De bloedgravin

DE HONGAARSE gravin Erzsébet Báthory (1560-1614) pakte de bestrijding van opkomend ouderdomsgevoel drastisch aan: zij baadde in maagdenbloed. Ze was ervan overtuigd dat dat haar jong zou houden en haar huid glad. In de beslotenheid van haar kastelen zou ze meer dan zeshonderd jonge vrouwen hebben gemarteld en gedood om in deze cosmetische behoefte te voorzien. De slachtoffers werkten als personeel bij haar of werden van de landerijen geplukt. De Hongaarse historicus Dezsö Rexa schreef dat als haar daden eerder in geleerde kringen bekendheid hadden gekregen, sadisme niet sadisme had geheten maar bathoryisme.

‘Er bestaat geen twijfel over dat als markies De Sade van haar bestaan had geweten zij hem in grootste vervoering had gebracht’, schreef Georges Bataille in The Tears of Eros: 'Erzsébet Báthory zou hem als een wolf hebben laten huilen.’ Ze was een icoon van de surrealistische groep in Parijs. Ze inspireerde de gebroeders Grimm, Leopold von Sacher-Masoch en de Nederlandse kunstenares Erzsébet Baerveldt, die zelfs de moeite nam zich dezelfde voornaam en haarlijn (door middel van een laserstraalbehandeling van de haarwortels) aan te meten. Tussen 1970 en 1974 werden er in Europa vier films over de bloedgravin gemaakt (Countess Dracula, Le rouge aux lèvres, Ceremonia sangrienta en Contes immoraux). Ook Tony Scotts The Hunger (1980) met Cathérine Deneuve in de hoofdrol is indirect gebaseerd op de Báthory-mythe. Ondanks dit alles bleef zij vrij obscuur.
IN 1990 STUITTE ik in Hongarije bij toeval op de geschiedenis van de bloedgravin, op een ver familielid van haar en op een Hongaarse bevolking die niet van plan was iets los te laten over haar bloedgravin. Behalve een oude dame, die bij het oproepen van geesten in een Nádasdy-huis wel eens bezocht was door Erzsébet, hield iedereen zich van de domme. In het Báthory-museum in Nyírbátor weigerde men haar portret te laten zien. In een naar urine stinkende Boedapester pornobioscoop zag ik Borowczyks Contes immoraux (Frankrijk, 1974) met Paloma Picasso in de rol van Erzsébet, waardoor de bloedgravin zich in mijn hoofd nestelde als een mooie vrouw. Wat waarschijnlijk onzin is: op haar portret kijkt ze alsof ze recent een lobotomie heeft ondergaan. Op een voor mij onleesbaar Hongaars boek na was er tot voor kort in de boekwinkel niets over haar te vinden.
Met het neerhalen van het IJzeren Gordijn zijn lang ontoegankelijke Midden-Europese archieven ontsloten. Boekenschrijvers en filmproducenten uit de hele wereld hebben zich met nieuwe energie op de Báthory-mythe gestort, met als voorlopig resultaat drie boeken, en enkele films in voorbereiding.
Opgetogen haalde ik de boeken in huis. Na al die jaren zou ik eindelijk enig inzicht krijgen in deze intrigerende Centraal-Europese heerseres.
The Blood Countess van de Amerikaans-Roemeense Andrei Codrescu is een horror-thriller over een Amerikaanse journalist die in Hongarije bij toeval stuit op de geschiedenis van de bloedgravin, op een ver familielid van haar en op een complot om het Hongaarse koningschap te herstellen. George Clooney, de knappe dokter uit ER, heeft een optie genomen op de filmrechten van Codrescu’s meesterwerk.
Meryl Streep is de beoogde bloedgravinvertolkster voor de verfilming van een zeventig jaar oud Tsjechisch melodrama Vrouwe van Cachtice dat een producent in Praag van de grond probeert te krijgen. Op Internet zoekt weer iemand investeerders voor een bloedgravinnenfilm. Welke film het eerst maalt is onduidelijk, maar zeker is dat de rol van de bloedgravin een buitenkansje is voor iedere actrice die eens een uitgesproken evil woman wil spelen.
