De boekloze schrijver

We kennen hun gezichten beter dan hun boektitels, die hooguit opstapjes zijn naar de schijnwerpers. Nog even en schrijvers hebben geen boeken meer nodig. Tegelijkertijd blijven er ook die hardnekkig het isolement zoeken. Over de spagaat van het schrijversego.

Medium opening weijts

Verschijnen er nog boeken zonder auteursfoto? Laatst had ik er eentje in handen: De geniale vriendin van de Italiaanse Elena Ferrante, die al een stuk of tien romans schreef, zonder dat iemand weet hoe ze eruitziet. Ferrante koos vurig voor haar onzichtbaarheid. Voor ze debuteerde schreef ze haar uitgever: ‘Ik geloof dat boeken, als ze geschreven zijn, hun auteurs niet meer nodig hebben. Als ze wat te zeggen hebben, zullen ze vroeg of laat lezers vinden. Als ze niets te zeggen hebben, dan niet.’

Het leest toch anders, zo’n boek zonder hoofd. Zo moet er gelezen zijn in de tijd van Huygens, John Donne of Rousseau. Stemmen zonder lichaam. Hooguit had je een strenge gravure. Multatuli en face met snor. Couperus met gesoigneerd puntbaardje. Wisten lezers hoe Du Perron, Ter Braak en Marsman eruitzagen?

Pas met Jan Cremer – pontificaal voorop – veranderde het echt. De decennia erna was de Nederlandse literatuur een wereld van gezichten. De woeste haardos van Wolkers, de neus van Mulisch, het piekhaar van Palmen. Elke naam riep automatisch een gezicht op. En, niet te vergeten, een werk. Turks fruit, De aanslag en De wetten. De naam, het gezicht, de titel: dat was de vertrouwde drie-eenheid.

Vrij recent is de volgende, bijna onvermijdelijke stap gezet: die waarin je wel een gezicht kent, maar geen titel. Wat schreef Nico Dijkshoorn ook al weer? Noem twee titels van Bart Chabot. Wat schreef Johan Fretz? Anton Dautzenberg? Denk ook aan Akyol Özcan (‘de nieuwe Jan Cremer’), die we vooral als tv-gast kennen: DWDD, Pauw Witteman, Brands met boeken, 24 uur met…, EénVandaag, en zelfs bij Taarten van Abel is hij opgedoken.

Ferrante zegt dat boeken geen auteurs meer nodig hebben. De tijdgeest zegt dat auteurs geen boeken meer nodig hebben.

In dezelfde brief aan haar uitgever schreef Ferrante in 1991: ‘Een auteur die publiciteit accepteert, heeft tenminste in theorie geaccepteerd dat zijn hele persoon, met al zijn ervaringen en gevoelens ter verkoop wordt aangeboden samen met zijn boek. En dat doe ik niet. (…) Bovendien, is het niet zo dat promotie duur is? Ik zal de minst kostbare auteur van de uitgeverij zijn. Ik bespaar u zelfs mijn aanwezigheid.’

(Ja, ik dacht ook meteen aan een maskerade van Arnon Grunberg, maar die debuteerde pas drie jaar later.) Het fotoloze boek bracht me aan het twijfelen. Is Ferrante nu buitengewoon moedig of juist hopeloos naïef?

De aandachtverschuiving van het boek naar de maker is niet los te zien van allerlei ontwikkelingen – de televisie, de ontlezing, het ego-tijdperk, de digitalisering, de beeldcultuur, enzovoort – maar er is ook domweg een nog plattere oorzaak, die samenhangt met de veranderde beroepspraktijk van de schrijver.

Dat schrijvers relatief weinig van zich laten horen in al het krakeel rond de zakelijke malaise in het boekenvak is niet alleen omdat ze geen snars van economie begrijpen, maar ook omdat de boekverkoop in hun bedrijf vrijwel altijd een bijzaak is. Van velletjes papier volschrijven is het beroep van schrijver veranderd in een onderneming die lezingen houdt, in jury’s en discussieforums zit, columns en andere stukken aan bladen levert, en als het even kan bij tv- en radio-talkshows aanzit, of in elk geval op festivals een aansprekende act heeft die hem ervan verzekert opnieuw gevraagd te worden.

