De blinde ziener

Het eerste dat me opviel was dat het verkeer in de stad geheel plat lag. De burgers liepen barrevoets over de straten om de muziek niet te verstoren. In de Harpstraat klonk een harp, in de Klavecimbeldwarsstraat klonk een klavecimbel. De instrumenten musiceerden autonoom - zij hadden geen bespeler nodig. De burgers volgden het geluid om op het Orkestplein te komen. Zij waren namelijk blind.

Daar stond een spreekgestoelte, waarvan ik wist dat het voor mij was bestemd. Ik baande mij (‘Pardon, pardon, pardon, excuseert u mij’) een weg door de menigte, beklom de katheder en schraapte mijn keel. Het hele plein brak op de knieen. Een enkeling viel flauw van pure devotie. Een oude man rukte zijn laatste haren uit. Toen begon men massaal te bidden. 'Gij, die alles ziet, leer ons, blinden, wat geluk is.’
Ik leuterde voor de vuist weg over kleuren, de sfeer van rood, de geur van geel en kreeg de handen op elkaar met mijn indringende beschrijving van de regenboog. Er vormde zich een rij en iedereen kuste beurtelings mijn schoenen. Heel even streelde het mijn ijdelheid, maar op hetzelfde moment werd ik jaloers op hun vermogen zich te geven. In een authentieke aanval van afgunst riep ik: 'Steek mij in Godsnaam de ogen uit!’
Aldus geschiedde. Pijnloos was het niet, vooral toen het tot mij doordrong dat ik in hun blinde ogen Jezus Christus was, die hun duisternis op mijn smalle schouders torstte. In mijn poging te vluchten sodemieterde ik van het spreekgestoelte af. Het is nu tweeduizend jaar geleden, hun geloof houdt nog altijd stand, maar ik heb nog steeds last van mijn knie.