‘de boel moet op tafel’

Professor Isaac Lipschits was de belangrijkste referent toen De Groene het Liro-archief ontdekte. Nu de stormen geluwd zijn, vertelt hij zijn levensverhaal. De oorlog, de onderduik, de Hagana, de universiteiten te Amsterdam en Groningen. En de strijd om zijn kleine broertje, dat tijdens de oorlog in een Zeeuws gereformeerd gezin zat. ‘Ik vond dat hij joods moest worden en niet gereformeerd.’ ..LE ‘IK BEN GEBOREN in november 1930 te Rotterdam’, zo begint Isaac Lipschits zijn verhaal. Hij is het vijfde kind in het gezin. In 1939 dient zich nog een nakomertje aan, Alex. Die noemt zich nu David en woont in Israel. Hij en Isaac (Ies) zullen als enigen uit het gezin de oorlog overleven.

‘We behoorden tot het subproletariaat. Mijn vader werkte op de markt, als standwerker. Hij verkocht bananen. Dat was keihard werken voor weinig geld. Hij was een zenuwachtige man, mager als een lat. Moeder was veel rustiger. Ze was fors, gezet. We waren nauwelijks religieus. We aten niet volgens de spijswetten.’
De oorlog komt niet onverwacht. 'Oom’ Piet van Maris - de man die wekelijks het geld voor de begrafenisverzekering komt ophalen - had al gewaarschuwd. Hij voorspelt wat er nog meer zal gebeuren.
Lipschits: 'Oom Piet was communist. Hij praatte veel met vader over de nazi’s. Hij meende dat als Hitler Nederland zou bezetten, het slecht zou aflopen met de joden. Oom Piet had gelijk, maar hij heeft wel gedaan wat hij kon. Hij hielp joden en piloten, hij leidde een knokploeg en een sabotageafdeling.’
EVEN LIJKT HET rustig te blijven, dan komen de anti-joodse maatregelen. 'Zo'n beetje de eerste was dat joden niet bij de luchtafweer mochten. Ach, dachten we, laat d†t de niet-joden dan maar doen. Maar op een gegeven moment moest ik naar de joodse school. Ik moest een ster dragen. Ik mocht na acht uur ’s avonds niet meer de straat op. Ik werd buitengesloten. Dat voelde vreselijk. Oom Piet zei dat de communistische partij ons zou helpen als de nood aan de man kwam. Ondertussen moesten wij elke zaterdagavond twee heren te eten geven en geen vragen stellen. Ik weet nog steeds niet wie dat zijn geweest. Waarschijnlijk saboteurs. Voor mij zijn die mannen er het bewijs van dat de CPN al actief was tegen de nazi’s voordat Hitler de Sovjetunie binnenviel.
Op een vrijdagavond werden de joden uit onze straat opgehaald. Ik gluurde door de brievenbus. Toen heb ik gezien dat mijn boezemvriend Louis Swaab, die schuin tegenover ons woonde, in een van de vrachtwagens werd geholpen door een Nederlandse politieman. Ik heb hem nooit meer teruggezien. Vader had onze bagage klaar staan in de gang. Om een of andere reden hebben ze niet bij ons aangebeld. De volgende dag doken we onder.’
In twee weken tijd bezoekt Ies Lipschits twaalf verschillende adressen, voor hij terecht komt in Sint Jacobiparochie, Friesland. Op de boerderij van de familie Balt.
'Ik heb heel weinig mensen ontmoet van wie ik zeker wist: die zijn goed. Maar oom Koen, mijn Friese onderduikvader, was er een. Op zondag mocht ik niet mee naar de kerk. Hij had niet een jood in huis genomen om er een christen van te maken. Iedere maand kreeg oom Koen van de illegaliteit behalve wat bonkaarten ook een beetje geld. Toen ik in april 1945 bij hem wegging, kreeg ik een spaarbankboekje waar al dat geld op stond.
Veel helden waren er niet in Holland. Als je de verhalen na de oorlog hoorde, was het of de Nederlandse bevolking in de rij had gestaan om onderduikers op te nemen. Maar het was ontzettend moeilijk om adressen te vinden. En dan de februaristaking. In Amsterdam zijn alle joden die op transport moesten van de Hollandse Schouwburg naar het Centraal Station vervoerd met de tram. Er waren geen trambestuurders die dat weigerden.’
NA DE BEVRIJDING vindt Ies Lipschits alleen broertje Alex terug. Die zit bij een streng gereformeerd gezin in Zeeland. Hij gaat iedere zondag ter kerke, bezoekt de School met den Bijbel en zit op catechesatie.
