DE BOEDEL VAN HANS HOOGERVORSTHYPOTHEKEN EN HUREN  

De boedel van Balkenende III

Het derde kabinet-Balkenende heeft een radicale hervorming gerealiseerd in de zorg. In de woningbouw is juist niets gebeurd. Twee voorlopige oordelen over twee cruciale beleidsterreinen.

Operatie voorlopig geslaagd

De onvrede met het vorige kabinet is vooral op het conto te schrijven van Rita Verdonk en Hans Hoogervorst. Beide vvd-ministers zetten het mes in de traditionele Hollandse solidariteit, zonder enige empathie te tonen met de sociaal-maatschappelijke impact van hun beleid.

Maar er is één groot verschil. Terwijl de weerstand tegen Verdonk groeide, luwde de kritiek op Hoogervorst. Nu zijn tijd als minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (vws) erop zit en hij de politiek verlaat, moeten zelfs zijn tegenstanders toegeven dat zijn operatie geslaagd is. In het nieuwe regeerakkoord wordt het tempo van de marktwerking in de zorg weliswaar getemperd, maar de ingeslagen weg blijft in essentie gehandhaafd. Hoogervorst kreeg binnen één ambtstermijn voor elkaar wat zijn voorgangers nooit is gelukt.

Al jaren werd geroepen dat de gezondheidszorg inefficiënt is, de wachttijden te lang zijn en de kosten als gevolg van de technologische ontwikkelingen de pan uit rijzen. Maar niemand kon het taaie systeem openbreken, de medici dwingen tot een kostenbewuste werkwijze en het heilige huisje van het uurtarief van de specialisten onderuithalen.

Hoogervorst heeft deze complexe hervorming, met als kernbegrippen doelmatigheid en klantvriendelijkheid, wel doorgevoerd. Als een manager: stoïcijns, drammerig en arrogant. Het tekent hem dat hij ooit aangaf het liefst per decreet te regeren. Hij wilde tempo maken en daarbij niet gehinderd worden door ‘ruis’ van huisartsen, apothekers, medisch specialisten, belangenverenigingen, ziekenhuisdirecties, wetenschappelijke studies of politieke opponenten. Bij bezwaren bracht hij een onderzoek in stelling van een of andere prominent uit het bedrijfsleven om zijn plannen te ondersteunen.

En het werkte: hij loodste de nieuwe zorgwet door de Tweede en Eerste Kamer. Op 1 januari 2006 was het nieuwe zorgstelsel een feit.

Aan de vooravond van de invoering van het nieuwe zorgstelsel beleefde de kritiek een hoogtepunt. Huisartsen gingen staken. In de pers – ook in De Groene Amsterdammer – tekenden zich doemscenario’s af: door de enorme systeemwijziging zou chaos uitbreken. De zorgverzekeraars zouden de overstap van cliënten niet kunnen verwerken. De nieuwe basisverzekering zou een maatschappelijk onverantwoord leger onverzekerden opleveren. De fiscus zou de zorgtoeslagen te laat uitbetalen, of juist te vroeg zodat de onbemiddelde groep het geld van tevoren zou besteden aan het aflossen van schulden aan kredietleveranciers. Huisartsen zouden bezwijken onder de bureaucratie en het te laat uitbetaald krijgen van hun facturen. De zorgverzekeraars gingen op de stoel zitten van de medisch specialisten, die bovendien vastliepen in de diagnose-behandelings-combinaties (dbc’s).

Van dit alles is relatief weinig meer vernomen. De operatie is redelijk vlekkeloos verlopen, op een klein opstandje na van een vergeten groep verzekerden, de Nederlandse expats. Ook werkt het dbc-systeem niet overal goed en liggen er nog onbetaalde rekeningen op de plank.

Bij diens afscheid eind vorig jaar als hoogleraar beleid en management gezondheidszorg aan de Erasmus Universiteit beschreef Tom van der Grinten het succes van Hoogervorst ten opzichte van zijn voorgangers. Volgens Van der Grinten kon Hoogervorst om politieke steun en medewerking uit het veld te mobiliseren terugvallen op een groot aantal partijgenoten op bestuurlijke sleutelposities. De minister kon bovendien rekenen op stabiele politieke steun uit de coalitie. Van der Grinten: ‘Zijn veranderingsstrategie sloot hierbij aan met een combinatie van top-down- en bottom-up-benadering, ondersteund door onderzoeken en projecten. Hij zocht allianties met strategisch belangrijke partijen in het veld. Met hulp van experts buiten het zorgveld verschafte hij zich een bredere maatschappelijke legitimering. Daarnaast besteedde hij veel aandacht aan het management en het draagvlak van zijn project onder zowel collega-bewindslieden als binnen zijn eigen departement.’ Ten slotte vindt Van der Grinten ‘de robuuste en eenduidige communicatie over de stelselherzieningen vanuit vws opvallend. Hoogervorst en de top van zijn departement hadden de regie strak in handen.’

Hans Hoogervorst vindt straks ongetwijfeld een topbaan in het bedrijfsleven of in de verzekeringswereld. Vooral de nieuwe positie van de verzekeraars stuitte op veel kritiek. Te veel macht, te veel gericht op geld, niet duidelijk genoeg geregeld wat zij doen met privacygevoelige informatie. Daarover is zeker het laatste woord niet gezegd. De stelselherziening heeft namelijk een enorm fusieproces in de verzekeringswereld gegenereerd. Gedurende dit proces zijn de premies bewust laag gehouden. Dat gaat straks zeker veranderen. De bemoeienis van de verzekeraars met het medisch keuzemenu zal toenemen. Daarbij gaat het vooral om de kosten.