Blood Ritual van de Engelse Frances Gordon is een horror-thriller over een Engelse journalist die in Hongarije bij toeval stuit op de geschiedenis van de bloedgravin, op een ver familielid van haar en op een belachelijk complot om een bloedreservoir voor de nazaten van de bloedgravin aan te leggen.
Qua lachwekkendheid, pornografische en sadistische uitweidingen gelardeerd met historische humbug, doen Blood Ritual en The Blood Countess niet voor elkaar onder. Ze verschenen in 1994 en 1995. Waarom wijdt niemand gewoon een biografie aan deze dame? De beweringen over haar leven zijn zo grotesk (zeshonderd dooie meisjes om een menopauze te bestrijden!) dat een verzonnen flutverhaal overbodig is.
De Engelse Tony Thorne heeft die biografie geschreven: het gedegen Countess Dracula, dat in Nederland zal verschijnen onder de titel De bloedgravin. Ik was nog geen kwartier in deze biografie aan het lezen of ik kreeg een vreselijke bloedneus. Van dat mooie donkerrode bloed dat maar niet stollen wil. Dat heb ik tegenwoordig nog maar met heel weinig boeken.
Met deze nieuwe lichting Báthory-literatuur in handen ging ik terug naar Centraal-Europa, op zoek naar de gravin.
HOEWEL ERZSEBET Báthory bijna vierhonderd jaar dood is, blijkt haar geest behalve in Hollywood ook in grote delen van het voormalige Habsburgse rijk nog springlevend. Lockenhaus, één van de tientallen kastelen die Erzsébet bezat, ligt in Oostenrijk. De tegenwoordige kasteelheer sleept mij een donker gewelf in, de Kult-raum van de Middeleeuwse orde der Tempeliers. Vorig jaar brachten drie Duitse studentes er in het kader van hun studie de nacht door. Ze werden subiet bezocht door de geest van de bloedgravin. Onder haar arm hield ze een afgehakt meisjeshoofd. Buiten Hongarije is men beduidend loslippiger over de gravin, de kasteelheer struikelt zowat over zijn woorden. Naast het kerkje aan de voet van het kasteel zien de dorpelingen bij het vallen van de avond de bloedgravin nog regelmatig rondscharrelen - ze klauwt naar voorbijgangsters.
De kasteelheer wijst naar het lager gelegen dorpje: 'Daar wonen families die dochters aan haar moesten afstaan.’ Hij toont De IJzeren Jonkvrouw, volgens hem een patent van de bloedgravin. Een holle stalen pop met twee openslaande deurtjes met lange scherpe stalen punten. In de pop kan iemand gestopt worden, die met het sluiten van de deuren doorspiest wordt. De Oostenrijker legt enthousiast uit hoe het bloed door een netwerk van kanaaltjes, als het irrigatiesysteem voor een tomatenveld, over een afstand van zeker twintig meter naar Erzsébets bad vloeide. Stolde dat bloed niet halverwege, vraag je je af - maar ik wil de stemming niet bederven.
'Op het idee van het bloedbaden kwam zij toen zij een bediende slaag gaf en er een druppel bloed op haar gezicht spatte. Zij ontdekte dat de huid op die plek lichter en mooier bleef. Van het één kwam het ander’, vertelt de kasteelheer en hij gaat mij voor naar de garderobe. Hij vermoedt dat Erzsébets badkamer hier was.
DE BLOEDGRAVIN kwam uit een familie van Transsylvaanse vorsten. Zolang ze de Turken tegenhielden, werd hun door de Habsburgers autonomie gegund en mochten ze daar in de bergen doen wat ze wilden. Zelfs protestants blijven. Erzsébet trouwde met graaf Ferenc Nádasdy, oorlogsheld, afkomstig uit een machtige familie met veel bezit in het westen van Hongarije. Hij was vrijwel ononderbroken aan het front, waar hij volgens de overlevering danste met de lijken van Turken. Op het schilderij dat van hem bewaard is, ziet hij eruit als een grote, botte vent die je zonder probleem naar de andere hoek van willekeurig welke feestzaal werpt.
