Carl Schmitt

Het is tegenwoordig modieus om de samenleving in kampen op te delen en te spreken over een ‘cultuuroorlog’. Dit gaat volgens een vast patroon dat gemakkelijk te begrijpen is. Nationalisten staan tegenover kosmopolieten, somewheres tegenover anywheres, en de boze burger tegenover de ‘witte wijn sippende elite’ uit Amsterdam, dixit minister-president Mark Rutte. De contouren van een dergelijk frame zijn misschien het best geschetst door Frank Furedi in zijn boek Populism and the European Culture Wars (2017) waarin hij de illiberale democratie van Viktor Orbán verdedigt. Furedi stelt dat Hongarije het recht heeft om conservatief, religieus en nationalistisch te zijn en zich niet hoeft te schikken naar de progressieve, goddeloze en kosmopolitische waarden van het Westen – die ook eens nog worden gehandhaafd door de ongekozen bureaucraten van de EU.

Net zoals Furedi het opneemt voor ‘foute politici’ als Orbán, breekt Arnold Heumakers in zijn boek Langs de afgrond (2020) een lans voor ‘foute denkers’. Heumakers meent dat intellectuelen als de Franse nationalistische schrijver Maurice Barrès, de nazi-jurist Carl Schmitt en geweld verheerlijkende lieden zoals Georges Sorel inzicht bieden in de blinde vlek van de liberale democratie. Zij dienen gelezen te worden, zo zegt Heumakers in Trouw, om een realistischer wereldbeeld te krijgen. Foute denkers laten zien dat de moderniteit een tijdperk is van fundamentele verdeeldheid tussen enerzijds de verlichting, ratio en vooruitgangsgeloof en anderzijds romantiek, gevoel en cultuurpessimisme. Dit zijn niet twee verschillende kampen, maar beter de twee polen van de condition humaine; ‘de scheidslijn tussen het verlichte en het romantische loopt (…) dwars door onszelf.’

Heumakers benadert hun geschriften daarom met ‘kritische empathie’: niet moraliserend, maar met het doel om deze denkers in hun eigenheid te begrijpen. Daarmee laat hij zien dat zij vanuit dezelfde denkrichting toch tot hele andere politieke keuzes komen. Hoewel zowel Ernst Jünger als Carl Schmitt doorgaans tot de ‘conservatieve revolutie’ worden gerekend – een stroming in het Duitse denken die de weg zou hebben geplaveid voor de opkomst van het nationaal-socialisme – behield eerstgenoemde een grote afstand van de nazi’s, terwijl de tweede juist grote moeite deed om bij het naziregime in aanzien te staan.

Toch wringt de wijze waarop Heumakers zijn ‘foute’ denkers presenteert. Heumakers is namelijk wel erg stellig in zijn presentatie van het ‘goed-foutschema’ zoals dat in onze maatschappij aanwezig zou zijn en waarin, zo klaagt hij, communistische denkers nooit als fout worden aangeduid, terwijl het communisme en fascisme qua misdaden toch nauwelijks voor elkaar onderdoen. Wat met name stoort is dat de nuance die Heumakers betracht in het uitdiepen van deze rechtse denkers compleet ontbreekt in zijn behandeling van wat hij het ‘universeel humanisme’ noemt. Heumakers presenteert zijn ‘foute’ denkers als een ‘nuttige’ correctie op de dominante ‘humanistische links-liberaal-democratische ideologie’, maar juist de drang om hun nuttigheid te bewijzen binnen het frame van de cultuuroorlog, leidt Heumakers tot het herhalen van wel heel clichématige stellingen.

Zo eindigt Heumakers zijn bespreking van het gedachtegoed van de Franse nationalist Maurice Barrès (1862-1923) met een pleidooi om het nationalisme serieus te nemen. Barrès was een van de beroemdste schrijvers in het Frankrijk van zijn tijd, maar staat tegenwoordig vooral bekend als een voorloper van het fascisme. Hij keerde zich tegen de ‘verbrokkeling’ van de Franse natie onder andere door in zijn roman Les déracinés (‘de ontwortelden’) te ageren tegen het kosmopolitische gedachtegoed van Kant. De hoofdpersonen in de roman worden als wereldburgers opgevoerd maar eindigen in een staat van chaos, verwarring en nihilisme. Barrès was juist wars van metafysische overpeinzingen zoals die in de Franse revolutie tot uitdrukking waren gekomen en keerde zich onverbiddelijk tegen het ‘waanidee van de Rechten van de Mens’. In plaats daarvan ging hij uit van ce qui est (dat wat is) en niet van wat men zou willen dat er was. Hoewel hij aristocratische neigingen had, schikte hij zich daarom in de ‘zaak van de moderne democratie’ – deze was immers een voldongen feit geworden.

