De blinde horlogemaker

Als je vóór Darwin niet in God geloofde, was je echt gek. Het klassieke voorbeeld is dat van het horloge: stel je vindt een uurwerk op het strand. Het machientje geeft exact de tijd aan, en het is evident dat het ontwerp van dit horloge volledig gericht is op het verrichten van deze functie. Dan weet je een ding heel zeker: er is een horlogemaker die dit horloge gemaakt heeft. En nu vind je op het strand een dier, bijvoorbeeld een zeehond, met ogen. Ogen zijn instrumenten die in alle opzichten minstens even mooi en functioneel in elkaar steken als een horloge. Dan hebben we het nog niet eens over het echte raffinement, namelijk hoe de hersenen de informatie verwerken die de ogen ontvangen. Zelfs als we de ogen alleen zien als instrument om plaatjes vast te leggen, dan zijn ze al schitterend ontworpen, met een diafragma dat zich opent al naar gelang de hoeveelheid licht dat vraagt, met een lens die zich bolt of afplat om een scherp beeld te vormen, met oogleden en traanklieren tegen het vuil. Dan weet je een ding zeker: iemand moet dit schitterende stukje techniek ontworpen en gemaakt hebben. Wie vóór Darwin dacht dat zoiets kon ontstaan bij toeval, zoals een mooi stuk steen van een rots kan afbreken, die was niet bij zijn verstand. Haydn prijst in zijn Schöpfung de natuur, en ziet in elke vogel, in elke bloem, in elk ontluikend leven de hand van God. Elke nachtegaal zingt Zijn eer, elke bloem bloeit als voorafspiegeling van Zijn Koninkrijk.

We weten inmiddels wie die horlogemaker was. Het was de natuurlijke selectie. Ik wil op deze plaats de discussie niet aangaan met mensen die nog steeds niet geloven dat alle levensvormen, inclusief de mens, door evolutie zijn ontstaan. Alle afgezaagde argumenten tegen de evolutietheorie zijn al vele malen afdoende weerlegd; Richard Dawkins heeft dat bijvoorbeeld heel welsprekend en helder gedaan in zijn boek The Blind Watchmaker. Het is waar dat het strikt filosofisch natuurlijk mogelijk is dat de wereld in zes dagen geschapen is en dat God de fossielen in de grond heeft verstopt om generaties atheïstische paleontologen op een dwaalspoor te zetten. Zo is het filosofisch ook mogelijk een wereldbeeld te creëren waarin de aarde plat is en de maan gemaakt van Leidse kaas. Ik wil die discussie niet aangaan, want er is in ons land gelukkig slechts een zeer kleine groep die het scheppingsverhaal letterlijk neemt. Ik vind die groep eigenlijk wel charmant, en in zekere zin voel ik me met deze orthodoxen meer verwant dan met de verwaterde VU-theologen. Dat is de groep die modern meedoet in het praten over evolutie, mutaties, natuurlijke selectie, voorouders, maar ondertussen toch ook denkt dat achter elke boom God als een soort super Norbert Schmeltzer de touwtjes strak in handen heeft gehouden, en er via subtiel gestuur voor gezorgd heeft dat toch maar mooi de mens ontstond, en niet een of ander akelig groen slijm. Ik ben het met de orthodoxen eens dat er een duidelijke keuze is: of we bestaan omdat God ons op de een of andere manier geschapen heeft, of we zijn het gevolg van een natuurlijk proces van toevallige mutaties en selectie van de best aangepasten, kortom van evolutie. We zijn bedoeld, of we zijn zomaar ontstaan. Het standaard VU-compromis dat schepping en evolutie allebei waar kunnen zijn, omdat het ene een religieuze en het andere een wetenschappelijke categorie is, dat is eigenlijk toch een flutcompromis, een woordenspelletje zonder betekenis. Deze hoek van het heelal koelt af. De mens zal op een dag de weg gaan van de dinosaurussen voor hem, en nog voor die tijd zal ieder van ons persoonlijk de pijp uit gaan. Is dat een gedachte om depressief van te worden? Ik weet het niet. Je kunt jezelf behoorlijk ziek maken door al te lang over dit soort zaken na te denken. Dat heeft geen nut, en je wordt er niet minder sterfelijk van. Het standaardargument van de gelovige is: ‘Het kan toch niet zo zijn dat deze stoffelijke wereld alles is? Er moet toch meer zijn?’ Ik kan dat niet anders zien dan als een infantiel argument. De wens de vader van de gedachte. Dat je graag wilt dat iets zo is, is voor een volwassen mens toch geen reden om het in afwezigheid van enig argument ook echt te geloven? Er was één ijzersterk argument vóór een geloof in God, en dat was het argument dat Haydn zo mooi op muziek zette: het bestaan van de levensvormen, met hun perfect op elkaar afgestemde technische hoogstandjes. Als je accepteert dat die in vier miljard jaar door evolutie zijn ontstaan, is er in de wereld zoals wij die kennen geen fatsoenlijke reden meer om te geloven in een Grote Bedoeler, die het allemaal zo bedacht heeft, die ons persoonlijk kent, en die het beste met ons voor heeft. Het is echt kiezen tussen God of Darwin.