De bloeiende agave

Bij Cees Nooteboom krijgt alles een magische lading, als verzet tegen de rationalisatie en onttovering van menselijke verhoudingen. Ook in zijn nieuwste boek laat Nooteboom zich zijn illusies niet afnemen.

Cees Nooteboom, Brieven aan Poseidon. Bezige Bij, 251 blz., €19,90

Het nieuwste boek van Cees Nooteboom presenteert een ware encyclopedie van zijn thematiek en schrijfkunst. Als je nog nooit iets van hem hebt gelezen, kun je hier terecht. Het staat vol bespiegelingen over tijd, over verlies en rouw, over verdwenen goden en hun onderlinge strijd, over het geheugen en de herinnering, over wonderbaarlijke voorwerpen, over aanwezig zijn en afwezig zijn. Vaak zijn ze geschreven in de vorm van brieven aan de Griekse godheid Poseidon en steeds roepen ze sterke gevoelens van melancholie op over wat voorbij gaat, al verdwenen is of aan onze aandacht dreigt te ontsnappen. Het begint zo: ‘Hoe begint iets? 2008, een februaridag in München, ik heb op de Marienplatz een boek gekocht van Sánder Márai, geen roman, maar korte stukken.’

De ik herinnert zich vervolgens een eerder boek dat hij over diens leven in ballingschap las. Hij beseft dat zijn eigen leven verwantschap vertoont met dat van Márai en hij gaat naar een terras. ‘Ik bestel een glas champagne om deze eerste dag van de lente te vieren en begin te lezen. Het boek verscheen in 1938, maar wat ik lees is het werk van een tijdgenoot, iemand die zijn leven doorbrengt met kijken en lezen, reizen en schrijven.’ Net als Nooteboom. Ik geef toe dat ik er meteen bij dacht: en met geld verdienen, maar zoiets zet je er in een bespreking als deze natuurlijk niet bij. Even later ziet de ik in blauwe letters op een servet van het café de naam Poseidon staan en ineens besluit hij een boek te gaan maken met brieven aan de god Poseidon: ‘Kleine woordverzamelingen die over mijn leven berichten.’

Nooteboom creëert hier in een paar zinnen een volstrekt magische situatie: ballingschap (de schrijver zelf), champagne (toverdrank), lenteviering (magisch ritueel), een toevallig servet (bericht van goden) en het resultaat van deze betovering is het boek dat voor ons ligt: een boek met brieven aan de godheid. Ik vind dit ijzersterk. Je kunt het allemaal enigszins over the top vinden, dit gekoketteer met ballingschap, goden en de betere literatuur, maar hij slaagde er toch maar mooi in mij als lezer onmiddellijk in een geschikte leeshouding neer te zetten. Die van contemplatie, melancholie en literatuur, hij kreeg dit voor elkaar door direct in het begin een soort verbond met de lezer, met mij bedoel ik, te sluiten, zo voelde het, en hij slaagde er zonder meer in me tijdens lezing volledig bij de les te houden. Ik ging met hem mee op pad, terwijl ik toch niet een lezer ben die direct te porren is voor kleine overpeinzingen over niet altijd grootse onderwerpen als planten, stenen, dode walvissen en het verband tussen Brigitte Bardot en Poseidon. Waar-gaat-het-eigenlijk-over-Thea? is een vraag die ik me (te) vaak (te) snel stel. Maar niet bij deze dromerige, sterk associatieve overpeinzingen die weliswaar heen en weer schieten tussen van alles en nog wat, maar toch een ijzersterke onderliggende lading hebben. Die van magie en reflectie daarover.

Schrijven is bij Nooteboom de enscenering van rituelen (letters op papier zetten) waaruit dan, als het meezit, boodschappen uit een nog onbekende wereld zullen opdoemen. En vaak zit het doodgewoon mee bij deze in de grond zeer emotionele schrijver. Het verleden, het verlorene, het aan de aandacht ontsnapte en de reflectie daarover, dat is zijn gebied. In zijn hele oeuvre probeert hij zijn in de loop der jaren opgebouwde en uiteindelijk zeer succesvolle magische schrijfopvatting, zijn schrijf­mythologie, in stand te houden, of liever, steeds opnieuw op te roepen. Gemakkelijk kan het niet altijd geweest zijn, je moet jezelf bij een dergelijke schrijfwijze, terwijl je schrijft, keer op keer in een lichte toestand van verwarring zien te brengen. Een soort mystieke euforie. Ik bedoel niet dat de schrijver verward is, integendeel, hij is juist uiterst geconcentreerd, je kunt het aan zijn precieze schrijfwijze zien. Maar die precisie heeft niets te maken met de verwarring die eraan vooraf is gegaan. Zelf heeft hij het in een van de hoofdstukjes in dit Poseidonboek over een ‘gedachtentuimel’ waarin hij valt. ‘Ik heb een afwijking die ik gedachtentuimel noem, een verwarring waarin ik van de ene gedachte in de ander tuimel.’ Hij moet in de loop van de tijd gemerkt hebben dat hier zijn grote kracht ligt, in een verhevigd werken met het associatieve, met het zich toestaan van plotselinge inzichten en met de creatie van aannemelijke verbanden tussen wat onverbindbaar is of lijkt. Zowel zijn romanpersonages als zijn alter ego’s in de reisboeken en in deze nieuwe woordverzameling van levensberichten, proberen altijd voor zichzelf een magische ruimte in het leven te roepen van waaruit ze zich te weer proberen te stellen tegen de voortschrijdende rationalisatie en de daarmee samenhangende onttovering van maatschappelijke en menselijke verhoudingen.