'Dat sneed door mijn ziel. Dat mijn broertje nu gereformeerd zou worden, maakte de shoah nog zinlozer. Ik vond dat absoluut niet te verantwoorden tegenover onze vader en moeder. Zijn onderduikouders zeiden: “Het is een slim joodje. Hij kan best dominee worden.” Hij was bijna zes jaar. Ze hadden hem nooit verteld dat hij joods was en dat ze niet zijn echte ouders waren. Hij zei pa en ma tegen ze. Onverdraaglijk.
In die tijd had ik een ideaal nodig. Oom Piet reikte me het communisme aan. Ik werd actief in de partij. Ik ben van school gegaan en bij De Waarheid op de advertentieafdeling gaan werken. Ik was ervan overtuigd dat we de hele maatschappij zouden veranderen. Dat we de meerderheid van de zetels zouden krijgen na de verkiezingen.’
Maar de verkiezingen brengen niet de gehoopte communistische zege. In de partijtop breken strubbelingen uit en Lipschits voelt zich te ver verwijderd van de joodse gemeenschap. Eind 1946 verlaat hij oom Piet. Hij trekt naar Amsterdam en klopt daar aan bij het Joods Jongensweeshuis.
'Ik kwam terecht in een groep van zo'n twintig, vijfentwintig jongens. Die hadden de shoah overleefd. Het waren de sterken van geest. Iedereen die daar zat, is later ook geslaagd in de maatschappij. We wisten wat we aan elkaar hadden. We waren als broers voor elkaar. Ik wilde weer naar school, om uiteindelijk te kunnen studeren. De maatschappij moest nog steeds veranderd, maar nu was het ’t zionisme dat me trok. Wij zouden even een eigen staat opbouwen en iedereen die het daar niet mee eens was, bekeek het maar. We waren enorm agressief jegens de niet-joodse buitenwereld.’
In het jongenshuis gebeuren geheimzinnige dingen. Het dient als doorvoerstation voor joodse jongens en mannen, onder meer uit de displaced persons-kampen in Duitsland, die zich hebben aangemeld bij de Hagana (het joodse illegale leger in Palestina) en naar Palestina gesmokkeld moeten worden. Ies Lipschits wordt ingewijd in de organisatie.
'Ik leidde er een soort reisbureau. Ook een groot deel van de jongens uit onze groep meldde zich aan. Sommigen echt uit zionistisch idealisme, anderen meer uit zucht naar avontuur of omdat ze bewust afscheid wilden nemen van de rotte Nederlandse samenleving.’
DE MOEILIJKHEDEN met de Zeeuwse pleegouders van zijn broertje lopen op. Het doet pijn wanneer hij nu terugdenkt aan hoe het toen gelopen is.
'In de eerste plaats, in de aller- aller- allereerste plaats hebben die mensen met gevaar voor hun leven en dat van hun kinderen mijn broertje in huis genomen. Daar heb ik enorme waardering voor. Ik heb met hen gestreden om mijn broertje in mijn joodse omgeving te krijgen. Ik vond dat hij joods moest worden, niet gereformeerd, en ik ben niet opgehouden druk op ze uit te oefenen. Maar ik stuitte op een muur van onwil.’
Op een gegeven moment komt er een brief van de onderduikvader. 'Hij schreef dat hij nog eens nagedacht had en dat hij toch bereid was om mijn broertje af te staan, m¡ts alle onkosten die hij ooit gemaakt had, werden vergoed. Hij wilde een vrachtwagen kopen en vond dat de joodse gemeenschap dat wel kon betalen.
Ik ben naar de dienst Commissie voor Oorlogspleegkinderen (OPK) gegaan en heb er die brief laten zien. Ik moest een week later terugkomen. Toen werd mij het volgende meegedeeld: dat er geld werd gevraagd, was een primitieve uitdrukking van de liefde voor het kind.’ Lipschits herhaalt: 'Dat er geld werd gevraagd, was een primitieve uitdrukking van de liefde voor het kind.’
'Toen knapte er iets in mij. Ik nam het onbezonnen besluit - want onbezonnen was het, ik was zeventien jaar - om mijn broertje te ontvoeren. Dat was heel simpel voor mij, ik had immers dat zogenaamde reisbureau. Ik vulde mijn eigen naam in - verboden, want ik was nog geen achttien. Bovendien vulde ik de naam van mijn broertje in. Die was nog niet eens de helft van achttien.