Toen hij in 1604 stierf werd Erzsébet de hoedster van de omvangrijke bezittingen. Ze moest haar landerijen laten renderen, tientallen kastelen onderhouden, honderden bedienden instrueren, geschillen schikken, kerken subsidiëren, studenten en kunstenaars ondersteunen, drie kinderen opvoeden (ze kreeg er vijf, twee stierven jong) en de op haar bezit azende edelen van het land houden. Te paard kostte het dagen om van het ene landgoed naar het andere te gaan: ze lagen verspreid over het huidige Kroatië, Hongarije, Slowakije en Oostenrijk, waar ook toen verschillende talen en dialecten werden gesproken. Erzsébet sprak en schreef Latijn, Grieks, Hongaars en Duits. Zij beheerde, voor zover na te gaan, de bezittingen efficiënt.
Weduwen waren geliefde objecten om te rippen. Koud twee jaar na de dood van haar man probeerde graaf Bánffy een afgelegen landgoed bij Kaposvár in te pikken, waarop zij hem dit briefje schreef:
'Magnifice Domine Nobis Observandissime, Moge God u al het goede schenken. Ik moet u schrijven over de volgende kwestie: mijn bediende János Csimber kwam gisteravond thuis en meldde mij dat u mijn landgoed in Lindva hebt bezet. Ik begrijp dit niet, waarom hebt u dat gedaan? Denkt u niet, György Bánffy, dat ik een tweede weduwe Bánffy ben! Geloof me maar, ik zal hier niet stilzwijgend aan voorbijgaan, ik sta niet toe dat wie dan ook mijn bezittingen inneemt. Alleen dit wilde ik u laten weten. Ex arce nobis Kapu 3 Feb 1606. Elizabeta Comittissa de Bathor P.S. Ik weet, meneer, dat u dit heeft gedaan, mijn kleine landgoed hebt bezet, omdat u arm bent, maar denk niet dat ik u de rust zal laten er het genot van te smaken. U zult een man in mij vinden.’
IN EEN TIJD dat per brief eindeloos beleefdheden werden uitgewisseld is dit een buitengewoon to the point kattebelletje. Het staat in De bloedgravin van Tony Thorne, en is een van de vele niet eerder gebruikte documenten die hij uit Centraal-Europese archieven heeft weten op te duikelen. Thorne toont aan dat de weduwe Báthory een sterke, onafhankelijke vrouw was. Dat op zich was in de patriarchale wereld genoeg om tot heks te worden uitgeroepen en op de brandstapel te worden gebonden.
Daar kwam nog eens bij dat zij protestants was en samen met haar neef vorst Gábor een groot gevaar voor de katholieke Habsburgers vormde. Gábor zat ver weg in Transsylvanië, maar Erzsébets bezittingen lagen op strategisch belangrijke plekken in het westen van Hongarije; een keten van kastelen in een halve maan tussen het door de Turken bezette laagland en Wenen. Voordat Erzsébet en andere edelen zich bij Gábor zouden aansluiten moest zij geneutraliseerd worden; losgeweekt van mogelijke medestanders en vervolgens van haar macht ontdaan.
György Thurzó, de onderkoning van Hongarije, vazal van de Habsburgers en buurman van Erzsébet bracht haar ten val. Op de avond van 29 december 1610 trok hij met een detachement soldaten en vergezeld van de twee niet lang daarvoor tot het katholicisme bekeerde schoonzonen van Erzsébet op naar het huis bij Cachtice. Het huis was voorzien van een onderaards gangenstelsel. Erzsébet vluchtte niet. Thurzó claimt dat hij haar betrapte terwijl zij juist druk doende was een dienstmeisje te vermoorden.
Deze beschuldiging werd onmiddellijk flink van de daken geschreeuwd. Binnen enkele dagen werd een groot aantal mensen verhoord en stapelden de beschuldigingen aan Báthory’s adres zich op. Hierbij moet niet vergeten worden dat marteling in die dagen standaard bij ieder verhoor hoorde, ook al was je een volkomen onschuldige voorbijganger. Tony Thorne maakt duidelijk dat haar proces het best te vergelijken is met een communistisch staatsproces. De getuigenissen zijn kwantitatief, niet kwalitatief. Op de opgetekende en in Boedapest bewaarde beschuldigingen van dit proces zijn de tot nu toe over de bloedgravin gepubliceerde theorieën, films en boeken gebaseerd.