Het merkwaardige is dat dit verzet bij Noote­boom, ook in dit nieuwste werk, nooit de vorm aanneemt van een larmoyante jammerklacht tegen de alles opslokkende rationalisatie en de daarmee gepaard gaande verloedering. Er is eerder sprake van opgewekte verbazing en een soort luchtig gehouden somberheid die het allemaal ver boven bitter gezeur van een oude man uittilt. Hij probeert altijd iets opgewekts in stand te houden. Kijk nu maar goed naar dit alles, is zijn stellingname, dan valt er altijd nog heel veel te zien en dus valt het mee. Dit is de grondtoon van zijn werk. Af en toe dringt er wel iets cynisch naar voren, hij vraagt zich bijvoorbeeld op pagina 161 met enige gêne af of de ‘onttovering van de wereld’ misschien al begonnen is met Socrates die in de onsterfelijkheid van de ziel geloofde, maar daar wel hardop over begon na te denken. Of begon het al eerder met het verzet van mensen tegen de beslissingen van goden? Niet altijd vind ik overigens zijn beelden van en beschrijvingen over het magische even gelukkig. Zijn bespiegelingen over ‘de tijd’ zijn vaak irritant nietszeggend, daar krijgt zijn betoog iets levenloos. En wat te denken van een zin als: ‘Hoe meer ik weet, des te minder weet ik.’ Zulke tegeltjeswaarheden heeft hij niet nodig, maar hij kan het niet laten ze af en toe te gebruiken.

Een paar jaar geleden zag en sprak ik Cees Nooteboom op het Centraal Station in Den Haag. Hij at een nasischijf en vroeg me waarom De Groene vrijwel nooit aandacht aan zijn werk besteedde. Hij had een punt, vond ik, dit artikel is er een gevolg van. Ook zijn eerlijkheid nam me voor hem in, de meeste schrijvers houden gewoon hun kop als ze vinden dat ze te weinig aandacht krijgen. Ik sprak destijds uiteraard met de persoon en de schrijver Cees Nooteboom, niet met zijn alter ego die in zijn boeken aan het woord is. Een man op weg ergens naartoe. Op weg om ergens te verdwijnen. Vaak kaart Nooteboom dit verdwijnthema in zijn werk aan, zeker ook in zijn romans. Neem de hoofdfiguur in Allerzielen (1998), hij probeert zich steeds onzichtbaar te maken. ‘Wat zij nu ziet: hoe hij beweegt. Vormen van onzichtbaarheid omdat je die niet nodig hebt voor iets. Zelfs in die kleine rij verdwijnt hij een beetje, ondanks zijn lengte. Afwezigheid als methode’ (let vooral weer op de associatieve schrijfwijze). Ook de ik in Brieven aan Poseidon is een afsplitsing van iemand die afwezig wil zijn, die wil verdwijnen, deze vertel-ik is een ideaal, een schim van de levende schrijver, eentje die hem vertegenwoordigt op zijn helderste ogenblikken, de mythische Nooteboom zal ik maar zeggen, de man die als schrijver een tovenaar wil zijn, en dat op zijn beste momenten ook is, niet de figuur die op het station uit een trein stapte. Ergens op een weg ziet de ik in dit Poseidonboek een paar jongens lopen, ineens maakt hij ‘een val in de tijd’ (typisch Nooteboom-mystiek) en hij meent zichzelf te zien op jonge leeftijd. ‘Waarom denk ik dat ik mezelf ontmoet heb? En als dat niet zo is, wie heb ik dan ontmoet die ik nooit zal kennen.’ Nooteboom in optima forma.

Magie is overal in dit oeuvre, Nooteboom wil haar nu eenmaal altijd zien en voelen, het liefst overal, dit houdt zijn werk op een merkwaardig obsessieve manier in de lucht. Hij smeekt er bijna om, alles krijgt bij hem een magische of rituele lading. Ook wanneer hij wetenschappelijke bevindingen over bijvoorbeeld de ontbinding van een gestorven walvis tegen het licht van de godenwereld houdt. Juist dan is hij op zijn sterkst. Of neem het prachtige hoofdstukje ‘Steen’ waarin hij magische krachten aan een steen toeschrijft. Eerst geeft hij een fabuleuze beschrijving van die steen, waarin de magie al zichtbaar en voelbaar wordt, hij betovert de steen, en daarna stelt hij, bijna overbodig: ‘Amulet, fetisj die aan twee voorwaarden moet voldoen: hij moet onaanzienlijk en voor anderen waardeloos zijn, en van een schoonheid die voor de anderen niet waarneembaar is.’ Of neem de verwondering over de plotse bloei van de agave bij zijn huis. Ineens groeit er binnen een paar dagen een ‘hoog opgerichte groene phallus op zoek naar voleinding, meebuigend met de wind’. Dezelfde agave was al eerder in zijn werk aanwezig, in Rode regen (2007), daar beschrijft de ik hem als volgt: ‘Ineens was hij er, een metershoge, doelgerichte fallus, en voor mijn gevoel al meteen daarna die enorme toren overdadig witte bloemen waar ik niet bij kon.’ De agave is uiteraard een symbool van schrijverschap, zijn eigen schrijverschap, de moeizame groei, de plotselinge bijna erotische bloei ervan en daarna in de toekomst de ondergang in de dood. Allemaal pure romantiek natuurlijk, je zou er hard om kunnen lachen, uiteraard weet Nooteboom dat heel goed, juist dat maakt zijn werk zo sterk. Even verderop voegt hij er niet ongeestig aan toe: ‘Alles wat ik zeg (over die agave – kth) is waarschijnlijk plantkundige onzin, maar ik laat me mijn illusies niet afnemen.’ Ik laat me mijn illusies niet afnemen. Het staat er zomaar, maar dit formuleert ineens in een notendop Nootebooms hele schrijfprogramma.