De boekengeurproef

‘Ik kan een manuscript van honderd meter afstand zien liggen’, begint de voormalig uitgever, ‘en rúiken of er een noodzaak in zit.’
We dineren in Florence, op het plein voor de Santa Croce. Tegenover ons zit een dame die ons net verteld heeft over een vriendin, die graag een boek wil schrijven, maar hopeloos vastzit. De voormalig uitgever zwijgt en loert over het pleintje, alsof hij aan de overkant daadwerkelijk een manuscript ruikt.
‘Maar er zít een noodzaak in’, riposteert de dame. ‘Mijn vriendin heeft me het verhaal verteld. Het is een liefdesverhaal, en erg belangrijk.’
Mijn reisgenoot resoluut: ‘Onzin. Als een verhaal belangrijk genoeg is om op te schrijven, dan praat je er met niemand over.’
Tijdens het dessert lijkt de dame wat terneergeslagen. Pas als ik na haar vertrek opper dat ze met die ‘vriendin’ wel eens zichzelf bedoeld kan hebben, begrijpen we de stemmingswisseling.
‘Ben ik te hard voor haar geweest?’ vraagt mijn reisgenoot beduusd.
Nee, zeg ik. Hij had volkomen gelijk. Afgezien van die geur van noodzakelijke manuscripten, maar ook dit begrijp ik wel.
Zelf lees ik vóór het aanschaffen van een boek altijd de eerste drie zinnen in de winkel. En de laatste drie; heiligschennis, vinden sommigen, maar als een boek het alleen van de clou aan het einde moet hebben, kan het natuurlijk niets zijn.
Die lakmoesproef bezorgde me onlangs Roem van Daniël Kehlmann.
Ebling was nog niet thuis of zijn mobiele telefoon ging. Hij had jarenlang geweigerd er een te kopen, want hij was technicus en vertrouwde het zaakje niet. Waarom vond niemand het erg om iets waar gevaarlijke straling van uitgaat tegen zijn hoofd te houden?
Kijk, zo moet het. Ik weet niet of ik meteen een noodzakelijkheid ruik, maar in drie zinnen staat er onmiddellijk een mens op je netvlies.
Ook bij non-fictie volg ik die testprocedure. Neem het genre dat ik hiervan het gretigst lees: de biografie.
Het was een sprankelende morgen in Parijs, dinsdag, 30 oktober 1849, toen een mensenmenigte het plein voor de Madeleine-kerk op stroomde. Voor de gelegenheid, de begrafenis van Frédéric Chopin, was de hele façade van de neoklassieke tempel behangen met stroken zwart fluweel met in het midden een cartouche waarin de in zilver geborduurde initialen: FC. (Benita Eisler: Requiem voor Chopin, 2003)
Zo moet het dus niet. Na twee zinnen weet je al dat je te maken krijgt met een vie romancée vol dweperige sfeerbeschrijvingen en een tsunami van adjectiva, en niet met een mens.
Het eerste dat de taxateurs zagen toen ze de deuren van Andy Warhols huis op 57 East Sixty-sixth Street in New York openmaakten, was een meer dan levensgrote buste van Napoleon, die hen aankeek vanaf een antieke tafel in het midden van de immens hoge hal. (Victor Bockris: Andy Warhol, 1989)
Dat is al beter. De contouren van een menselijke aanwezigheid komen in zicht. Zelf had ik na Napoleon een punt gezet, maar alla, we wagen het erop en schaffen de biografie aan.
Net terug in Nederland wandelde ik De Slegte binnen, waar ik de Houellebecq-biografie van Denis Demonpion voor acht euro zag liggen. Bij verschijning (2006) heb ik die links laten liggen, vooral door de ondertitel: De ongeautoriseerde biografie. Daarvan kun je al van honderd meter afstand rúiken dat het zaakje stinkt, een banale uitgeverstruc die met het aureool van schandaal de verkoop moet stuwen.
Zonder succes trouwens, want nu ligt de hele partij (eerste druk, zag ik, toen ik het boek mijns ondanks had opgepakt) in het riool van De Slegte. Dan de lakmoesproef.
Houellebecq intrigeerde me. Ik kwam hem ’s ochtends wel eens tegen in de Rue Racine, een sombere figuur die zich lamlendig voortbewoog in een degelijk leren jack, met een silhouet dat krom stond onder zijn mal de vivre. Hij had het voorkomen van een dandy uit het fin de siècle, met die eeuwige sigaret tussen zijn middel- en ringvinger, die zo kenmerkend voor hem is.
Kijk, zo moet het. Je ruikt dat je met een mens van doen hebt. Met twee mensen zelfs, want Demonpion durft ik te zeggen, durft verslag te doen van de moeilijkheden bij zijn onderzoek, en durft te vertellen over het ‘vermoeide dedain’ dat de gebiografeerde er zelf tegenover legde.
De biograaf maakt ons deelgenoot van de raadsels die hij moest oplossen. Waarom gaat Houellebecq met een vals geboortejaar door het leven (hij maakte zich twee jaar jonger)? Waarom heeft hij zijn achternaam (Thomas) verruild voor de meisjesnaam van zijn grootmoeder? We maken de gesprekken over Demonpions schouder mee, inclusief zijn twijfels over zijn bronnen. Dat geeft deze biografie transparantie en oprechtheid.
Ik heb een exemplaar uit het riool gevist. U zult vanmiddag of morgen hetzelfde doen. En als het uitverkocht is, is het wachten op een printing on demand-exemplaar.