Kunst: Het zwarte model

De blinde vlek heeft een naam

In de tentoonstelling Le modèle noir, de Géricault à Matisse in Musée d’Orsay krijgt de zwarte bediende op Olympia voor het eerst een naam.

Théodore Géricault, Étude d’homme, d’après le modèle Joseph, 1818-1819.Ook wel Le nègre Joseph. Olie op doek, 47 x 38,7 cm © courtesy The J. Paul Getty Museum, Los Angeles

‘De kat, de negerin, de orchidee, de bos bloemen, de slippers en de pareloorbellen betekenden niets.’ Nadat de Amerikaanse kunsthistoricus T.J. Clark in 1985 zeventig pagina’s had volgeschreven over de schok en betekenis van het uitdagend naakte lichaam van de prostituee op Olympia van Édouard Manet, het schilderij dat in 1865 op de Parijse Salon zoveel reuring had veroorzaakt, somde hij in zijn laatste alinea de andere onderdelen van het schilderij op, details waar de critici geen oog voor hadden gehad. Een zwarte bediende met bloemen, soît, ‘nothing in particular’.

Voor de Amerikaanse kunstgeschiedenisstudent Denise Murrell was die nonchalance genoeg aanleiding om er in 2013 haar proefschrift over te voltooien. Over hoe die bediende en de zwarte vrouw in het algemeen in de 150 jaar daarna een hardnekkige blinde vlek waren geweest in de kunstgeschiedenis. Ze vond in de aantekeningen van Manet de naam van de ‘negerin’, die Laure bleek te heten, en ontdekte meer van soortgelijke personages, zwarte vrouwen die naamloos waren gebleven in de kunstgeschiedenis.

Dat onderzoek werd met open armen ontvangen. Deze winter maakte Murrell in New York een tentoonstelling op basis van haar boek met zo’n 150 kunstwerken vanaf de tijd van Manet tot nu. Posing Modernity, in de Wallach Art Gallery, de tentoonstellingsruimte van Columbia University in Harlem, kreeg lovende kritieken. En nu, nog geen jaar nadat Beyoncé en Jay-Z hun videoclip Apeshit opnamen in het Louvre, en daarbij naast zichzelf vooral kunstwerken met zwarte vrouwen en mannen een prominente rol gaven, staat Murrells tentoonstelling in Musée d’Orsay, hét museum van Olympia en andere Franse kunst van 1789 tot 1914.

Laurence Des Cars, de nieuwe directeur, heeft de tentoonstelling naar Parijs gehaald en het verhaal een Franse draai gegeven: ze transformeerde het tot een algemeen cultuur- en kunsthistorisch verhaal vanuit Frans perspectief, een verhaal dat ondanks de lange koloniale geschiedenis van de republiek niet eerder was verteld. Er kwamen maar liefst drie Franse conservatoren bij, het gaat nu óók over de zwarte mannen, de behandelde periode gaat terug tot 1794, het jaar waarop Frankrijk voor de eerste keer de slavernij afschafte, het aantal kunstwerken en documenten werd verdubbeld, er is een randprogramma met zang en dans, én de echte Olympia is er nu bij. De Parijse tentoonstelling, Le modèle noir, de Géricault à Matisse is in alle opzichten omvangrijk en encyclopedisch, de nieuwe Franse catalogus is vier keer zo dik als de eerdere Amerikaanse.

De keuze voor een zwart model was vooral een politieke. Géricault was tegen de slavernij

In eerste instantie werkt het wat wonderlijk, zo’n verzameling als uit een zeef waarin alle kunst met zwarte figuren is blijven steken. In sommige gevallen, zoals bij de lijntekeningen van Matisse, of bij de acrobaat Lala van Degas, is het zelfs nauwelijks zichtbaar dat het om een zwart model gaat, en meerdere anonieme atelierportretten zijn ook vooral illustratief. De valkuil van willekeur en op de grote hoop gooien van zo veel mogelijk schilderijen met een niet-witte mens erin is over het algemeen elegant ontweken door het gebruik van hoofdpersonen in tekstborden naast de kunst. Zwárte hoofdpersonen, die voor het eerst een naam kregen, en een geschiedenis.

