De blinde sjeik

Umar Abd al-Rahman zou het brein zijn achter de bomaanslag in 1993 op het World Trade Center. Met negen anderen is hij onlangs tot levenslang veroordeeld - op basis van een uiterst dubieuze bewijsvoering. Moest de blinde sjeik hangen om politieke redenen?
‘DAMES EN HEREN van de jury, deze zaak gaat over oorlog. De vijand in deze oorlog waren de Verenigde Staten. Het slagveld in deze oorlog waren de straten, gebouwen en tunnels van New York City. De wapens in deze oorlog waren autobommen, terrorisme en zelfgemaakte explosieven. De soldaten die in deze oorlog vochten zitten voor u in deze rechtszaal. Zij noemden hun oorlog jihad.’ Met deze woorden zet de openbare aanklager van New York, MacCarthy, de toon voor het proces tegen Umar Abd al-Rahman en negen andere verdachten, dat in september 1994 begon. De verdachten zouden vier jaar een stadsguerrilla hebben gevoerd en onder andere de bomaanslagen hebben gepleegd op het WTC in New York en rabbi Meir Kahane hebben vermoord. Umar Abd al-Rahman wordt hierbij opgevoerd als het brein.

De aanklacht van het Openbaar Ministerie benadrukt het ‘inherent gewelddadige karakter van de islam’ door de begrippen jihad (heilige oorlog) en fatwa (een uitspraak door een religieuze leider) met elkaar in verband te brengen - een gangbare praktijk sinds de fatwa van ayatollah Khomeini tegen Salman Rushdie. Het enkele feit dat Umar Abd al-Rahman in zijn functie als sjeik fatwa’s kan afkondigen, ligt ten grondslag aan de aanklacht van 'seditious conspiracy’, een 'samenzwering tegen de staat’. Daarin wordt de blinde sjeik als de leider 'met wie anderen overlegden in het denken en plannen van (…) terroristische activiteiten (…) met betrekking tot de vraag of bepaalde terroristische daden geoorloofd waren’. Voor deze aanklacht is het niet eens nodig te bewijzen dat de verdachte daadwerkelijk betrokken is geweest bij staatsondermijnende activiteiten; hij hoeft daar slechts over gesproken te hebben in de meest algemene bewoordingen.
UMAR ABD AL-RAHMAN begon zijn carriere als radicale sjeik vlak na de nederlaag van de Arabische legers na de Zesdaagse Oorlog tegen Israel. Een van zijn medewerkers zei daarover: 'Was hij voor die tijd al intelligent en uiterst ambitieus, nu was hij volledig geradicaliseerd.’
Hoewel hij al in 1970 dorpelingen opriep niet voor de overleden en nog steeds populaire president Nasser te bidden, kreeg hij pas de wind mee in de jaren zeventig met de opkomst van de radicale jama'at, de radicale islamitische verenigingen van vooral studenten uit het zuiden van Egypte. Vanuit zijn thuisbasis, de oase in al-Fayoem, bouwde hij onder deze jama'at een vaste aanhang op, die hem al snel als hun leider beschouwde. Netwerken was een van zijn sterkste kanten. Van de Saoedi’s wist hij bijvoorbeeld fondsen los te krijgen voor de radicale verenigingen. Later zou hij ook goede relaties onderhouden met Hasan al-Turabi, de leider van de huidige islamistische regering in Soedan.
Hoe groot Umar al-Rahmans invloed inmiddels was, bleek in 1980 toen zowel de jama'at als de Jihad-organisatie hem als leider erkenden en daarmee voor korte tijd de radicale islamitische beweging in noord- en zuid-Egypte werd verenigd. Dit is ook de periode dat het Westen voor het eerst hoorde van 'de blinde sjeik’ en wel in verband met een door hem uitgevaardigde fatwa. Hij zou de opdracht hebben gegeven voor het vermoorden van president Sadat, die als afvallige de doodstraf zou hebben verdiend.
Bij gebrek aan bewijsmateriaal moest de Egyptische militaire rechtbank Umar Abd al-Rahman echter vrijlaten.