Afgezien van een handjevol bestsellerschrijvers ken ik geen enkele schrijver die van z’n boekverkoop kan leven. Die royalty’s vormen met wat geluk het equivalent van wat bij normale mensen het vakantiegeld is – wat de uitgevers stilzwijgend onderstrepen door het geld in mei over te maken. Al die activiteiten buiten het schrijven om waren in het tijdperk van de auteursfoto bijzaak, ‘neveninkomsten’ die wat extraatjes opleverden waar je, inderdaad, van met vakantie kon. Nu vormt de offspin van de schrijverij het hoofdinkomen. In vrijwel elke schrijverscarrière doet de paradox zich voor dat wat de auteur zelf als het kapitale hart van zijn onderneming beschouwt – het boek – volgens zijn jaarbalans slechts het bijproduct is.

Dat blijft niet zonder gevolgen. In zo’n omgekeerde wereld is het logisch en onvermijdelijk dat de boekenindustrie vroeg of laat schrijvers voortbrengt die de stap van het bijproduct liever overslaan. Ze zijn schrijvers zonder boek, artiesten zonder oeuvre, wandelende auteursfoto’s die geen kaften meer nodig hebben om hun ding te doen. Ze acteren het schrijverschap.

Het nieuwe boek is een sollicitatiebrief naar een plekje aan een studiotafel

In zijn Albert Verweylezing in 2011 signaleerde P.F. Thomése al dat er zoveel acteurs als schrijver optreden: ‘Niemand vertolkt een auteur beter dan iemand met een gedegen toneelopleiding. De hele brave middenmoot van onze vaderlandse letterkunde lijkt ermee vergeven. Ik denk aan theatergeschoolde publiekslievelingen als Japin, Launspach, Nasr of hoe ze ook mogen heten, en ook aan een multiculti-clown als het vergaderproduct Abdolah met zijn geraffineerde Iraanse straattoneel.’

Volstrekt titelloos zal een schrijverschap niet zijn, maar voor wie de schrijversrol overtuigend ‘neerzet’, blijkt het in de praktijk afdoende om eens in de zoveel jaar een flinterdun geschriftje af te scheiden dat het vliegwiel draaiende houdt. Zo’n boek is een noodzakelijk kwaad, een hinderlijke formaliteit op het pad naar de roem. Het is een administratief moetje dat het toegangskaartje levert naar waar het werkelijk om draait: een sociale identiteit in kroegen, kranteninterviews, talkshows, op boekpresentaties en natuurlijk het boekenbal, kortom, de hele literaire jetset – een woord dat bij de veronderstelde leden ervan alleen maar de lachlust kan wekken, maar waar schoolklassen vol neerlandici in spe van dromen.

Het nieuwe boek is een sollicitatiebrief naar een plekje aan een studiotafel. Schrijf over Badr, de pedopartij of de vrouw van Dutroux, en klep maar raak. Overal slingeren die sollicitaties-in-boekvorm rond. Akyol Özcan kwam met een bundeltje voetbalwijsheden rond het WK. Als de pepernoten straks weer in de schappen liggen, lanceert Robert Vuijsje een kinderboek over zwarte piet, geschreven om overal als deskundoloog aan te kunnen schuiven op het inmiddels rituele pietendebat.