Zonder een voet in de tentoonstelling te hebben gezet, kopte de Engelstalige pers direct na de opening dat Olympia tijdelijk was omgedoopt tot Laure. Maar bij het schilderij in Parijs hing nog hetzelfde, eenduidige bordje: Olympia. Er was sprake van een klassieke culturele spraakverwarring: het Franse persbureau afp had in een Engelstalig persbericht gemeld dat het Orsay sommige bordjes had aangepast, én dat de aandacht nu, bij schilderijen zoals dat van Manet, voor het eerst naar de zwarte figuren zou gaan. Naast het schilderij staat nu inderdaad een lange tekst met erboven de naam Laure. Maar van het ‘herbenoemen’ van Olympia was nooit sprake geweest, ook niet tijdelijk – zoiets is in Frankrijk simpelweg ondenkbaar. Anders dan veel van de tot voor kort anonieme portretten, die zonder titel het atelier verlieten en pas bij tentoonstelling in de Salon een omschrijvende naam kregen, noemde Manet het schilderij zélf Olympia. Wel zijn veel andere titels aangepast, of, beter gezegd, genuanceerd. Ook dát was tien jaar geleden nog ondenkbaar, geven de conservatoren toe.

De chronologisch opgebouwde tentoonstelling opent met een portret uit 1800 van een vrouw, geschilderd door Marie-Guillemine Benoist. Het schilderij komt uit het Louvre, en is ook te zien bij Beyoncé en Jay-Z. Voor de tentoonstelling begon heette het schilderij nog Portrait d’une femme noire, die titel staat in de tentoonstelling ook op het tekstbordje, maar als dit aussi, ‘ook genoemd’. Want nu heet het schilderij Portrait de Madeleine, Madeleine was, zo is ontdekt, een huishoudster van een familielid van de kunstenaar en kwam oorspronkelijk uit Guadeloupe. Uitzonderlijk was het dat het zo’n persoonlijk, levensecht portret was. Dááronder staat nog dat het doek in 1800 op de Salon is gepresenteerd als Portrait d’une négresse. Het n-woord, in deze context de enige manier om duidelijk te maken hoe zwarten werden benoemd, en hoe die benaming is veranderd.

Tijdlijnen in de tentoonstelling maken duidelijk dat de slavernij in Frankrijk twee keer is afgeschaft. Eerst in 1794, als gevolg van de idealen van de Franse Revolutie en bloedige opstanden in Saint Dominigue (in 1804 verzelfstandigd tot Haïti) – Napoleon begon in 1802 al weer met de geleidelijke herinvoering. De tweede keer in 1848, onder de tijdelijke regering van de Tweede Republiek. En daarna, zo lijken de samenstellers te willen zeggen, was Europa vooral een plek waar zwarten naartoe kwamen die het in de VS een stuk moeilijker hadden. Dat witte Fransen hen niet allemaal als gelijken zagen of zien (denk aan het racisme rond de Franse voetbalploeg) wordt minder naar voren gebracht.

Het perspectief van de zwarte Française had de tentoonstelling extra diepgang gegeven

Aan de hand van nieuwe hoofpersonen zoals Madeleine legt de tentoonstelling verbanden die niet eerder zichtbaar waren. Zo maken we kennis met Joseph, het favoriete model van Géricault. De keuze voor een zwart model was, zo onderstrepen de Franse wetenschappers, geen esthetische maar vooral een politieke. Géricault was tegen de slavernij, koos in 1819 al voor Joseph om maar liefst drie keer op zijn Vlot van de Médusa te figureren (ook in beeld bij Apeshit). Niet alléén als indrukwekkende spierbundel, ook als redder van de uitgedroogde ronddobberende groep, want het is een zwarte man die, tussen de bleke schipbreukelingen, de kracht heeft om zich zo ver op te richten en de aandacht te trekken van een voorbij varend schip. In 1932 zou Joseph een van de in totaal drie betaalde, vaste modellen worden van de Parijse École des Beaux-Arts. En ook Ingres was onder de indruk van Joseph, al was zijn uitwerking minder respectvol. Ingres liet zijn assistent Chassériau – zelf ook oorspronkelijk afkomstig van Saint Dominigue – schetsen van Joseph maken in ongebruikelijke houdingen, zonder uit te leggen dat hij de bedoeling had Joseph als duivelsfiguur te gebruiken. Ingres heeft dat werk nooit voltooid, de olieschets van Chassériau is indrukwekkend.

