De blonde Arabier

Met Zeven zuilen van wijsheid plaatste T.E. Lawrence zichzelf bewust in de traditie van de grote negentiende-eeuwse Engelse woestijnreizigers. De leiderschapsrol die hij zichzelf toedicht in de Arabische Opstand (1916-1918) is echter op z’n minst te zwaar aangezet.

T.E. LAWRENCE
ZEVEN ZUILEN VAN WIJSHEID
Vertaald door Sjaak Commandeur en van een nawoord voorzien door Guus Kuijer. Athenaeum-Polak & Van Gennep 736 blz., € 44,95

Medium te lawrence of arabia

Van alle Britse excentriekelingen met een hang naar de Arabische woestijn is T.E. Lawrence (1888-1935) ongetwijfeld de meest ongrijpbare en wat mij betreft ook de meest onsympathieke. Doe mij maar Charles Doughty, Richard Burton of Wilfred Thesiger. Terwijl deze Britse avonturiers de bedoeïenen bewonderden om hun extreme uithoudingsvermogen, hun gastvrijheid of onderlinge loyaliteit, was Lawrence vooral gefascineerd door hun achteloze wreedheid, ‘die onbedorven was door twijfel, onze moderne doornenkroon’, in Lawrence’s eigen woorden. Zeven zuilen van wijsheid is in de eerste plaats het zelfportret van een man die door het harde leven in de woestijn deze ‘doornenkroon’ van morele twijfel afwerpt en zijn eigen mannelijke bloeddorst met grote geilheid leert omarmen. ‘Wanneer er reden en lust was tot straffen, schreven we onze les dadelijk met het geweer of de zweep in het norse vlees van de ongelukkige, en hoger beroep bestond niet’, schrijft hij. Tegen het einde van het boek is hij in staat om, net als ‘zijn’ bedoeïenen, zonder scrupules mensen te doden.
Een triomf is de oorspronkelijke ondertitel van het boek. Dat is opzettelijk bitter en ironisch. Het is de triomf op de moraal, de triomf op datgene wat gewoonlijk geldt als goed en kwaad, de wetten van de stadsmensen die in de woestijn niet gelden. En het is een triomf op de geschiedenis, waarvan hij de loop aanvankelijk naar zijn hand weet te zetten, maar die hem uiteindelijk volledig door de vingers glijdt. ‘Een desillusie’ zou de ondertitel zijn geweest van een mindere literator dan Lawrence.
Lawrence’s verhaal speelt zich af in een historische setting, maar dat betekent nog niet dat het waar gebeurd is. Het is intussen ruimschoots aangetoond dat Lawrence een megalomaan was die zijn eigen leiderschapsrol in de Arabische Opstand (1916-1918) veel te zwaar heeft aangezet. Als hij al van invloed is geweest op de politieke herinrichting van het Midden-Oosten tijdens en na de Eerste Wereldoorlog, dan kwam dat omdat hij zich bewust had laten hypen door de Amerikaanse oorlogscorrespondent Lowell Thomas. Lawrence poseerde uitgebreid voor Thomas’ camera, zowel peinzend als in actie, al dan niet op een kameel, en gekleed in een smetteloze thawba. Deze romantische plaatjes vonden gretig aftrek bij het Engelse en Amerikaanse publiek. De opvoeringen van Thomas’ Lawrence-filmpjes in Londen waren populaire spektakels, compleet met wierooklucht, muziek en exotische danseressen. Terwijl de zonen van Engeland hopeloos aan het vastlopen waren in de Franse loopgraven, werd in Arabië door de Britten wél wat groots verricht, was de opbeurende boodschap van de voorstellingen. En zo dicteerde het sprookje van Lawrence de werkelijkheid, want de Britse politici moesten na de oorlog inderdaad rekening houden met dit in het theater gekweekte sentiment.
De Arabische Opstand, waarmee Lawrence’s naam voor altijd is verbonden, was een guerrilla-oorlog tegen de Ottomaanse troepen in de Hejaz, een gebied aan de westkant van het Arabisch Schiereiland. Deze guerrilla stond onder leiding van Abdullah en Feisal, de zonen van Sharif Hussein. Hussein was een lokale vorst met enige standing, omdat hij als afstammeling gold van de profeet Mohammed en opzichter was van de twee heilige plaatsen Mekka en Medina. In 1915 ging Hussein een alliantie aan met de Engelsen. De bedoeling van deze Engels-Arabische alliantie was niet alleen om de Turken uit de Hejaz te verdrijven, maar ook om meer noordwaarts een bruggenhoofd te creëren, zodat de Engelsen makkelijk konden oprukken vanuit Egypte om ook Palestina van de Turken te bevrijden. Zou dit plan slagen, dan zouden de Engelsen Hussein rijkelijk belonen door van het hele bevrijde gebied een Arabisch koninkrijk maken, met het huis van Hussein (de hasjemieten) op de troon en Damascus als hoofdstad. Dit is de spanningsboog in Zeven zuilen. Slagen de Arabieren in hun opzet? Krijgen zij Damascus uiteindelijk in handen? Als je het boek opvat als een moderne ridderroman en de Arabische Opstand als Lawrence’s persoonlijke queeste, dan heeft Damascus in het verhaal de functie en de roep van de Heilige Graal.
