De blundergalerij

Nu het RIVM toegeeft dat de aanleg van de Betuweroute geen bescheiden positieve, maar eerder negatieve effecten heeft voor het milieu, dreigt het Go van Tineke Netelenbos een plaats te krijgen in de illustere galerij van onbegrijpelijke overheidsmislukkingen, naast de carpoolstrook en de tunnel onder het Groene Hart. Het blijft interessant hoe dit soort wanstaltige besluiten mogelijk zijn.

Bij een discussie over Ordeverstoorders in de Ruimtelijke Ordening in De Balie had een van de bezoekers daarvoor een gemakkelijke verklaring: het was een complot van de Rotterdamse Haven en dan vooral van de grootschalige transport- en overslagbedrijven. De binnenscheepvaart met zijn vele kleine schippers vormt voor hen een permanente bedreiging. Het is een kruiwagen met kikkers die alle kanten opspringen. Zij stappen gemakkelijk over van de ene naar de andere opdrachtgever en langdurige prijsafspraken vallen er niet mee te maken. Een spoorwegmaatschappij heeft deze mogelijkheid niet. Daarvoor is de organisatie van deze vorm van vervoer te grootschalig. Het gevolg is dat de broodheren van de lobbyisten een sterkere positie innemen in de onderhandelingen en de prijzen omhoog gaan. Zulke complottheorieën klinken goed, maar ze verklaren helaas niet waarom het parlement met deze sinistere plannen instemt. Een betere verklaring ligt in de logica van de besluitvorming zelf. Over de Betuweroute is jaren gesproken. In zo'n proces worden stapsgewijs steeds meer alternatieven uitgesloten. De overheid krijgt er belang bij om het proces tot een goed einde te brengen. Het coördinerende ministerie moet en zal het proces afronden. Anders is alles voor niks geweest. Het nemen van een besluit wordt dan belangrijker dan het nemen van een goed besluit. En dus worden de oorspronkelijke doelstellingen meer en meer vergeten. Een voorwaardelijk ja, blijft ja, ook als niet langer aan de voorwaarden wordt voldaan. Zo was de commissie Hermans op basis van de foutieve RIVM-gegevens alleen voor aanleg als tegelijkertijd het wegvervoer werd aangepakt. En daarom zegt Tineke Netelenbos nu dat het milieu helemaal niet de enige reden was om te kiezen voor aanleg van de Betuwelijn. In het kabinetsbesluit van 1995 werd echter wel degelijk gesteld dat de aanleg ‘noodzakelijk’ was 'uit een oogpunt van milieu’. Maar niet alleen de milieudoelstelling is problematisch. De economische noodzaak voor aanleg van de lijn is evenzeer omstreden. De politicoloog Michiel Roscam Abbing heeft aangetoond dat bijvoorbeeld een rapport van het Nea dat de rendabiliteit van de Betuwelijn 'bewees’, alleen tot die conclusie kon komen omdat de onderzoekers van de veronderstelling uitgingen dat het ministerie het vervoer over de weg met succes onaantrekkelijk zou kunnen maken. Een zeer twijfelachtige aanname. Na jaren praten worden nieuwe twijfels geen reden meer tot terughoudendheid, maar een argument om niet meer te luisteren naar kritiek. Er ontstaat dan de relativistische opvatting dat regeren noodzakelijkerwijs kiezen is op basis van onzekere verwachtingen. Zo kon het gebeuren dat de vaste kamercommissie voor Verkeer en Vervoer geen prijs meer stelde op nieuw onderzoek van het CPB omdat toch alles onzeker was. Zo werd zelfs de schijn opgegeven dat de Betuwelijn een middel was voor specifieke economische en milieudoelen en niet een doel op zich. De daadkrachtige politici wisten genoeg om te weten dat ze niets meer wilden weten, ze wisten immers een ding wel zeker: iets doen is altijd beter dan niets doen. Maar dat is, zoals onze rijke galerij van grootse blunders bewijst, een groot misverstand.