Haar handlangers, twee vrouwen, Jó en Dorkó, en Ficzkó, mogelijk een dwerg, werden snel berecht. Op 7 januari 1611 werd het vonnis uitgesproken en aansluitend uitgevoerd. Bij de vrouwen werden eerst met een tang de vingers uit de handen getrokken en daarna werden ze levend op de brandstapel gebonden. Ficzkó werd vanwege zijn jeugdige leeftijd clement behandeld en onthoofd voordat zijn lichaam op het vuur werd gegooid. Erzsébet werd voor zolang veroordeeld tot huisarrest in haar kasteel op de heuvel boven Cachtice, maar de opzet haar te isoleren was geslaagd.
NA LOCKENHAUS reisde ik naar Slowakije, naar de modderige Witte Karpaten, naar de ruïne van het kasteel van Cachtice. Het ligt van God verlaten op een rots omringd door bossen en wild gras. Het is alleen te voet te bereiken. De dorpshistoricus van Cachtice en een tolk maken mij wegwijs. De tolk verzekert me dat er in de Witte Karpaten nog altijd bruine beren leven en de dorpshistoricus vraagt mijn kaartje en glimt als hij terloops zegt dat hij ook de kaartjes heeft van een Japanse cameraploeg en een Griekse prins die naar Cachtice kwamen voor de bloedgravin. Hij vertelt in detail hoe zij haar slachtoffers teisterde; ze stak pinnen in borsten, beet happen uit wangen en schouders, overgoot naakte meisjes in de vrieskou met water en liet hen staan. Ook onderweg van het ene landgoed naar het andere martelde zij voort met naalden en pinnen, waardoor de koets af en toe halt moest houden om aan de kant van de weg dienstmaagden te begraven. Zij was het voorbeeld van de verrotte Hongaarse aristocratie: 'Die waren allemaal slecht.’
In Hongarije wordt ze een beetje weggemoffeld, in Oostenrijk is ze handel. In de kasteeltuin van Lockenhaus wordt ’s zomers voor toeristen een musical over haar opgevoerd. In Slowakije is ze het voorbeeld van de excessen van de Hongaarse overheersers. De ontmoetingen tijdens mijn rondreis illustreren Tony Thornes boek; hoe iedereen naar eigen goeddunken varieert en vrij associeert op de mythe van de bloedgravin. Thorne: 'Ze is twee jungiaanse archetypen in één: de boze stiefmoeder en de femme fatale. Ze belichaamt zoveel thema’s die nu, aan het einde van deze eeuw, opgang maken: ze is een vermeende moordenares, maar ook een vampier en een vrouw die in een mannenwereld macht bezat, en ze komt ook nog eens uit een tijd en een plaats ver weg.’
Tony Thorne geeft een goed beeld van de tijd en plaats waarin Erzsébet Báthory leefde; niemand keek eigenlijk op van het ombrengen van bedienden of het beroven van een weduwe. Bestendiging van de macht, ten koste van alles, dat was wat telde. Thornes grote verdienste is dat hij een boek heeft geschreven dat de bloedgravinnengeschiedenis uit de pornografische hoek haalt. Hij redt haar uit de handen van Hammer Horror Movies en maakt aannemelijk dat de hele Báthory-mythe gebaseerd is op een lastercampagne. Een dermate succesvolle lastercampagne dat nu, vierhonderd jaar na dato, Slowaakse boerinnetjes ’s nachts nog steeds nauwelijks uit bed durven om te controleren of de kippen goed op stok zitten.
ERZSEBET SPRAK geen Slowaaks. Ze had nauwelijks nog Hongaarse bedienden. Na vier jaar, voordat er uitspraak gedaan werd in de zaak tegen haar en voordat zij ooit de kans kreeg weerwoord te bieden, stierf zij binnen de muren van de burcht. Sommige mensen zeggen dat zij ingemetseld was. Wat er met haar lichaam gebeurde weet niemand. Haar bezit ging over op haar zoon en de twee dochters met hun katholieke echtgenoten. Zij lieten het kasteel boven Cachtice vervallen. De dorpelingen hebben hen dat tot op de dag van vandaag niet vergeven, en vertellen hoe de bloedgravin in maagdenbloed baadde en ervan dronk. En wij luisteren. Wij willen haar. Wij zuigen haar leeg. Wij zijn de vampiers.