Integratie De media, de beeldvorming en de beeldvormers

De blik van blanke, hoogopgeleide mannen

De journalistiek kreeg eerst het verwijt dat ze de problemen van immigratie onder de tafel had geveegd. Nu zitten media in het beklaagdenbankje omdat ze de multiculturele samenleving te negatief ‘framen’. Te positief, te negatief - het wordt tijd voor mainstreaming.

PRECIES ZES JAAR geleden schoot in een volle schoolkantine een leerling conrector Hans van Wieren van het Terra College dood. Deze daad zorgde dagenlang voor een mediacircus bij de Haagse vmbo-school. Cameraploegen verdrongen zich in de berm rond de rouwende allochtone leerlingen. In talkshows raakten sociologen en politici niet uitgepraat over de oorzaken. Dat de dader van Turkse afkomst was, maakte het tot méér dan een uit Amerika overgewaaid fenomeen van een schietende scholier: de moord was ook een symptoom van mislukte integratie en van falende beleidsmakers, die niet in staat bleken om etnische spanningen te deëscaleren.
De impact in de media van dit dramatische voorval kent vele variaties: Gouda, Slotervaart, de Rivierenbuurt, Culemborg - het zijn namen die in de afgelopen jaren synoniem werden voor de rafelranden van de multiculturele samenleving. Geweldsuitbarstingen door allochtone jongeren leiden steevast tot landelijk nieuws en stellige pro- of anti-stukken op de opiniepagina’s. In het kielzog daarvan verschijnt de ene na de andere wetenschappelijke studie over met name moslims en Marokkanen. In dit discours blijft echter vaak een complexe vraag in de lucht hangen: hoe verhouden deze incidenten zich tot de ware omvang van een sociaal-maatschappelijk probleem?
Peter Vasterman, mediasocioloog verbonden aan de Universiteit van Amsterdam, deed onderzoek naar mediahypes en constateert dat de presentatie van dit soort voorvallen een herhaling van zetten is. ‘Het is niet geen nieuws, maar zo'n twintig jaar geleden waren gebeurtenissen zoals in Gouda en Culemborg lokaal nieuws waar de regionale pers zich op stortte. Nu wordt zoiets meteen dagenlang groot landelijk nieuws. Er ontstaat een bepaald beeld en alles wordt ondernomen om dat beeld te bevestigen.’
Dit patroon is volgens Vasterman ingezet vanaf ongeveer 2000: 'Op de vleugels van de Fortuyn-revolte zijn media allochtonen negatief gaan “framen”. Fortuyn opende de aanval op de kwaliteitsmedia die volgens hem al jaren blind en doof waren voor de problematische kant van de multiculturele samenleving. De ene krampachtigheid sloeg om in de andere. Ieder taboe over immigratie moest doorbroken worden. In het algemeen kenmerkt een hype zich door een vermeend causaal verband tussen de media-aandacht, de omvang van het sociale probleem en de maatschappelijke en politieke bezorgdheid. Bij alle hypes zie je dat niet de objectieve ernst bepalend is voor de mate van verontrusting, maar eerder de manier waarop het wordt geconstrueerd. Het proces van constructie van afzonderlijke incidenten tot een maatschappelijk probleem zie je bij uitstek plaatsvinden bij thematiek over allochtonen. De vraag is ook: spelen media een volgende of een aanjagende rol in de beeldvorming over de multiculturele samenleving?’
Aanjagend was het essay Het multiculturele drama van Paul Scheffer, dat deze maand tien jaar geleden verscheen. In zijn betoog met de focus op de minder geslaagde kanten van immigratie stelde hij weliswaar niets nieuws, maar vanwege zijn linkse signatuur en het medium - de opiniepagina van NRC Handelsblad - sloeg zijn boodschap in als een bom. De terroristische aanslagen van 9/11 en de moorden op Pim Fortuyn en Theo van Gogh hadden nog niet eens plaatsgevonden. In de realiteit van toen entameerde Scheffer een polarisatie over de multiculturele samenleving die volgens Vasterman tot op heden doorgaat. Daarmee lijkt Scheffer de kritiek van Fortuyn te bevestigen. Zijn perspectief botste toen kennelijk op de gangbare visie, want anders ontstond er niet zo veel commotie, vooral onder columnisten, over dit ene essay. Hadden de kwaliteitsmedia tot dan toe gefaald?
Frank van Vree, hoogleraar journalistiek en cultuur aan de Universiteit van Amsterdam, reflecteert op die kwestie in zijn bijdrage aan de essaybundel Tussen de regels: Vijf jaar verslaggeving in de Volkskrant (2006). Zijn de kwaliteitsmedia voertuig van een politiek correcte, blinde, bevooroordeelde, arrogante, naar binnen gekeerde linkse elite? vraagt Van Vree zich in De mythe van de linkse kerk af. En verhinderden zij, zoals oud-hoofdredacteur van Trouw Jan Greven enkele weken na de moord op Fortuyn had geconstateerd, 'iedere fundamentele discussie over religie, homoseksualiteit en de multiculturele samenleving omdat zij nu eenmaal op demoniserende wijze omgaan met iedereen die anders denkt over andere culturen en allochtonen dan als gangbaar en correct wordt beschouwd’?
In een antwoord hierop refereert Van Vree aan een enquête onder lezers van Trouw uit 2005 die exemplarisch is voor de andere kwaliteitskranten. Daaruit bleek dat tachtig procent de media 'altijd of meestal vertrouwt’. Van de alom gesignaleerde kloof tussen de media en het publiek lijkt volgens hem geen sprake. Slechts een paar procent voelt zich in de afgelopen jaren door de media misleid in berichtgeving over de integratie van allochtonen. Verder stoort slechts vijftien procent zich aan de gesuggereerde tekortkomingen van de media, zoals sensatiebelustheid, het uitvergroten van conflicten en zwart-witberichtgeving, over de multiculturele samenleving: te positief of juist te negatief nieuws.
Van Vree constateert dan ook dat het beeld van de media zélf onderhevig is aan vertekende beeldvorming: 'De manier waarop over de media wordt gesproken is illustratief en veelzeggend; illustratief, omdat er sinds de Tweede Wereldoorlog zelden zo vele en zo tegenstrijdige strong opinions over de kranten zijn geventileerd als de laatste jaren, óók door de lezers van de krant zelf; en veelzeggend omdat deze opinies zo vaak gebaseerd lijken op selectieve waarneming en weinig realistische voorstellingen van het functioneren van de journalistiek.’

