De boeken van oktober

De vraag wat ik de afgelopen maand gelezen heb is behoorlijk intiem. Hij reikt tot in de slaapkamer, naar het stapeltje boeken naast mijn bed, met onderop nu al ruim een jaar De Goelag Archipel van Solzjenitsyn – de inhoud is heus erg genoeg, maar ook wat veel, misschien geen goed boek voor het slapengaan. Een leeslijstje toont genadeloos de verplichte nummers, de luie vertalingen in plaats van anderstalige originelen, de persoonlijke afwijkingen, de beschamende gaten in mijn kennis, titels waarvan iedereen aanneemt dat ik ze natuurlijk al lang gelezen had – quod non. En minstens even verontrustend: zo’n lijstje laat zien wat ik niet lees, het weerspiegelt de uren dat ik met poes op mijn buik voor de tv lig. Een leeslijstje balanceert ook al snel op de grens van ijdelheid en voyeurisme.

Gelukkig zit er aan boeken ook een praktische kant, dat biedt in elk geval een aftrap. Je moet boeken in huis halen, en je moet ze op een gegeven moment ook weer kwijt. Ik doe dat via boekhandels en bibliotheken, maar ook via de katholieke kerk aan de Hoornse Grote Noord. Daar is elke paar maanden een boekenmarkt, een prima gelegenheid om het boekenbezit te verversen. Met een doosje niet langer gewenst materiaal achter op de fiets heen, en met een doos nieuwe titels terug, en dat allemaal voor het goede doel. Het kost bijna niets, en dus is er geen enkele reden om af te zien van titels als De stropdas: Trends en traditie of plaatwerken over vader Alberdingk Thijm. De markt van 30 september leverde onder meer Sándor Márai, Margriet de Moor, Fouad Laroui, George Sand, Tom Wolfe en een boekje over Herman de Man op.

Sand en Wolfe liggen nog op hun beurt te wachten, maar de rest is intussen uit. Het kleine, wat amateuristische maar met liefde samengestelde boekje over De Man blijkt een aanwinst. Als scholier las ik Het wassende water en als student Een stoombootje in de mist en Scheepswerf de Kroonprinces bepaald niet met tegenzin, maar ik ontdek nu dat het leven van De Man pas echt een memorabel verhaal is. Een joodse anarchist die begint als handelaar in mollen- en kattenvellen, die zelf min of meer toevallig de oorlog overleeft maar wel zijn hele gezin verliest en die omkomt bij een vliegtuigcrash, en dat allemaal in even honderd bladzijden, plus een fotokatern – konden er maar meer biografieën zo kort zijn.

Het verschijnen van (vertalingen van) boeken als Gloed van Márai, De virtuoos van De Moor en De tanden van de topograaf van Laroui volg ik in de kranten en tijdschriften, zonder dat ik ze meteen lees – dat komt wel een keer (zoals in dit geval), en anders niet, en dan is het ook goed, een mens kan niet alles. De interesse is er wel, met andere woorden, maar de acute aanschafwoede ontbreekt. De belangstelling voor Márai en Laroui bleek terecht, maar De Moor werd de deceptie van de maand. Ik weet niet meer of het Ter Braak was of Du Perron die de historische roman verfoeide als een excuus om een stoet van excentriekelingen en karikaturen op te voeren in een decor dat is overgoten met een sausje van braaf opgescharrelde historische weetjes. De virtuoos ontsnapt niet aan dit gevaar: het is een platte optocht van curiosa. Victor Hugo had de bochelaars en bultenaars al gedaan, Bernlef de Alzheimer-patiënten, maar er was nog wel een afwijkende categorie vrij voor De Moor: de castraten. En hup daar gaan we: Carlotta (hogere stand, geen moer te doen) valt voor de kraak- en smaakvrije castraatzanger Gasparo, maar helaas (nou ja, het is een zegen voor de lezer): de volmaakte liefde duurt slechts één muziekseizoen. Je ziet de schrijfster studeren boven haar boeken over mannelijke sopranen en coloratuuraria’s, je hoort haar bijna – uiterst beschaafd – bij een bevriende arts informeren óf en zo ja hóe een castraat kan klaarkomen, en je ziet haar glunderen bij het presenteren van haar kunstbloemen. Carlotta zou zo graag een sensuele vrouw zijn, maar ze is en blijft een bordkartonnen tut andijvie wier larmoyante gedweep maar niet wil overtuigen als Uitzonderlijke Hartstocht. Een gemaakt boek zonder enige noodzaak – Carlotta en haar Virtuoos mogen volgende keer in de doos weer mee naar de Grote Noord.

