeven en vond hij dat verschrikkelijk, en toen ging ik films maken en dat waardeerde hij eigenlijk ook niet. Dus de stappen op zich werden zeker niet altijd gewaardeerd, maar er zat wel altijd iets onder, en dat voelde je.’
*Saskia:
‘Ze waren altijd trots op ons.’
Barbara: ‘Het was eigenlijk nooit goed genoeg. Dan had ik een acht voor geschiedenis en dan zei hij: “Waarom is het geen negen?” Maar dat deed hij alleen maar om je uit te dagen.’
Ariane: ‘Behalve bij mij.’
Allen: ‘Maar jij had altijd een negen!’
Barbara: ‘Je moet er nog een ding aan toevoegen, en dat is dat wij allemaal heel jong een vaste relatie hadden en daar allemaal heel trouw in waren. Dat is misschien ook de voorbeeldwerking van onze ouders. We hebben dat natuurlijk ook als model gezien. Maar een vriendin van mij zei eens dat wij eigenlijk allemaal vastigheid, zekerheid zoeken.’
Marten: *‘Het was een zo stimulerend en bij tijden ook chaotisch gebeuren thuis, ik zie wel wat in de redenering van die behoefte aan zekerheid. Je hebt al zoveel relationeel gedoe gehad in je jeugd - ik heb in geen enkele periode van mijn leven zoveel ruzie gemaakt als in mijn jeugd met m'n broers en zusters, en dat zie ik als zeer positief. Maar daarna wilde ik misschien juist helderheid, stabiliteit. Al zal ik dat toen gelukkig nooit zo geformuleerd hebben.’
*Ariane:
‘Voor bijna iedereen geldt dat we tijdens de puberteit met een relatie zijn begonnen en dat hebben volgehouden. Dat betekent misschien dat we daarna niet meer zo sterk veranderd zijn dat daardoor een relatie stuk zou gaan. We zijn blijkbaar goed in het in stand houden van relaties. Ik vind dat positief. En dat geruzie geldt voor mij niet.’
*
Het opkomen voor mensen met minder kansen zit er bij jullie allemaal in.*
Marion: *‘Ontwaakt verworpenen der aarde!’
*Barbara:
‘Dat is net zoiets als het geloof, daar kom je niet meer van af. Ik vind het niet terecht om socialisme en religie met elkaar te vergelijken, maar op dit onderdeel wel.’
Marion: ‘Hoe zit het dan met het “als je op je twintigste niet links bent heb je geen hart, en als je op je veertigste niet rechts bent heb je geen verstand”? Waarom hebben wij die betrokkenheid wel gehouden?’
Rogier: *‘Omdat het er niet expliciet ingehamerd is. We hebben ons op allerlei punten tegen onze ouders verzet, maar juist op dat punt nauwelijks, omdat het nooit zo als boodschap is ingeprent. Het was bij Joop en Liesbeth geinternaliseerd, het sprak vanzelf en is daardoor op een prettige manier overgebracht.’
*Saskia:
‘Het waren de glimoogjes van mijn vader, en de groene oogjes van mijn moeder die af en toe zo konden kijken van: zo moet het. Dus door woordeloze invloed.’
Geven jullie dat nu allemaal weer mee aan je kinderen?
In koor: ‘Ja, dat hoop ik.’
Ariane, die inmiddels rondloopt met baby Isa: ‘Wist ik maar hoe ze dat hebben gedaan. Juist omdat het impliciet was, weet ik niet hoe ze het hebben meegegeven.’
Marion: *‘Roos, mijn dochter, had als onderwerp van haar eerste spreekbeurt: “Racisme, feminisme en emancipatiebeleid”. En dat in tien minuten. Toen was ze elf. Een gewaagd onderwerp, zei de leraar.’
*Barbara:
‘Ariane hield toen ze twaalf was een spreekbeurt tegen roken. Terwijl iedereen thuis rookte.’
Ariane: ‘En ik werd vegetarier en heb mama vegetarisch gemaakt.’
*Saskia: *‘En Aar is opgegroeid zonder allerlei regels en ze besloot alles zo verstandig, dat wij allemaal zeiden: als wij ooit kinderen krijgen, willen we dat ze allemaal zoals Aar zijn.’

Het gesprek is nog niet afgelopen of er ontbrandt een regelarij over tweede kerstdag. Marten doet het vlees, Saskia ‘vegetarisch vlees’ en soep, Marion doet het toetje, Rogier doet de sla (‘da’s een makkie’), Xander doet het voorgerecht. Voor Ariane (‘Ik dacht nog van tevoren: laat ik nu vast bedenken wat ik wil doen’) blijven de aardappelen over. En Barbara? Die doet de groenten.