Heumakers stelt dan ook: ‘Wie uit naam van het kosmopolitisme of het universele humanisme de huidige natiestaat obsoleet verklaart (“niet meer van deze tijd”), zou er beter aan doen om in navolging van Barrès uit te gaan van “dat wat is”.’ Het nationalisme is namelijk “een ongelooflijk succes gebleken”, aangezien de natie geen fictie bleef, maar iets werd waarmee mensen zich steeds meer zijn gaan identificeren en waarvoor zij zelfs bereid bleken om te sterven. ‘Geen enkele “kosmopolitische” institutie, of het nu de Volkenbond is, de Verenigde Naties of de Europese Unie, heeft dat tot nu toe voor elkaar gekregen.’ Dat tegenwoordig het populisme opnieuw de kop opsteekt, komt mede doordat elites – bevangen door de ‘waan van het kosmopolitisme’ – geen rekening houden met de realiteit dat alleen een kleine elite van bankiers, academici, kunstenaars en activisten en een onderlaag van immigranten en vluchtelingen daadwerkelijk grensoverschrijdend denken.

Het is eigenaardig om internationale organisaties te beoordelen naar de mate waarin zij onder burgers opofferingsbereidheid teweegbrengen: zijn deze instituties er juist niet voor bedoeld om bloedvergieten te voorkomen? Bovendien hoeven we ons echt niet tot een negentiende-eeuwse Franse schrijver te wenden – wiens werk ook nog eens stevige antisemitische trekken vertoont – om tot dergelijke inzichten te komen. Zeker in de laatste jaren zijn er talloze publicaties aan het belang van de natiestaat gewijd en daarin worden dergelijke standpunten in veel detail uiteengezet. Neem bijvoorbeeld Michael Brönings Lob der Nation (2018), Yoram Hazony’s The Virtue of Nationalism (2018) of Craig Calhouns Cosmopolitanism and Its Discontents: Why Nations Still Matter (2017).

In mijn eigen vakdiscipline – het Europees recht – is er al decennialang een debat over het belang van de nationale staat. Dit debat begon nadat het Duitse Bundesverfassungsgericht (constitutionele hof) in haar Maastrichtuitspraak (1993) grenzen aan de Europese integratie stelde door zich te beroepen op de verbinding tussen natiestaat en democratie en is sindsdien niet meer opgehouden. De ideeën die Heumakers bij Barrès vandaan haalt, zijn ook in de uitspraak van het Duitse hof terug te vinden en anders wel in de artikelen van de vooraanstaande rechtsgeleerde Dieter Grimm, (van 1987 tot 1990 rechter in het Bundesverfassungsgericht). Deze benadrukt in zijn wetenschappelijke oeuvre het belang van de nationale staat ter waarborging van de democratie, en dat op een stuk genuanceerdere manier dan Thierry Baudet (naar wiens Aanval op de natiestaat Heumakers enkele malen verwijst). Zo ‘fout’ zijn deze ideeën over het nationalisme dus helemaal niet, eerder mainstream.

We zouden zelfs bij de door Barrès en andere ‘foute denkers’ verfoeide kosmopolitische verlichtingsfilosoof Emmanuel Kant te rade kunnen gaan om tot het inzicht te komen dat we dienen uit te gaan van ‘dat wat is’. Zo schrijft Kant in zijn traktaat Naar de eeuwige vrede dat het volkenrecht gebaseerd dient te zijn op een federalisme van vrije staten. Daartoe dient een verdrag te worden opgesteld waarbinnen het recht van iedere individuele staat kan worden veiliggesteld. Kant meent nadrukkelijk dat dit een volkenbond en geen volkenstaat zou moeten zijn, omdat in laatstgenoemde een praktische tegenspraak besloten ligt: om tot een volkenstaat te komen, dienen de verschillende volken zich te verenigen in één volk en dus zichzelf op te heffen. Individuen noch volken kunnen het echter willen om niet langer te willen. Zelfs de grote kosmopoliet Kant achtte het ideaal van een wereldrepubliek dus vanwege praktische gronden niet uitvoerbaar en pleitte voor het ‘negatieve substituut’ van de volkenbond als middel om oorlog te voorkomen.

