De PvdA en de tekenen des tijds

De boel bij elkaar houden

Troelstra vergiste zich toen hij in 1918 in Rotterdam een «revolutionaire toestand» afkondigde. Die bleek niet te zijn ingetreden. Tot vandaag worstelt de PvdA met de vraag hoe om te gaan met de tekenen des tijds. Wat wil het volk?

In het jaar van het volk heeft de Partij van de Arbeid het lelijk laten afweten. Dat is niet alleen een kwestie van slechte verkiezings resultaten. Er verschijnen boeken over, zoals vorige week bij uitgeverij Van Gennep De achterkamer: Het drama van de PvdA 1998-2002 van de Parool-journalisten Addie Schulte en Bas Soetenhorst. Het is een naargeestige kroniek van gebeurtenissen, suggesties en insinuaties uit de afgelopen vier jaar, gebaseerd op gesprekken met ongeveer veertig PvdA-politici.

Het falen van de PvdA na het terugtreden van Wim Kok als partijleider wordt tot maar één oorzaak teruggebracht: de persoon van zijn opvolger Ad Melkert en vooral diens gebrek aan uitstraling. Hij had — het wordt in dit boek in alle toonaarden gezegd — geen charisma, geen moed, geen nieuwe ideeën, en als hij ze had, durfde hij ze niet door te zetten. Na 11 september 2001 ging hij niet on middellijk mee met het opkomend volksgevoel en weigerde hij integratie en wetshandhaving tot speerpunten van zijn verkiezingscampagne te maken. Bram Peper en Adri Duivesteijn stelden daarom in november 2001 voor Melkert tijdelijk opzij te schuiven en Kok weer van stal te halen, want er was behoefte aan «gezaghebbend leiderschap».

Uitgeverij Van Gennep, lang geleden uitgever van een trotse Kritiese Biblioteek, gaat nog een stapje verder in het verpersoonlijken van het politieke drama door in de publiciteit voor het boek de problemen in de sfeer van de roddeljournalistiek te trekken. In het begeleidend persbericht staat dat Peper en Duivesteijn hebben aangedrongen op terugtreden van Melkert «vanwege geruchten over diens sm-praktijken». Met zulke analyses schiet de Partij van de Arbeid niet veel op.

De PvdA heeft een nieuwe, jonge lijsttrekker gekozen, Wouter Bos, die het op de televisie beter doet dan Melkert. Hij kan soms een olijke uitstraling hebben, maar verder is hij zo braaf dat het gevaar bestaat dat hij te snel saai wordt. Om hem daaroverheen te helpen worden heel kleine, lichtelijk controversiële campagnepunten voor hem opgesteld: een piepklein beetje morrelen aan de aftrek van de hypotheekrente, een heel klein vraagtekentje bij de vrijheid van het bijzonder onderwijs om (allochtone) leerlingen te weigeren. Want Wouter Bos is niet de man van ferme standpunten en grote verhalen, hij is een jonge, vlotte neoliberaal die de Socialistische Partij de wind uit de zeilen moet nemen omdat verwacht wordt dat hij, gezien de tijdgeest, geen stemmen kan winnen van VVD en CDA.

Intussen wordt er in de partij wel nagedacht over de toekomst van de PvdA als volkspartij. Ed van Thijn schetste maandag in zijn Den Uyl-lezing althans de contouren van dit denkproces. Hij analyseert de problemen die sociaal-democraten hebben om de tekenen des tijds te verstaan. Dat begon al met de historische vergissing van Troelstra op 11 november 1918, toen deze in Rotterdam een «revolutionaire toestand» afkondigde die helaas niet bleek te zijn ingetreden. De SDAP, later de PvdA, heeft het altijd moeilijk gevonden te aanvaarden dat de tijdgeest niet altijd zo links is als zij graag zou zien. Oorspronkelijk had dat te maken met de vaste «heilsverwachting» dat de tijd vóór de socialisten zal werken en het kapitalisme vanzelf zal instorten. Ooit zullen de arbeiders dat inzien en komt het sociaal-democratisch paradijs vanzelfsprekend tot stand.