Ook de zorginstellingen laten beweging zien. Die lijkt te gaan richting conglomeraten van ziekenhuizen en instellingen die stuk voor stuk specialistische accenten gaan leggen. Het is goed dat de medische beroepsgroep door marktwerking een prikkel heeft gekregen eigen initiatief te ontwikkelen. Maar het is de vraag of die ruimte er nog is in deze toekomstige zorgfabrieken. De beroepsgroep zelf zou op den duur wel eens de dupe van de hervormingen kunnen zijn. Vanuit Hoogervorsts agenda bezien klopt dit. De minister heeft zijn dédain voor specialisten (een lui, zelfgenoegzaam, te veel verdienend gilde) nooit onder stoelen of banken geschoven.

Ook op andere punten is het nog prematuur om te spreken over succes. De invoering van het nieuwe stelsel is dan wel soepel verlopen, de inhoudelijke uitvoering begint nu pas. Doelmatiger en goedkoper? Nog onduidelijk. Klantvriendelijke, vraaggestuurde zorg? Nog niet het geval. De angst voor toenemende bureaucratie, zo voorspelt iedere zorginstelling, zal zeker bewaarheid worden. Dat gaat per definitie ten koste van het uitoefenen van het doktersvak. Er komen steeds meer klachten over de grote invloed van managers op de werkvloer en over hun ‘marktconforme’ inkomens.

Of Hoogervorst een gezond bedrijf achterlaat, is nog niet te zeggen. Als in het bedrijfsleven een interim-manager vertrekt, worden de negatieve gevolgen vaak pas zichtbaar onder zijn opvolgers. De oplossing kost dan meestal veel geld. En gemotiveerde mensen.

Huizenruil

De hypotheekrenteaftrek is alleen nog als politiek heilig huisje te begrijpen. Behalve de Nederlandse Vereniging voor Makelaars ziet ongeveer elke partij en organisatie de voordelen van het verminderen van hypotheekrenteaftrek, voordelen die reiken van een betere woningmarkt tot sociale rechtvaardigheid, van een vollere schatkist tot economische groei.

Maar cda-premier Balkenende had nu eenmaal gezegd dat hij niet aan de regeling ging morrelen en liet de pvda zo dubbel betalen: eerst bracht partijleider Bos het thema op in de verkiezingsrace, met de voorspelbare ophef, daarna moest hij openlijk door de knieën.

Ziedaar de ‘huizenruil’ in het regeerakkoord, het wegstrepen van de plannen voor hypotheekrenteaftrek tegen die voor huurliberalisering.

Uiteindelijk belangrijker zijn echter de consequenties van deze ruil in de praktijk. Die praktijk is dat er in Nederland structureel te weinig huur- en koopwoningen zijn en dat veel huurders te weinig en veel kopers te veel betalen voor hun woning. Een vreemde spagaat, die enkel te verklaren is met een terugblik op decennia woningbeleid – dat volgens sommigen Nederland het meest onderscheidt van alle andere landen ter wereld. Voor de hand ligt dat de woningmarkt op slot blijft, voorzover er al van beweging sprake was.

Er zijn twee structurele oplossingen mogelijk voor de woningschaarste. De eerste is de Nederlanders weer kleiner te laten wonen. De tweede is om meer te bouwen. Voor beide oplossingen zijn twee basismiddelen beschikbaar: overheid en markt. Maar beide zijn ontoereikend: de overheid zal kleiner wonen nooit afdwingen en kijkt, na ruim een halve eeuw regie over de woningbouw, nog steeds aan tegen een huizentekort. De markt zit enerzijds ingeklemd tussen strakke regels voor ruimtelijke ordening en huurprijsbandbreedte, anderzijds is de vraag naar huurwoningen in de Randstad zo groot dat bouwen voor lage inkomens commercieel oninteressant is, hoe vrij de markt ook wordt gelaten.

Ook de woningbouwcorporaties leken de afgelopen jaren op geen enkele manier aan het werk gezet te kunnen worden. Tot vorige maand. Toen dreigde minister Pieter Winsemius hun inmiddels enorme tegoeden – verdiend met het verkopen van het (nog met overheidsgeld gebouwde) woningbestand dat ze door de zogeheten bruteringsoperatie van 1993 in handen kregen – dan maar gewoon af te nemen. De corporaties besloten prompt tot een miljardeninvestering in achterstandswijken.

Maar Winsemius was slechts demissionair minister, had nog maar een paar weken te gaan en had zich losgewerkt uit het gelid van zijn partij, de vvd. Het ligt voor de hand om tussen die twee zaken een verband te zien: kennelijk moet een minister van Ruimtelijke Ordening zo vrijgevochten zijn en zo los van gevestigde belangen om de maatregelen te nemen die nodig zijn op woninggebied.

En dat voorspelt weinig goeds. Het regeerakkoord spreekt van een verhoging van de woningproductie, met als enige hint voor hoe dat in praktijk zal worden gebracht de vage zinsnede dat ‘een belangrijke rol is weggelegd voor woningcorporaties’. De rest van de woningpassage grossiert in omineuze zinnen als: ‘De inzet is om met woningcorporaties afspraken te maken.’

Met een minister daarboven die misschien geen zin heeft om vanaf dag één oorlog te voeren tegen de gevestigde belangen in bouwland, op zijn departement en in de Tweede Kamer kan de ‘huizenruil’ inderdaad precies zo uitpakken als nu wordt gevreesd: het volledig op slot gaan van de huizenmarkt.