Ik ben naar de pleegfamilie gegaan. Of ik met mijn broertje een dagje naar Middelburg mocht. Daar zei ik tegen hem: ik ga naar een ver land. Wil je met me mee of wil je weer terug? Nou ja, wat moest dat jongetje? Die k¢n niet anders dan zeggen: ik wil met je mee. Hij kon niet anders!’
IES (17) EN ALEX (9) trekken via het netwerk van joodse weeshuizen in Belgi‰ en Frankrijk naar Cassis, een kustplaatsje tussen Nice en Marseille.
'In Cassis was een sportkamp voor joden. In feite een militair opleidingskamp. We kregen er onze eerste militaire opleiding. Met stokken in plaats van geweren. Uit alle delen van Europa kwamen er joden aan om, als er genoeg mannen waren, in grote scheepsladingen illegaal naar Palestina te vertrekken.’
De broers schepen in. Aangekomen in Haifa blijkt inmiddels de staat Israel uitgeroepen. Het is mei 1948. Ies Lipschits moet zijn broertje achterlaten bij een jeugdimmigratiedienst. Zelf gaat hij het Israelische leger in. Hij komt, samen met veel vrienden uit het weeshuis, terecht in een Nederlandstalig peloton onder luitenant Abraham Polak.
De Amsterdamse jongens hebben hun streken niet verloren. Onder het marcheren zingen ze ondeugende liedjes ('De badmeester van Kerkra-hade/ Je kan het wel ra-hade/ Wat die zoal ziet!’). Vies, vindt Henri‰tte Boas, inmiddels publiciste te Badhoevedorp, die het peloton hoort langsmarcheren. Ze stapt naar luitenant Polak en dient een klacht in.
Lipschits krijgt nierontsteking en verlaat het leger. Hij krijgt een vliegticket aangeboden. Hij is achttien en wil nog steeds de wereld verbeteren. In Nederland kan hij zijn school afmaken, politieke wetenschappen studeren en diplomaat voor Israel worden.
Neemt hij het ticket aan. Dan laat hij zijn negenjarig broertje andermaal alleen achter.
'Ik zat in het leger. Hij zat bij een Hollandse pleegfamilie in een kibboets aan de Jordaan. Ik kwam er altijd met verlof. De Syri‰rs hadden er mijnen gelegd dus de kinderen van de kibboets mochten niet zwemmen in de rivier. Toen heeft zijn grote broer Ies die mijnen opgeruimd. Ze lagen los in het water, dus ik heb ze gewoon opgeblazen met een handgranaat. Ik was een held voor hem.
Gaat die broer weg! Alex moet zich zeer eenzaam hebben gevoeld. Verlaten. Ik heb me daar altijd schuldig over gevoeld. Ik heb niet voor hem gezorgd.’
LIPSCHITS KOMT terug in Amsterdam, gaat naar een nieuw weeshuis nabij het Vondelpark en naar school op het Montessori. Contact met zijn medeleerlingen heeft hij nauwelijks. Dat zijn maar kinderen. Hij werkt keihard. Op een dag komt hij uit school en zitten er twee rechercheurs op hem te wachten.
'Ik had mijn broertje meegenomen, zeiden ze. Wat ik met dat jongetje had gedaan. Ik moest voorkomen bij de arrondissementsrechtbank in Middelburg. Ik bekende. De rechter was geen slechte. Hij zei: meneer Lipschits, ik m¢et u veroordelen. Ik kreeg twee maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar. Ja, jullie hebben een misdadiger tegenover je!’
De veroordeelde kon weer terug naar school. In 1951 doet hij eindexamen.
'Ik had een opdracht. Ik moest wat van mijn leven maken. Het meest trotse moment van mijn leven was toen ik me in mijn eentje ging aanmelden bij de Gemeente Universiteit in Amsterdam. Dat had ik toch mooi bereikt, als zoon van een standwerker. Ik heb mijn doctoraal, mijn kandidaats en mijn promotie allemaal cum laude afgelegd.
Ik werkte altijd. Niet werken betekende denken aan de oorlog. Luisteren naar muziek ging ook niet. Dan dwaalden mijn gedachten af naar vroeger.
In Amsterdam ben ik politieke wetenschappen gaan studeren. Mijn leermeesters waren mannen als Presser en Kleerekoper. Van Presser heb ik veel invloed ondergaan. Ik was zijn assistent toen hij zijn boek Ondergang schreef. Ik heb voor hem het archief over de Joodsche Raad aangelegd.’
Lipschits trouwt zijn eerste vrouw. Een merkwaardig huwelijk. Beiden zijn joods, beiden hebben de shoah meegemaakt. Nooit praten ze over wat in de oorlog is voorgevallen.