Om een kritisch licht te werpen op de blinde vlekken van het mainstreamdenken is het juist noodzakelijk om voorbij te gaan aan de gemakkelijke tegenstelling tussen de ‘foute’ nationale staat en de ‘goede’ kosmopolitische EU. Het Europese project wordt namelijk gekenmerkt door twee tendensen. Enerzijds overstijgt zij de nationale staat door bevoegdheden naar supranationale instituties te verplaatsen, terwijl anderzijds de nationale staat door Europese integratie juist ook gewaarborgd en beschermd wordt, zoals Allan Milward in zijn boek The Rescue of the European Nation State (1993) al duidelijk maakte. In werkelijkheid zijn de nationale staat en de instellingen van de EU daardoor op een hele fijnmazige wijze met elkaar verweven. Het is daarom weinig zinvol om deze tegenover elkaar te plaatsen.

Brexit illustreert deze verwevenheid: sinds 2016 heeft de Britse overheid meer dan 35000 (!) ambtenaren aangenomen, waarvan het overgrote merendeel zich met Brexit en haar gevolgen bezighoudt. Al die ambtenaren nemen taken over die eerst door de Europese instituties uitgevoerd werden. Ter vergelijking: bij de Europese Commissie werken ongeveer 33000 ambtenaren (inclusief tolken/vertalers). Vanwege de institutionele verwevenheid leidt het vertrek uit de EU daardoor tot een complete transformatie van de Britse staat: bevoegdheden dienen opnieuw tussen de verschillende naties van het Verenigd Koninkrijk verdeeld te worden, nieuwe ministeries en agentschappen moeten worden opgericht en de verhoudingen tussen wetgevende, uitvoerende en rechterlijke macht worden opnieuw gekalibreerd.

Natuurlijk is het mogelijk om deze verwevenheid vanuit normatief oogpunt te bevragen, zoals de Britse politicoloog Christopher Bickerton laat zien. Denk bijvoorbeeld aan de verstoring van de traditionele machtsbalans van de natiestaat, doordat Europese integratie de macht van rechters en regeringen vergroot, terwijl de zeggenschap van nationale parlementen juist afneemt. Om deze paradoxale werkelijkheid te begrijpen, te verduidelijken en te bekritiseren zullen we echter contemporaine schrijvers dienen te lezen in plaats van terug te grijpen op clichématige lessen van ‘foute’ schrijvers uit het verleden.

Heumakers lijkt dus zelf een blinde vlek te hebben wat betreft de huidige staat van het debat, daarnaast overdrijft hij ook de grootte van de blinde vlek die door de ‘vanzelfsprekendheid van het goed-foutschema’ zou bestaan. Veel van de schrijvers die hij bespreekt zijn zeker in de originele taal nog volop verkrijgbaar (Ernst Jünger), werden onlangs nog naar het Nederlands vertaald (Oswald Spengler, Julien Benda) of schrijven boeken die een groot internationaal publiek bereiken (Michel Houellebecq). Het is dus niet vol te houden dat er onvoldoende aandacht voor het gedachtegoed van deze ‘foute’ denkers is. Sterker nog, juist die controversiële status lijkt bij te dragen aan de duurzame belangstelling voor deze schrijvers. Zoals Heumakers zelf ook erkent, heeft de mens immers een stiekeme obsessie met het kwaad.

Het meest geldt dit nog wel voor het werk van de Duitse jurist Carl Schmitt, aan wie Heumakers twee hoofdstukken wijdt. Schmitt dankt zijn foute status evenzeer aan zijn ideeën als aan zijn handelen nadat de nazi’s in 1933 aan de macht waren gekomen. Hij werkte mee aan nazi-wetgeving, werd lid van de NSDAP, liet zich benoemen in de Pruisische staatsraad en nam andere officiële functies aan. Ook gaf hij blijk van een sterk antisemitisme en verdedigde hij de Nacht van de Lange Messen, waarin Hitler veel van zijn tegenstanders in koelen bloede liet omleggen. Zijn flirt met het Hitler-regime was echter maar van korte duur: nadat hij in 1936 in een nationaal-socialistisch blad beschuldigd was van opportunisme moest hij het merendeel van zijn functies weer neerleggen. Desalniettemin, reden genoeg om Schmitt het predicaat ‘fout’ te geven.