De Hoornse boekenmarkt levert boeken ter ontspanning en vermaak, maar er moet en mag ook nog gelezen worden voor het werk. Daarbij komt er van alles langs: Frans Willem Korstens Vondel-boek verschijnt en moet besproken, per post arriveert het jongste deel van de Nederlandse versie van de «lieux de mémoire» (plaatsen van herinnering – ik ben er nog altijd niet van overtuigd dat het correct Nederlands is), waar ik hapsnap wat doorheen ga – ik heb zelf meegewerkt, maar eigenlijk hou ik niet van dit soort verzamelingen korte stukjes die onvermijdelijk weinig nieuws bevatten. Meer plezier beleef ik aan de catalogus van Rembrandts landschappen, waar Boudewijn Bakker me mee verrast.

Dan is er het gewone huiswerk: Marcia wil een mondeling tentamen afleggen over komisch toneel en dat betekent niet alleen dat zij veel moet lezen, ik evengoed (met soms wat hulp van oude uittreksels). Ik loop de proefschriften van Wim Hüsken en René van Stipriaan nog eens door, en herlees een paar kluchten en blijspelen. De gekroonde laars van Michiel de Swaen blijft ijzersterk, net als Thomas Asselijns Jan Klaaz of Gewaande dienstmaagd. De Jan Klaaz uit het laatste stuk zou volgens sommigen dezelfde zijn als de lawaaiige bewoner van de poppenkast – en Jan Klaassen stond deze maand ook op mijn programma, niet als leestekst, maar als theatervoorstelling. Jeremy Baker schreef een nieuw stuk voor theatergroep De Kale, Jan Klaassen en Katrijn, of Hoe een houten huwelijk kraken kan (in het Amsterdamse Compagnietheater). Het werd theater in zijn pure vorm: een dubbel gordijn, wat hoedjes, een soort voorbindjurken en veel inventiviteit blijken genoeg voor een prima voorstelling. Kennelijk ben ik inmiddels zo gewend aan perfectie en geliktheid, met digitaal bewerkte films en gepolijste producties, dat de eenvoud van een grote poppenkast opeens heel sterk werkt. Het einde had minder zoet gemogen, maar al die Amsterdammers die voor De rijdende rechter hebben gekozen in plaats van deze voorstelling hebben niet handig gekozen. En tenzij er een reprise komt is hun kans verkeken; in Spijkenisse, Drunen en Zwijndrecht krijgt men nog de gelegenheid…

Terug naar de boeken. Ongetwijfeld het meest curieuze boek dat binnenkwam is een gloednieuw kinderboek. Nu gaat de hele wereld van het kinderboek normaal gesproken geruisloos aan mij voorbij, en dat moeten we maar zo houden. Eens per jaar mag ik een college verzorgen over het kinderboek in de vroegmoderne periode, van de schoolboekjes van Erasmus tot en met de kinderversjes van Van Alphen en Swildens’ lesjes in deugd voor aankomende burgers («Een Kind, dat oplettend geweest is, zal nu zeer wél deeze groote vraagen beantwoorden kunnen. Wien behoort het heelal?») en dat doe ik met veel plezier. De afstand maakt het interessant, maar het moderne kinderboek laat ik liever aan de doelgroep. Niet dat er nooit een tussendoor glipt – als Edward vande Vendel de Gysbreght voor kinderen bewerkt, neem ik daar natuurlijk kennis van, en Bart Moeyaert is een klasse apart, die mag mee.