Een geval apart is dat van Anton Dautzenberg, die dit type schrijverschap tot een geheel eigen kunst heeft verheven. Zijn literaire programma bestaat uit een reeks opzetjes, die een inmiddels wat ingesleten stramien volgen: waar kan ik het nette, ontvlambare publiek het hardst mee treiteren? Hoe kan ik dit het snelst in de reflex van de morele verontwaardiging laten schieten? Lid worden van de pedopartij, Tonio van der Heijden afzeiken, met Diederik Stapel langs de theaters gaan… Zou hij Volkert van der Graaf al gebeld hebben om samen een dichtbundel te maken? Bij Dautzenberg is het eigenlijke kunstwerk niet het gedrukte proza, maar de reeks performances in de publieke ruimte, waarmee hij het moderne media-schrijverschap haast lijkt te persifleren.

Wie tienduizend woorden achter elkaar kan tikken, mag zich beschikbaar stellen als oproepintellectueel. De core business van de literatuur is kwebbelen op krukken, het literaire equivalent van de voetbalbobo die, door camera’s opgewacht, in een opzichtige auto komt voorrijden, het raampje omlaag schuift en erop los leutert.

En dan zijn we verbaasd als de lezer het voor gezien houdt, en de boekenbranche in crisis is.

En toch: je kunt het auteurs toch niet kwalijk nemen dat ze meedoen in het mediagewoel. Het zou onzinnig zijn om ze allemaal te dwingen om bij Salinger in z’n hutje te kruipen.

Het probleem is dat een boek het steeds moeilijker heeft om potentiële liefhebbers ervan te bereiken. ‘Als ze wat te zeggen hebben zullen ze vroeg of laat lezers vinden.’ Zeg dat maar tegen al die andere Elena Ferrantes die dat ook dachten en van wie de complete oplagen door de papiermolen zijn gegaan en die geen nieuw contract kregen.

Ook boeken die een klein publiek beogen lopen niet uit zichzelf naar hun lezers toe. Iemand moet die op hun bestaan attenderen, en als Elena Ferrante het niet wil, zal haar uitgever het doen, zoals die ook deed. Je zou zelfs malicieus kunnen denken dat die mysterieuze anonimiteit juist een commercieel opzetje is. Elke bespreking van haar boeken begint ermee, en in Italië zijn ze nog altijd niet klaar met het gezelschapsspelletje om haar werkelijke identiteit te achterhalen: zou het niet Domenico Starnone kunnen zijn?

Aristide von Bienefeldt vertelde me eens dat zijn eerste boek in 2002 ‘het best goed gedaan had’, ook omdat er speculaties waren dat hij een nieuw alter ego van Arnon Grunberg zou zijn.

Wie de happy few wil bereiken, wende zich tot de menigte. Elke schrijver in het mediatijdperk krijgt op de een of andere manier met dat dilemma te maken. Ook Gerard Reve, die de idiotie van de tv-publiciteit zo’n beetje heeft uitgevonden. In Op weg naar het einde (1963, zonder auteursfoto) staat deze bekentenis: ‘Lange tijd heb ik in ernst gedacht, dat ik me meer onder de mensen moest vertonen, eigen publiciteit beter verzorgen, dat ik moest zorgen veelbesproken te blijven. Waarachtig, ik was er in alle ernst van overtuigd, dat ik roem wilde oogsten en me daarin koesteren. Nu pas weet ik, dat dit niet zo is, en dat ik eigenlijk iets heel anders wil.’ Namelijk: ‘een fatsoenlijke ambachtsman’ zijn. ‘Veel, zeer veel is niets dan schijn geweest en pas nu, op de drempel van wat misschien een nieuw leven gaat worden, zie ik dit eindelijk in.’

Lang beklijven deed dit inzicht niet. Want juist na deze openbaring is Reve de televisie nog gretiger gaan opzoeken en uitbuiten, culminerend in De Grote Gerard Reve Show uit 1974.

Maar bij Reve en zijn tijdgenoten wás er tenminste nog een dilemma. Publiek en auteur hadden hetzelfde belang: ze wilden dat er goede boeken kwamen, en de clownsnummers op tv, die namen ze voor lief. Nu dreigt de radicale omkering: auteur en publiek nemen de boeken voor lief. Voorlopig nog eventjes wel.