Nog afgezien van zijn loopbaan in het Derde Rijk, hebben ook Schmitts ideeën veel weerstand opgeroepen. De beruchtste daarvan, zoals Heumakers beschrijft, zijn terug te vinden in zijn essay Der Begriff des Politischen. In dit werk stelt Schmitt dat het onderscheid tussen vriend en vijand het kenmerk van ‘het politieke’ is en daarom te allen tijde gehandhaafd dient te blijven. Ook was hij een groot criticus van het liberalisme, omdat dit niet in staat was om zichzelf in extremis te handhaven door een niet-genormeerde uitzonderingstoestand te erkennen. Schmitt benadrukte juist het belang van een dictator die in noodgevallen beslist en daarmee het voortbestaan van de staat zeker stelt. Daarnaast stelde hij ook dat democratie alleen kan bestaan indien er een vorm van homogeniteit tussen burgers aanwezig is, een argument dat ook nu nog wordt ingezet tegen de multiculturele samenleving.

Hoewel Schmitts pijlen zich dus richten op zo ongeveer alles waar de liberale democratie voor staat, weerhoudt dat er geen enkele serieuze wetenschapper van om het werk van Schmitt te bestuderen. Integendeel, zeker in de politieke theorie en rechtsfilosofie is er sprake van een heuse Schmittmania. Voortdurend wordt zijn werk gebruikt om bijvoorbeeld het hedendaagse parlementarisme kritisch te benaderen, de institutionele structuur van de EU te verklaren, de reactie van regeringen op de coronacrisis te duiden en ga zo maar door. Bovendien behoort op vele universiteiten Schmitts werk tot de voorgeschreven literatuur, verscheen zijn naam dit jaar alleen al in meer dan zesduizend wetenschappelijke publicaties en werd nog maar enkele jaren terug The Oxford Handbook of Carl Schmitt gepubliceerd: een pil van meer dan achthonderd pagina’s waarin Schmitts denken tot in het kleinste detail wordt ontleed.

Zelfs Arnon Grunberg – die ook een razend enthousiaste recensie over Heumakers’ boek schreef – heeft een essay over Schmitt gepubliceerd. Hoezo dan blinde vlek?

Heumakers’ boek illustreert dat het maar al te makkelijk is om scherpe tegenstellingen en goed-foutschema’s in het leven te roepen. Wie echter werkelijk kritisch-empathisch te werk wil gaan, zou er goed aan doen om juist ook dergelijke moralistische schema’s te bevragen. Dan blijkt vaker dan niet – zoals Heumakers zelfs op uitstekende wijze duidelijk maakt – dat denkers die in een bepaald hokje worden gestopt daar eigenlijk niet goed in passen doordat hun werk genuanceerder en veelzijdiger is dan het op eerste gezicht lijkt. Dat geldt niet alleen voor foute denkers, maar voor alle denkers van enig formaat. Zoals ik al liet zien, was zelfs Kant genuanceerder over de natiestaat dan zijn kosmopolitische reputatie doet vermoeden.

In de regel zeggen goed-foutschema’s en vermeende ‘cultuuroorlogen’ dan ook meer over de politieke agenda van hun bedenker dan over de werkelijkheid waarin we leven. Dat geldt ook voor de modieuze trend onder rechtse en conservatieve denkers om te stellen dat door de liberaal-progressieve hegemonie hun ideeën niet de aandacht krijgen die ze verdienen. Zo schreef Martin Sommer in een interview met Furedi – de denker waar dit stuk mee begon – dat diens Populism and the European Culture Wars slechts twee recensies had ontvangen. Maar twee jaar later is zijn werk al ruim veertig keer geciteerd en in meerdere toonaangevende vakbladen besproken, zij het vooral in negatieve zin. Dat heeft echter niet zozeer te maken met zijn verdediging van Orbáns conservatieve en christelijke politiek, maar komt vooral doordat hij de ondermijning van de rechtsstatelijke instituties in Hongarije wel al te makkelijk goedpraat.

Van een dergelijke gemakzuchtige houding valt Heumakers niet te betichten doordat hij het denken van zijn ‘foute denkers’ met veel nuance en van alle kanten belicht. Het is alleen jammer dat hij zelf ook vasthoudt aan het ongenuanceerde goed-foutschema waartegen hij zich meent af te zetten. De blinde vlek die hij meent waar te nemen, lijkt daarom vooral die van hemzelf.


Jacob van de Beeten werkt als promovendus aan de London School of Economics. Zijn proefschrift gaat over de rol van het recht in Europese integratie