Keer op keer werden door de partij ideologische veren afgeschud — en soms tijdelijk weer opgeprikt, bijvoorbeeld toen pragmaticus Den Uyl zich liet meeslepen door de egaliserende geest van de jaren zestig en zeventig en eerlijk delen van inkomen, kennis en macht afkondigde. De vraag hoe om te gaan met de tekenen des tijds is tot vandaag blijven bestaan. Er bestaat volgens Van Thijn per definitie een spanningsveld binnen de sociaal-democratie tussen flexibiliteit en geloofwaardigheid. Als een politicus niet meebuigt met de tijd, is hij een verstarde dogmaticus, als hij dat te gemakkelijk doet is hij een opportunist die met alle winden meewaait.

De politicus is als een rodeorijder die moet zien de grillige geest van de tijd te beheersen. Dat is soms erg moeilijk. Ook Wim Kok had er problemen mee. Toen de PvdA eind jaren tachtig na de WAO-crisis een derde van haar traditionele aanhang kwijtraakte, gingen de stemmen van de uitkeringsgerechtigden verrassend genoeg niet naar links maar naar de VVD. De stemmers bleken hun inkomenspositie en rechtszekerheid minder belangrijk te vinden dan kwesties als veiligheid en immigratie.

Misschien vertaalden ze hun economische en sociale onzekerheid in angst voor nieuwkomers en criminaliteit. Het valt te begrijpen dat veel van deze mensen begin dit jaar hun heil zochten bij Pim Fortuyn, die tegen het establishment en de nieuwkomers leek te zijn. Na de volstrekte afgang van diens opvolgers keren ze niet automatisch terug naar de PvdA, maar zoeken hun toevlucht bij de Socialistische Partij.

Het is een wel heel verre omzwerving geweest, maar misschien zullen ze zich daar beter thuis voelen, zeker na de felle aanval van Jan Marijnissen op de geheime WAO-plannen van het ministerie van Sociale Zaken. Ze zullen in elk geval niet snel minder anti buitenlander worden als Ed van Thijn weer een nieuwe term uit zijn hoed weet te toveren: «interculturalisatie» (of in gewoon Nederlands: wisselwerking). Eerdere begrippen voldoen niet meer: «multiculturele samenleving» heeft te collectieve implicaties en «inburgering» is te individualistisch gedacht.

«Sociaal-democraten hebben de opdracht de boel bij elkaar te houden», zegt Ed van Thijn Joop den Uyl en Job Cohen na: «Onze taak is bruggen te slaan, niet om deze of gene naar de mond te praten.» Het gaat niet meer om «big government» maar om «good governance», om «een speurtocht naar creatieve oplossingen in het brede tussengebied tussen de klassieke overheid en de markt». Niet de te ver doorgevoerde polarisatie uit de jaren zeventig, die de PvdA uit het centrum van de macht stootte, en niet de fletse kleur uit de jaren negentig waardoor de PvdA geen identiteit meer had: de PvdA moet voortaan weer een partij zijn «van gemeenschapswaarden, van sociale cohesie, van solidariteit».

De televisie meldt intussen dat er in korte tijd drie minderjarige asielzoekers zelfmoord hebben gepleegd omdat het moment nadert dat ze achttien jaar worden, automatisch uit Nederland zullen worden gezet, teruggedeporteerd naar het land dat ze zijn ontvlucht — ook als hun ouders zijn vermoord en hun daar eenzaamheid, prostitutie, verkrachting en vervolging wacht. Het is een maatregel die door een PvdA-staatssecretaris onder het tweede kabinet-Kok is getroffen en die het huidige kabinet, het meest rechtse sinds de Tweede Wereldoorlog, maar al te graag uitvoert.

Tegelijk komt het bericht binnen dat J.P.H. Donner, minister van Justitie in dit kortstondige kabinet, snel een wetsvoorstel heeft uitgewerkt om een algemene identificatieplicht voor iedereen vanaf twaalf jaar door te voeren. Jongetjes met een bruin of zwart kleurtje, en ook hun ouders, kunnen dan overal achternagezeten worden door politiebeambten en andere gezagsdragers om te controleren of ze wel een papiertje bij zich hebben. Zodat zij, net als in Antwerpen, van bovenaf leren dat dit niet hun rechtsstaat is. Illegalen die door een Groningse PvdA-burgemeester op straat zijn gezet, kunnen ook gemakkelijker worden gepakt.

De PvdA heeft al verklaard vóór deze algemene identificatieplicht te zijn. Vanwege de sociale cohesie, vanwege de solidariteit. Of vanwege angst voor stemmenverlies; een opportunistisch meewaaien met de tijdgeest, met wat het volk wil.