Hoofdcommentaar: Verenigd Europa

De blinde vlek van Europa

Veel is tot in de puntjes geregeld in het Verenigd Europa. Van de maximum toegestane vetgraad in Italiaanse schimmelkaas tot de wijze van gemeentelijke sponsoring aan voetbalclubs is veel aan strikte EU-regels gebonden. Maar zodra er een olietanker in tweeën breekt die de gehele westelijke kustlijn van het Iberisch schiereiland plus Frankrijk van de totale visstand dreigt te ontdoen, weet opeens niemand meer wat er gebeuren moet en is Europa weer even ouderwets verdeeld.

In potentie heeft de ramp met de Prestige het in zich om nog catastrofaler uit te pakken dan de ecologische nachtmerrie rondom het zinken van de Exxon Valdez, in 1989 in de wateren bij Alaska. Het schip herbergde maar liefst 77.000 ton aan ruwe olie, twee keer zoveel als indertijd de Exxon.

Vanaf het moment dat bekend werd dat de Prestige — varend onder de goedkope vlag van de Bahama’s met een Griekse kapitein die inmiddels door de Spaanse autoriteiten tot zondebok is bestempeld — voor de kust bij La Coruña in het Spaanse Galicië in de problemen was gekomen, ontstond er een nerveus spel met als inzet welk land de ecologische tol zou moeten betalen. De Spaanse autoriteiten — voor zover zij zich geroepen voelden het vrije weekend op te geven voor een stukje crisismanagement — probeerden zich van het probleem te ontdoen door het Nederlandse bergingsbedrijf Smit de opdracht te geven het rampschip zo ver mogelijk van Spanje vandaan te slepen. De Nederlandse bergers hadden de Prestige eigenlijk het liefst direct naar La Coruña gebracht om te voorkomen dat de gehele inhoud van de tanker de zee in zou stromen, maar dat werd verboden. In plaats daarvan kreeg Smit de opdracht de lekkende kolos te verplaatsen naar de territoriale wateren van de Portugezen, met als finale bestemming de Kaapverdische Eilanden. Daar was de Portugese marine echter weer niet gelukkig mee. Deze zou de Nederlandse bergers met van alles en nog wat hebben bedreigd om de Prestige weer terug naar Spaanse wateren te dirigeren. Onderwijl lekten tonnen en tonnen aan ruwe olie de zee in. De omvang van de catastrofe werd pas enige dagen later in zijn volle omvang manifest aan de kusten van Galicië. «De zwarte zee» was dinsdag ook al onderweg naar de Franse kust, die enkele jaren geleden nog zo zwaar heeft geleden onder de olieramp bij Bretagne.

Inmiddels worstelt Europa met de schuldvraag. De Spaanse autoriteiten gingen over tot het arresteren van de Griekse kapitein van de Prestige en klaagden ook de Britse autoriteiten in Gibraltar aan, die de tanker ongemoeid zouden hebben gelaten ondanks evidente technische mankementen. Vanuit de Portugese politiek werden de Spanjaarden weer aangeklaagd, en dan met name de president van de deelstaat Galicië, die de ramp met de Prestige aanvankelijk niet belangrijk genoeg vond om er een privé-jachtpartij voor op te geven. De Spanjaarden en de Portugezen gaven de schuld gezamenlijk weer aan de Nederlandse puinruimers van Smit, wier acties meer kwaad dan goed zouden hebben gedaan. Toen dat ook niet hielp, ging men er maar toe over de omvang van de ramp te bagatelliseren. Het viel reuze mee met de hoeveelheid gelekte olie, zo verklaarden Spaanse experts, en die zou als vanzelf wel worden opgenomen in de oceaanbodem. Inmiddels is die geruststellende analyse ook al geen cent meer waard, en wordt Spanje nu klaargestoomd voor de verwerking van de grootste milieuramp uit zijn geschiedenis.

De Portugese oud-president Mario Soares, tegenwoordig in het Europarlement, verklaarde afgelopen zondag teleurgesteld te zijn over de opluchting in de Portugese media dat de ecologische ramp in ieder geval niet plaatsvindt aan de Portugese kust. «Het is alsof iemand juicht als het huis van zijn buurtman in brand staat en niet het zijne.» Soares pleitte dan ook voor de oprichting van een Europees instituut voor oceaanbeheer dat de centrale regie in handen moet hebben bij ecologische nachtmerriesituaties als de huidige.

Dat was een alleszins redelijk voorstel. Sterker nog: het is verbijsterend dat zo’n instituut er nog altijd niet is. Enige jaren geleden al maakte Soares zich sterk voor de komst van een oceanisch crisisbureau. Rampen met olietankers doen zich niet dagelijks voor, maar wel met ijzeren regelmaat. Dus als er ergens in pan-Europees verband op zou kunnen worden geanticipeerd, dan is het wel op deze grootscheepse catastrofes.

Zo is het bijvoorbeeld schrijnend dat de EU nog altijd tankers als de in 1976 gebouwde Prestige laat varen, schepen van een achterhaald model die hun hele partij in een grote laadruimte vervoeren en zo in feite altijd een levensgrote bedreiging vormen voor alle flora en fauna die zij op hun vaart tegenkomen. Daarnaast liggen er op de bodem van de oceaan nog tal van andere ecologische tijdbommen te tikken, van gezonken atoomonderzeeërs uit de voormalige Sovjet-Unie tot oude partijen strijdgassen van nazi-makelij.

Met de plichtmatige bijdragen in de collectezakjes van organisaties als het Wereld Natuur Fonds en Greenpeace ten bate van zeehondjes en de bruinvis, komt Europa er niet. Als zeevarende natie zou Nederland een voortrekkersrol moeten en kunnen vervullen bij de totstandkoming van zo’n Europees instituut. Dat zou van heel wat meer bestuurlijk inzicht getuigen dan alle hedendaagse ijver inzake de uitzetting van ongewenste illegalen en ander klein ongerief.