Twee andere hoofdpersonen in de tentoonstelling zijn Alexandre Dumas en Jeanne Duval, beiden ‘métisse’, ‘halfbloed’. Schrijver Dumas was kleinzoon van een planter uit Saint-Dominigue en een zwarte slavin (de formulering van het lastig naar het Frans te vertalen politiek correctere ‘enslaved’, vaak in gebrekkig Nederlands vertaald als ‘tot slaaf gemaakte’, komt in de catalogus ter sprake). In de jaren 1820 werd hij in de populaire karikaturen vaak op platte, Zwarte Piet-achtige manieren uitgebeeld. Heel anders ging dat met Duval, geboren op Haïti in 1827, die begin jaren veertig muze en model werd van Charles Baudelaire, die haar zelfs een paar keer heel liefdevol tekende, en die ook door Manet werd geportretteerd.

Tussen de persoonlijke verhalen door is ruimte voor historieschilderijen die ook zonder bijschrift deemoedig maken. Bijvoorbeeld bij een schilderij uit 1843 door Marcel Verdier, waarop een naakte zwarte man, plat op zijn buik vastgeketend aan de grond, wordt afgeranseld ten overstaan van een gemengd publiek – denk Quentin Tarantino-stijl. Hier was afschuw gewenst, Verdier, leerling van Ingres, was een voorstander van het afschaffen van de slavernij, en hoopte op deze manier bijval te krijgen van het publiek.

De tentoonstelling schrijdt voort in steeds grotere angst iets of iemand te missen, langs postkolonialisme, jazz en wereldoorlogen, ‘négritude’, de literaire beweging rond 1920, en een wonderlijk schilderij van Kees van Dongen van de zwarte bokser Jack Johnson uit 1919 – een boom van een kerel die naakt in het oerwoud staat met alleen een hoge hoed en een wandelstok in zijn hand. Paul Gauguin vertrok naar de Stille Zuidzee, op zoek naar zijn ‘primitieve’ paradijs, in de Jardin d’Acclimatisation in Parijs was in 1896 nog een ‘village noir’ ingericht waarvan de broeders Lumière de mensen als in een dierentuin filmden.

Wat in al die overvloed ontbreekt, is de stem van de afgebeelde. De tentoonstelling eindigt met een serie reprises van Manets Olympia door hedendaagse zwarte Amerikaanse kunstenaars. In New York vanzelfsprekend, hier een wat vergezochte conclusie, aangezien de Amerikaanse situatie om allerlei redenen een heel ander verhaal is. Madeleine, Vincent en Laure hebben voorzover bekend geen uitspraken gedaan over hun positie. Maar hoe was het voor Josephine Baker, die in de jaren vijftig en zestig in de VS streed voor rassengelijkheid, om in het conservatieve witte Frankrijk te dansen in een bananenrokje? Hoe ervoer Johnson het om op affiches aangekondigd te worden als de zwarte bokser tegenover de witte? De negentiende-eeuwse kunstenaarsblik was die van de witte Fransman. Een ander perspectief, dat van pak ’m beet de zwarte Française, had de tentoonstelling extra diepgang gegeven.

De grootste bonus is dat hier nu de echte Olympia te zien is, omringd door minder bekende tijdgenoten. Het gebeurt niet vaak dat er zo’n fris perspectief wordt geboden op een van de grote hoofdrolspelers uit de moderne kunstgeschiedenis. Natuurlijk blijft de blik van Olympia, belichaamd door de roodharige Victorine Meurent, de meeste aandacht vragen. Maar voortaan weten we ook dat de vrouw ernaast, die zo onderdanig de bloemen komt brengen, in werkelijkheid in de Rue Vintimille woonde, bij het Place de Clichy, in een huis samen met handwerkers en arbeiders, en Laure heette. En al is het wat laat, dat is een goed begin.


Le modèle noir, de Géricault à Matisse, tot 21 juli in Musée d’Orsay, Parijs; musee-orsay.fr