Internationaal brak Umar Abd al-Rahman pas echt door toen hij zich midden jaren tachtig aansloot bij de Afghaanse mujahedin die toentertijd de jihad voerden tegen de Sovjetunie. In Afghanistan raakte hij bevriend met de fundamentalistische leider Gulbuddin Hekmatyar, die werd ondersteund door de CIA. Of de CIA hem ook aan een visum hielp, is onduidelijk, maar in ieder geval reisde hij in 1990 vanuit Soedan - met hulp van Hasan al-Turabi - naar de Verenigde Staten, waar hij op wonderbaarlijke wijze een verblijfsvergunning kreeg. Hij vestigde zich in de arme Newyorkse wijk Jersey City en ook hier wist hij in de moskeeen een grote aanhang te krijgen. Hij bewoog zich in de broeierige semi-onderwereld van de radicale islamitische beweging van emigres die ervan droomden hun landen te bevrijden van de westerse heerschappij.
DE VERDEDIGING van Umar Abd al- Rahman stelt dat er ook voor deze periode geen aanwijzigingen zijn voor betrokkenheid van Umar Abd al-Rahman bij illegale praktijken tegen de Amerikaanse staat. Professor Ruud Peters, hoogleraar islamitisch recht aan de UvA, die als getuige-deskundige in de zaak tegen Umar Abd al- Rahman zou zijn opgetreden als de Amerikaanse rechter daar geen stokje voor had gestoken, voert aan dat het uiterst onwaarschijnlijk is dat de sjeik zich zou hebben ingelaten met aanslagen in de Verenigde Staten. De sjeik is immers blind, verstaat geen woord Engels en is geheel verstoken van enige kennis van de Amerikaanse samenleving. Bovendien, zo stelt Peters, 'is het aannemelijk dat hij zich als vrome moslim hield aan de shari'a-regel van aman, de regel over het vrijgeleide. Volgens deze regel moeten moslims de wetten van een niet-islamitisch gebied respecteren als ze onder protectie staan van de staat van dat gebied, in dit geval in de vorm van een Amerikaanse verblijfsvergunning.’
Voor zover de sjeik zich zou hebben uitgelaten over het voeren van een jihad, gingen deze uitspraken over de strijd tegen de leiders van islamitische landen buiten de Verenigde Staten. In andere gevallen hadden dergelijke verwijzingen, volgens Peters, vooral een overdrachtelijke betekenis. 'Jihad kan namelijk ook betekenen: een niet- gewelddadige inspanning in dienst van de islam.’
De Amerikaanse autoriteiten hanteerden echter een andere interpretatie toen in 1990 de Palestijn Sayyid Noseir een geslaagde moordaanslag pleegde op de fascistische rabbi van de Jewish Defense League, Meir Kahane. Toen Sayyid Noseir een radicale moslim bleek te zijn die zich ophield in de moskee van Umar Abd al-Rahman, huurde de FBI de Egyptische kolonel Imad Salim in als infiltrant. Deze wist al snel het vertrouwen te winnen van Umar Abd al- Rahman en werd zijn lijfwacht. Toch kon de FBI de bomaanslag op het WTC-gebouw van 26 februari 1993 niet voorkomen. Toen bij de arrestaties van de verdachten van de aanslag in maart van dat jaar opnieuw de naam van de Umar Abd al-Rahman viel, nam de publieke en politieke druk op de autoriteiten toe om de blinde sjeik te arresteren. In juni 1993 volgde een nieuwe golf van arrestaties, waarbij een elftal moslims werd opgepakt, onder wie vier Soedanezen en twee Egyptenaren. Op 2 juli arresteerde de politie Umar Abd al-Rahman.
Hoewel de aanklacht van 'seditious conspiracy’ ook betrekking heeft op de kwestie-Kahane en de WTC-aanslag, zijn het vooral niet uitgevoerde maar beraamde aanslagen op objecten in New York die de basis van de aanklacht tegen de blinde sjeik vormen. Het gaat om het gebouw van de Verenigde Naties, tunnels en bruggen, en een geplande moordaanslag op Mubarak tijdens een bezoek aan de Verenigde Naties.