DE VERMEENDE SELECTIEVE perceptie van de media ontzenuwt Van Vree door de krantenleggers van de Volkskrant van zes jaar voorafgaand aan 2002 te scannen op criminaliteit onder Marokkanen. Hij telt meer dan honderdvijftig kritische artikelen over dit onderwerp, waarvoor de krant vanuit politieke correctheid altijd de ogen zou hebben gesloten. 'Het beeld dat in het publieke debat over de media werd opgeroepen, was in veel opzichten negatiever dan de feiten zouden doen vermoeden’, concludeert Van Vree.
Hoe is dan die vertekende beeldvorming over de beeldvormers ontstaan? Vasterman: 'Er werd vóór Fortuyn voortdurend geschreven over problemen, alleen gold de sociaal-economische achterstand als verklaring en was het daardoor op termijn oplosbaar. Later kreeg de cultuur van de allochtonen, en dan met name de religie, de schuld. Dát biedt een minder rooskleurige uitweg voor problemen.’
Van Vree’s verklaring is: 'De berichtgeving over problemen miste in de tijd van Paars politieke urgentie. Er werd niet de politieke betekenis aan toegekend die ze later, na 9/11 en de opkomst van Foruyn, kregen. Het gevolg was dat de verhalen doodvielen.’
Dat impliceert volgens hem tevens dat de invloed van de media op de politiek veel minder groot is dan vaak wordt aangenomen: 'De journalistiek drijft voor een groot deel op conventies. Niet alleen de onderwerpen, ook het perspectief en de kaders waarbinnen de gebeurtenissen worden geplaatst zijn doorgaans niet bewust gekozen, maar veelal het resultaat van ingesleten routines en algemeen geaccepteerde professionele normen.’
Maar als je weet wíe die normen op de werkvloer bepaalt, wordt de kritiek op de vooringenomenheid van de kwaliteitsmedia bevestigt. Communicatiesocioloog Mark Deuze beschrijft in zijn promotieonderzoek Journalists in The Netherlands (2002) de journalistiek als 'een dichtgeslibde wereld die wordt gedomineerd door blanke, hoogopgeleide mannen van middelbare leeftijd achter bureaus, die honkvast, links en kritisch en tegelijk gereserveerd en sceptisch zijn. De gemiddelde journalist staat nauwelijks open voor het publiek waarmee hij zelden contact heeft.’ Dit onderzoek verklaart tevens waarom allochtonen zich niet herkennen in de media en achterdochtig staan tegenover de objectiviteit van de pers.
In het onderzoek De vele kleuren van het nieuws (2008) concludeert Danielle van Wallinga, student communicatiewetenschap aan de Vrije Universiteit in Amsterdam, dat etnische groepen de media geen goede afspiegeling vinden van de multiculturele samenleving: 'Allochtone jongeren vinden nieuws over zichzelf bevooroordeeld en ongeloofwaardig, of het nu positief of negatief is.’ Tegelijk zijn zij geen voorstander van een positieve selectie van allochtone 'gezichten’ in het nieuws. Ze zeggen bijvoorbeeld de voorkeur te geven aan een autochtone in plaats van een allochtone presentator van het nieuws.
Als allochtonen allergisch blijken te zijn voor een te grote nadruk op allochtonen in de berichtgeving of voor het bewust inzetten van gekleurde gezichten op tv, dan wordt het tijd voor een andere koers: meer diversiteit op de werkvloeren van de media waar de selectie en de blik op de samenleving worden bepaald. En voor mainstreaming van nieuws over de multiculturele samenleving.