Herlezen van de boeken die ooit zo mooi waren bekomt me ook niet goed. De echte favoriet uit mijn jeugd, Preusslers Meester van de zwarte molen, heb ik nog wel een keer opgepakt, om na honderd bladzijden tot de conclusie te komen dat mijn verkleurde en vervaagde herinneringen me veel meer waard waren dan deze opfrisbeurt. En deze zomervakantie heb ik nog eens een Bob Evers-deeltje van Willy van der Heiden geprobeerd. Maar nee, ook Tumult in een toeristenhotel, waar ik als klein kind echt vreselijk om moest lachen, doorstond de test niet – het enige wat het oplevert is verbazing over wat ooit je eigen gevoel voor humor was.

Het lag dus niet voor de hand dat ik een per mail aangekondigd kinderboek per kerende mail zou bestellen. Toch deed ik dat met Uit de diepte: De val van Teylingen door Kees Linthorst, uitgegeven door Free Musketeers in Woerden, dat werkt volgens het _printing on demand-_principe. Je bestelt, en dan wordt speciaal voor jou een boek gemaakt – dat geeft een bijzonder gevoel. En dat bijzondere gevoel was in mijn geval toch al vrij sterk, want Kees Linthorst had me ooit in het verleden geschreven dat hij me ging vernoemen (zoals gezegd: leesgedrag heeft ook te maken met ijdelheid). Ooit ontving ik een enthousiaste mail van de auteur als reactie op een boekje dat ik schreef over het Leidse Beleg van 1573-1574. Zijn boek zou spelen in diezelfde jaren, vlakbij Leiden, vandaar…

Uit de diepte vertelt het verhaal van Alex van Duyvenbode, die in Sassenheim, via een ouwe bollenschuur vlakbij Slot Teijlingen, een val maakt naar een ondergronds stelsel waar een gemeenschap leeft van Teylingers die vier eeuwen geleden, in de voor Holland donkerste tijd van de Opstand, door de aarde waren verzwolgen. Met hulp van Aria van Diepenbrock leert hij het onderaardse leven kennen. Alex beleeft tal van avonturen – natuurlijk is er een kwaadwillende kracht in de benedenwereld die bestreden moet worden – alvorens hij weer in de bovenwereld verzeilt. Een verhaal kortom met tal van bekende avontuurmotieven. Het opmerkelijkste aspect van het boek is wel het exuberante taalgebruik: «Lees heden een ontzettend verhaalsel vol bloed, gruis en zwoelplak. Ook zal dit boeksel u leren over hoe het is om 432 jaar gevangd te zitten en… O nee, hier hou ek halt, mijn klapbak is gesluit.» De auteur vermengt quasi zestiende-eeuws met modieus jongeren-Engels en veel al dan niet flauwe woordgrapjes. Beperking is niet het fort van Linthorst – het is nogal gewild leuk, maar misschien dat jongeren het waarderen. En mijn naamgenoot? Meester Koppenol heeft in de zeventiende eeuw de vroegste geschiedenis van de bevolking van de Wachtewereld beschreven: «We vatten dat Koppenol een gewichtvolle kei was.» (p. 83) Kijk eens aan.

Lijstje

Thomas Asselijn, Jan Klaaz of Gewaande dienstmaagd

Jeremy Baker, Jan Klaassen en Katrijn, of Hoe een houten

huwelijk kraken kan (gezien)

Frans Willem Korsten, Vondel belicht: Voorstellingen van souvereiniteit

Fouad Laroui, De tanden van de topograaf

Kees Linthorst, Uit de diepte: De val van Teylingen

Sándor Márai, Gloed

Margriet de Moor, De virtuoos

Henk Povée, Herman de Man

Maarten Prak (red.), Plaatsen van herinnering: Nederland

in de zeventiende en achttiende eeuw

Michiel de Swaen, De gekroonde laars

C. Vogelaar & G.J. Weber, Rembrandts landschappen

* Johan Koppenol is hoogleraar Nederlandse letterkunde

van de Gouden Eeuw