Het proces heeft volgens de advocaten van de sjeik een duidelijk politiek doel, namelijk herstel van het geschonden imago van de FBI. Een van de advocaten: 'Ze hebben de aanslag op het WTC niet kunnen voorzien, daarom verzonnen ze een aanslag die ze wel konden voorkomen.’ Een andere veronderstelling - die overigens niet de eerste hoeft uit te sluiten - is dat de Verenigde Staten nauw met de Egyptische regering hebben samengewerkt om de lastige sjeik achter slot en grendel te krijgen.
Een aanwijzing hiervoor is de uiterst dubieuze rol van de Egyptische kolonel Imad Salim. Deze staat bekend als een notoire leugenaar; hij werd zelfs tijdelijk door de FBI ontslagen omdat bij zijn verhoor twee keer de leugendetectoren op tilt sloegen. Hij had zich bij de FBI weten in te werken met verhalen over zijn heldhaftig verleden als lijfwacht van president Sadat, die hij in zijn laatste minuten na de moordaanslag zou hebben bijgestaan. Dat hij in ruil voor het verstrekken van informatie over de groep rond de Umar Abd al-Rahman een miljoen dollar ontving van de FBI, maakt hem zeker niet tot een betrouwbare bron. De verdediging meent dat het niet ondenkbeeldig is dat Salim als agent-provocateur is opgetreden en anderen heeft aangezet tot het plegen van aanslagen.
Er is meer dat deze gedachte voedt. Zo is bijna de hele aanklacht tegen de verdachten gebaseerd op bandopnamen die de Egyptische kolonel maakte van zijn gesprekken met hen. Uit de banden blijkt dat vooral hijzelf anderen opjutte tot aanslagen. Een van de advocaten: 'Zonder hem en zijn aansporingen zouden ze niet in deze situatie terechtgekomen zijn.’
Ondanks deze inspanningen zijn de resultaten erg mager. Zwak is vooral het bewijsmateriaal tegen de blinde sjeik, op wiens vermeende fatwa de aanklacht berust. Uit de bandopnamen van de kolonel blijkt dat de enige keer dat er gevraagd werd naar een religieuze uitspraak over de geoorloofdheid van het plegen van aanslagen, Umar Abd al-Rahman zei: 'Doe dat maar niet, het is slecht voor moslims.’ Weliswaar gaat hij in een andere context tekeer tegen Mubarak wiens 'regime in bloed ten onder zal gaan’, maar nergens valt op te maken dat hij een aanslag op Mubarak in de Verenigde Staten goedkeurt, laat staan voorbereidt.
TEGEN HET LICHT van de grote vrijheid van meningsuiting in de Verenigde Staten - die zelfs radicale joodse groeperingen het recht geeft om openlijk op te roepen tot moord op Israelische politieke leiders - is de aanklacht tegen Umar Abd al-Rahman kortom niet erg overtuigend. De verdediging reageerde dan ook verbijsterd toen de jury in oktober van vorig jaar de verdachten schuldig achtte aan het hen ten laste gelegde: het aanzetten tot een terroristische oorlog. De advocaat Abdeen Jabara vindt het een uitspraak van vooral politieke aard; hij is ervan overtuigd dat de sjeik moest hangen. Zo zijn de juryleden niet onderzocht op hun mening over moslims en het Midden-Oosten, wat volgens hem 'essentieel is voor de gehele rechtsgang’. Daarnaast werd het Umar Abd al-Rahman onmogelijk gemaakt zelf zijn advocaten te kiezen en voerde hij een tijdlang zijn eigen verdediging, een bizarre gang van zaken voor een man die geen Engels spreekt en niet in staat is de jury te bespelen. En ten slotte bood de vage aanklacht van seditious conspiracy alle ruimte om in te spelen op de heersende vooroordelen jegens moslims in de Verenigde Staten. Al met al genoeg om het gevoel van de jury 'we’re never going to let these people go home again’, te versterken.
De rechter heeft Umar Abd al-Rahman en negen anderen tot levenslang veroordeeld. De verdediging gaat in hoger beroep.