Lawrence was in 1916 een onbelangrijk stafofficier zonder militaire ervaring, gestationeerd in Caïro. Hij had zijn superieuren gevraagd of hij in zijn verloftijd mee mocht met een onderzoekscommissie naar de Hejaz. Officieel had hij helemaal geen missieopdracht, maar dat zag hij zelf toch anders. ‘Mijn bedoeling was een nieuwe natie te maken, een verloren gegane invloed te herstellen en twintig miljoen semieten de fundering te verschaffen waarop ze een geïnspireerd droompaleis van hun eigen nationale gedachte konden bouwen’, schrijft hij. Hij, Lawrence, zou de ontdekker worden van de profeet van deze nieuwe nationale beweging. Hiertoe werd een soort sollicitatieprocedure gehouden. Alle zonen van Hussein passeerden de revue. Abdullah was naar Lawrence’s smaak ‘te berekenend’, Ali ‘te smetteloos’ en Zeid ‘te nuchter’. Maar Feisal, de derde zoon van Hussein, was precies goed. ‘Bij de eerste blik voelde ik al dat dit de man was voor wie ik naar Arabië was gekomen’, schrijft hij, ‘de aanvoerder die de Arabische opstand tot volle glorie zou brengen.’ In werkelijkheid had Lawrence op dat moment helemaal niets in te brengen.
Nadat de commissie gerapporteerd heeft aan Caïro wordt Lawrence officieel aangesteld als verbindingsofficier in de Hejaz en voegt hij zich bij de troepen van Feisal. In zijn versie organiseert hij het zooitje ongeregeld en weet hij het voor elkaar te krijgen dat de bedoeïenen hun agressie richten op het veroveren van hun ‘nationale droompaleis’ in plaats van op elkaar. Vervolgens kan het avontuur richting Damascus beginnen.
Of Lawrence nu echt de grote leider was van de opstand zal wel voor altijd een geheim blijven. In elk geval is vast komen te staan dat hij zelf niet aanwezig was bij de slag die hij wel als de meest cruciale beschrijft, de slag om Aqaba. Maar de vraag naar de historische waarheid van Zeven zuilen is misschien wel helemaal niet de meest interessante.
Lawrence was in de eerste plaats een schrijver die ook onder schrijvers verkeerde: hij correspondeerde met onder anderen Bernard Shaw, Robert Graves, E.M. Forster en Joseph Conrad. Het ligt voor de hand dat hij al voor zijn komst naar Arabië een groot werk in de categorie fictie wilde schrijven, en helemaal niet uit was op een getrouw verslag van de oorlogshandelingen. Maar er is ook nog iets anders aan de hand.
Lawrence plaatst zichzelf met Zeven zuilen bewust in de traditie van de grote negentiende-eeuwse Engelse woestijnreizigers. Zijn prachtige en vaak uiterst gedetailleerde observaties zijn allerminst onbevlekt ontvangen. Hij kende de boeken van Charles Doughty, Richard Burton, Jean Louis Burckhardt, Wilfrid Blunt en Benjamin Disraeli goed en herhaalde onbekommerd hun bevindingen, die intussen tot gemeenplaatsen waren geworden. De verbandlegging tussen het kale landschap en het speciale gevoel van ‘semieten’ voor religiositeit is zo’n gemeenplaats, of de doodsverachting van de bedoeïen. Ook teerde hij uitgebreid op hun kennis van flora en fauna, plaatsnamen, geografie, stammen, gewoonten en taal.
Lawrence’s reis valt daarom te beschouwen als een bijzondere leeservaring, waarbij de literatuur van zijn voorgangers in Arabië niet alleen in de geest, maar via alle zintuigen wordt geconsumeerd en waarbij hij eindelijk zelf de protagonist mocht zijn. Het probleem was dat al deze kennis hoorde bij het ‘verliteratuurde’, cerebrale bestaan dat hij in Arabië juist wilde afzweren. Daarom kon de werkelijkheid niet hard genoeg, het lijden niet onverdraaglijk genoeg en de moraal niet verdorven genoeg zijn.
Zoals in elke goede roman kun je ook hier wachten op een ommekeer. Dezelfde elementen die eerst nog vrijheid betekenden, gaan opeens verkeren in hun tegendeel. Dat moment komt in Zeven zuilen met de scène in Dera (Boek VI), een verlopen doorgangsoord in Zuid-Syrië. Lawrence, vermomd als Circassiër (want te blond om voor een Arabier door te gaan) is daar aan het spioneren als hij door de Turken wordt opgepakt, gemarteld en verkracht. Ineens keert die hele, zwaar verheerlijkte harde en mannelijke werkelijkheid zich tegen hem en wil hij gewoon dat ze ophouden. Als hij weet te ontsnappen, vlucht hij met zijn teruggevonden metgezellen te paard uit Dera weg. Onderweg komen ze een concurrerende bedoeïenenstam tegen die hen, tegen de gewoonte in, onberoofd doorlaat. ‘Hun consideratie’, schrijft Lawrence daarover, ‘gaf me de kracht om een last te dragen die met het verstrijken der dagen tot zekerheid werd: dat die avond in Dera de citadel van mijn zelfbeschikking onherroepelijk was geslecht.’
Ik wilde dat ik nu kon zeggen dat dit de moraal is van het verhaal, dat Lawrence een morele U-bocht maakt en moet constateren dat de gewone medemenselijkheid toch het allerbeste is. Maar ook in de scène te Dera zit een zekere verlustiging, door het detail, door de manier waarop hij de zweepslagen telt, zijn bloed proeft en de zachtheid van zijn huid beschrijft. Dit is léven.