DAT NEEMT NIET WEG dat door het Fortuyn-effect journalisten voorlopig in verwarring zijn over hun rol in het brengen van 'neutraal’ nieuws en het agenderen van maatschappelijke thematiek. Het nieuwe beleid dat werd ingezet onder het motto 'dat de journalistiek dichter op de huid van het volk moest zitten’ levert nog steeds een geforceerd genre op van 'afdalen naar de wijk’. Soms zorgt dat voor een te negatief beeld. Soms, in een poging dat patroon te doorbreken, voor juist overdreven positieve stukken over successen. Het gezwalk over de inhoudelijke koers gaat bovendien al jaren gepaard met een dramatische daling van het aantal abonnees. In de onderlinge concurrentie en het verharde politieke klimaat betekent scoren meer entertainment en human interest en een sterke oriëntatie op conflicten.
Vasterman: 'Uit diverse onderzoeken blijkt dat er daardoor minder onderwerpen zijn maar dat deze belangrijker worden gemaakt door de betekenis ervan uit te vergroten. De agenda wordt smaller waardoor er exploitatie van hetzelfde is. Dat is vaak professionele gemakzucht. Het is een kwestie van recyclen en updaten van het bekende. De Nederlandse journalistiek wordt sowieso gekenmerkt door meer meningen dan feiten. Mijn advies is: niet als een meute doorhollen, maar een eigen agenda trekken. En ook: teruggaan naar de oorsprong van een incident. Hoe is een conflict ontstaan, en wat is er gebeurd na het vertrek van de pers?’
Hoe verging het bijvoorbeeld het Terra College ná de hype? Het drama bleek het begin van een slechte tijd. De beladen naam van de school werd veranderd in vmbo-Zuid-West, dat kon niet voorkomen dat de school in de wijk geassocieerd bleef met onveiligheid. Het aantal leerlingen blijft dalen, waardoor de school te ruim in het gebouw is komen te zitten, en het aantal docenten is afgenomen. In een rapport van de inspectie in 2006 kreeg de school een onvoldoende voor de kwaliteit van het onderwijs. Ook zijn er aanhoudende problemen met de veiligheid. Het grote aantal geweldsincidenten onder leerlingen en tegen docenten is nog steeds een punt van zorg. De eindresultaten op deze 'zwarte’ school in de Haagse wijk met troosteloze jaren-vijftigflats vol schotels zijn onder de maat. Vervroegde schooluitval (een kwart van de derdeklassers) is een probleem. Het verloop onder docenten en leidinggevenden is groot. Het gaat niet goed op de Haagse vmbo-school. Maar dat was al jaren zo, ook vóór de moord op de conrector.