De boer als dichter

Anatoli Mariëngof, Roman zonder leugens. Uit het Russisch vertaald door Elena Pereverzera en Robbert-Jan Henkes. Uitg. Perdu, 151 blz., 325,-
Sergej Aleksandrovitsj Jesenin (1895-1925) was bij leven al een populair dichter in Rusland en is dat gebleven. Zelfs de grootste boeven kenden zijn gedichten van buiten, maar vooral zijn lofzangen op het boerenleven deden het goed.

Dat maakt het verklaarbaar waarom dit boek van Anatoli Mariëngof (1897-1962) over de vijf jaar van hun vriendschap bij verschijnen in 1927 als lasterlijk werd ervaren. Het verhaal van de uitvreter Jesenin strookte niet met het officiële beeld van de plattelandsdichter. De jonge Mariëngof was in 1919 nog maar een paar weken in Moskou of hij zat al, door toedoen van niemand minder dan Boecharin, achter een groot bureau van de staatsuitgeverij en ontving daar als verantwoordelijk literair secretaris de zelfverzekerde jonge dichter Jesenin. ‘Voor mij stond een kereltje in een lichtblauwe boerenkiel. Daaronder een wit zijden hemd. Golvend haar, geel met een gouden glans. Een grote lok viel quasi-nonchalant (maar in feite zeer bestudeerd) over zijn voorhoofd. Die lok deed hem er wel wat als een knappe jonge kapper uit de provincie uitzien.’
Jesenin kwam inderdaad van het land, maar in de jaren dat Mariëngof hem kende, keerde hij er maar één keer terug. Dat weerhield hem er niet van 'de boer in zichzelf’ te cultiveren. In Moskou leidde het tweetal een leven van vrolijke bohémiens, ze kleedden zich als aristocraten, hun hoge hoeden waren vermaard, een bed vonden ze na cafétijd altijd wel bij vrienden, vriendinnen of een mecenas. Een rijke kunstliefhebber bekostigde een uitgeverij, ze stonden achter de toonbank van een eigen boekhandel, op roepafstand van hun literair café, De Pegasusstal. Het tweetal was ook het middelpunt van een literaire beweging die zich het Imaginisme noemde, gebaseerd op een huisbakken theorie dat 'het beeld aan de wieg van de taal stond’. Ze polemiseerden met het futurisme van Majakowski; meer verwant voelden ze zich met de excentrieke Velimir Chlebnikov.
Mariëngof zou Jesenin tot het einde toe bewonderen, maar zag hem niettemin van meet af aan in de juiste proporties: 'Jesenin maakte zich klaar om het roer van de Russische poëzie over te nemen.’ Voor roem deed Jesenin alles. Dat hij zijn carrière tot in de details gepland zou hebben, is te veel gezegd, maar hij wist wel altijd precies wat goed was voor zijn image. Ook wat dat betreft was de naam 'Imaginisme’ goed gekozen. Toen hij met het gedicht 'De hooligan’ publiekelijk groot succes had, werd hij prompt een hooligan, of zoals Mariëngof het memoreert: 'De kritiek bracht Jesenin op het idee om een “hooligan-biografie” te scheppen. (…) Jesenin bond in één roede de twijgen van zijn poëzie en de twijgen van zijn leven samen. En daarmee veegde hij zich een weg naar de roem.’
Toen Jesenin zich liet inpalmen door de beroemde danseres Isadora Duncan en met haar door de wereld trok, een reis die hem steeds ongelukkiger maakte, kwam die scandaleuze geschiedenis zijn legende alleen maar ten goede. De vriendschap tussen de twee dichters was voor die tijd al bekoeld, vermoedelijk omdat Jesenin zijn vriend met niemand anders wilde delen. 'In het algemeen komt liefde - van liefde. Jesenin hield van niemand, en iedereen hield van Jesenin.’ Soms krijgt Mariëngofs verslag van een vriendschap de allure van een schelmenroman, maar vóór alles laat het mooi zien hoe Jesenin met succes het image van de gedoemde dichter creëerde.