'Nooit, nooit! Nog niet met ÇÇn woord. We k¢nden er niet over spreken. Vooral ik niet. Ik was totaal geblokkeerd. Terwijl ik wÇl werkte aan het archief van de Joodsche Raad en iedere donderdagochtend koffie dronk bij Presser. Daar voerden wij hele intieme gesprekken. Over de shoah, over de staat Israel, het jodendom. Maar met mijn vrouw kon ik er niet over praten! Ze is met haar broer en haar ouders ondergedoken geweest. Het is heel raar: ik weet niet eens waar en ik weet niet eens of ze met of zonder haar ouders zat ondergedoken. Dat huwelijk is natuurlijk finaal misgegaan. Vele jaren na onze scheiding heeft ze zelfmoord gepleegd in een bos in Frankrijk.
Later heb ik mijn tweede vrouw gevonden, waar ik lang en gelukkig getrouwd mee ben geweest. Inmiddels zijn we toch ieder onze eigen weg gegaan.’
IN AMSTERDAM doceert Lipschits van 1962 tot 1966 politieke wetenschappen. Hij maakt deel uit van een progressief en artistiek milieu en vertaalt Das Kapital.
Na Amsterdam vertrekt hij voor korte tijd naar Israel om er te doceren. Al snel keert hij terug in Nederland en wordt hij hoogleraar eigentijdse geschiedenis in Groningen. Hij richt er het Documentatiecentrum Politieke Partijen op en komt even in de problemen wanneer het verhaal de ronde doet dat hij te intiem is met zijn studentes. Hoewel de beheerder van het instituut alle studentes nabelt, komt er geen bewijs voor het verhaal dat Lipschits hogere cijfers geeft aan mooie meisjes. Hij geeft sowieso zelden hoge cijfers.
In 1990 gaat Lipschits met emeritaat en werpt zich volledig op de jodenvervolging in Nederland.
'Ik had mijn functie als hoogleraar zeker niet aangenomen als die over de oorlog was gegaan. Het leek mij een onmogelijke opgave me objectief wetenschappelijk bezig te houden met de shoah. Vanaf de dag waarop ik in de vut ging, heb ik me er wel continu mee bezig gehouden.
Je houdt het nu niet voor mogelijk wat na de oorlog voor antisemitische uitlatingen werden gedaan. Goed, misschien hebben de joden lange tenen. Maar een volk dat Auschwitz heeft meegemaakt, heeft het rÇcht om lange tenen te hebben. Ik heb nu ook weer de opmerking gehoord dat joden toch maar op geld uit zijn. Wat moet een jood anders? Hij kan wel zeggen: ik wil mijn huis terug, mijn spaarbankboekje of mijn schilderij. Hij kan niet zeggen: ik wil mijn moeder terug. Dat kan niet.
Op advies van Lou de Jong toog ik naar A.J. van der Leeuw. Ik zei hem: ik doe onderzoek naar de naoorlogse geschiedenis van de joodse gemeenschap in Nederland. En ik vroeg: wat voor archieven zijn belangrijk voor mij? Daarop wees hij me op de uitspraken van de Raad voor Rechtsherstel, kilometers verhoren. Van der Leeuw zei niets over de Lippmann-Rosenthal-cartotheek, terwijl hij wel wist dat die nog bestond.
Toen jullie mij belden en vertelden dat jullie de kaarten hadden gevonden, was ik zo opgewonden dat ik eerst twee kilometer door de huiskamer heb gelopen.’
Een paar dagen later, toen we hem vertelden van onze vermoedens dat een veiling van overgebleven bezit had plaatsgevonden, vertrok Lipschits geen spier. 'Ik was helemaal perplex. Het idee dat de ambtenaren die belast waren met het ter£ggeven van joods bezit dit zouden hebben gedaan! En nu het rapport van Kordes. Het leest als een misdaadroman. Maar kom je op de laatste bladzijde dan denk je: verrek, nou weet ik nog niet wie het heeft gedaan! Kordes schrijft dat de veiling rechtmatig was. Dat neemt niet weg dat er gestolen is. Je kunt wel als beheerder toestemming geven en zo de verkoop rechtmatig maken, maar de opdracht blijft gewoon onrechtmatig.’
IES LIPSCHITS is nog lang niet klaar. 'Mijn ouders hebben nog steeds een grote invloed op mijn leven. Ik vraag me vaak af wat ze zouden vinden van de dingen die ik doe. Het is de opdracht die ik van ze voel: de boel moet op tafel komen.’