De knolselderij wordt goud of hout

De boer versus de supermarkt

In 2014 sloten dagelijks vijf boerenbedrijven de deur. Supermarkten, tussenhandelaars, voedselverwerkers en overaanbod dwingen de boer zijn producten onder de kostprijs te verkopen. ‘Het zweet van de boer kan niet op tegen het schuim van de handel.‘

Medium boer1

Het is donderdagochtend en het is een drukte van belang in de loods van de Hofwebwinkel op het platteland net buiten Biddinghuizen in de Flevopolder. Lambertus Zijlstra en zijn collega’s rijden af en aan met karren vol verse groenten en fruit. Dozen met biologische limonade staan hoog opgestapeld, klaar om in busjes richting Amsterdam gereden te worden. Via internet kunnen klanten wekelijks hun bestellingen doorgeven, waarna de medewerkers van de Hofwebwinkel op vaste dagen de netjes gesorteerde voedselpakketten met een bestelbusje komen afleveren. Op die manier hoopt Zijlstra een hernieuwde binding tussen de stedelijke consument en het boerenachterland van de stad te creëren.

En hij is niet de enige, want voedselbewustzijn is snel hip geworden de laatste jaren. Zeker in en rond Amsterdam struikel je over de biologische supermarkten en trendy boerenmarkten en ook de mogelijkheden om via internet direct bij de boer te kopen zijn flink in opkomst. Zelf groeide de in Friesland geboren Zijlstra op de boerderij van zijn ouders op. Hij bestierde jarenlang een boerderij in de Flevopolder, maar verlegde zijn aandacht van het produceren naar het distribueren van voedsel. ‘De band tussen boer en consument is verdwenen in onze moderne tijd. Het is een dooddoener, maar mensen weten vaak niet meer waar hun eten vandaan komt. Maar ook de vaak wat conservatieve boerenstand moet leren denken in alternatieven’, zegt hij.

Zijlstra loopt een grote koelcel in en tikt op een stapel blauwe kratten, elk gevuld met zes stevige bloemkolen. ‘Met het oog op uniformiteit koopt de supermarkt alleen maar bloemkolen die exact zo groot zijn dat ze met acht stuks in een kist passen. Bloemkolen die te groot zijn worden vaak weggegooid, maar via ons vinden ze wel gewoon hun weg naar de consument.’

De Hofwebwinkel bestond in 2014 precies tien jaar en bedient ondertussen ruim zevenhonderd klanten in onder meer de stadsregio Amsterdam, die elk zo’n zestig tot zeventig euro per week besteden bij de internetwinkel. Producten worden ingekocht via de biologische groothandel of direct van een veertigtal leveranciers die naast versproducten ook boerenkaas of ambachtelijk gebakken brood leveren. Door de tussenhandel zo veel mogelijk uit te schakelen hoopt Zijlstra meer geld aan de boeren zelf te kunnen geven. Hij vertelt: ‘Wij hanteren zelf een marge van ruim dertig procent op al onze producten. In de reguliere keten pakt de groothandel winst, de verwerkende industrie doet dat en de supermarkt ook. Als een boer zijn producten via ons afzet houdt hij er meer aan over. Daarbij is de boer door rechtstreeks aan de consument te leveren veel minder afhankelijk van de grilligheid van de markt.’

De ongelijke verdeling in de voedselketen is al langer onderwerp van discussie. In 2012 kwam het onderwerp nog eens pijnlijk bovendrijven toen supermarktketens Albert Heijn en Jumbo een brief stuurden waarin zij een lagere aankoopprijs van respectievelijk twee en 1,5 procent aan hun leveranciers oplegden. PLUS Retail stuurde een jaar later zelfs een kostenspecificatie aan leveranciers waarin hen werd gesommeerd om het ‘opgetreden margeverlies’ van de supermarktketen terug te betalen. De Land- en Tuinbouworganisatie Nederland (LTO Nederland) reageerde furieus op de eenzijdige prijsbepaling door de supermarkten.

Eind augustus 2014 presenteerde cda-parlementariër Jaco Geurts dan ook een initiatiefnota aan de Tweede Kamer waarin hij zijn zorgen uitte over de zwakke positie van de boer in de Nederlandse voedselketen: ‘Die marktstructuur loopt van boer, tuinder en visser, via een verwerker/verpakker, naar een paar machtige inkooporganisaties van supermarkten om uiteindelijk te eindigen bij miljoenen consumenten. Dit systeem resulteert erin dat inkomens van boeren, tuinders en vissers ernstig onder druk staan en zij het hoofd amper boven water kunnen houden.’

Nederland is al lang niet meer dat goeddeels agrarische land van net na de Tweede Wereldoorlog met ruim vierhonderdduizend boerenbedrijven. De opkomst van destijds gloednieuwe technologie als de koelkast of diepvries veranderde de verhouding van de consument tot zijn voedsel. De transportrevolutie maakte tegelijkertijd uitgebreide distributiesystemen mogelijk waardoor voormalige kruidenierswinkeltjes veranderden in steeds grotere zelfbedieningszaken met een steeds uitgebreider assortiment. Begin vorige eeuw had de Zaanse kruidenier Albert Heijn nog maar vier winkels in Oostzaan, Purmerend, Alkmaar en Den Haag, en een sigarenwinkel in Amsterdam. In 2014 is het concern, sinds 1973 deel van moederbedrijf Ahold BV, met ruim 850 winkels en een marktaandeel van bijna 34 procent de grootste supermarkt van Nederland, zo staat op de eigen website. Naaste concurrenten Superunie en Jumbo Groep hebben respectievelijk een marktaandeel van 29 en 21,7 procent (2012). Volgens het Centraal Bureau Levensmiddelenhandel (cbl) is het marktaandeel van de supermarktbedrijven binnen de totale consumentenuitgaven aan eten en drinken iets meer dan de helft.

Tegenover de in omvang sterk gegroeide supermarkten laat het aantal boerenbedrijven in Nederland al jaren een structurele daling zien. Sinds 2000 is ongeveer een derde van de boerenbedrijven in Nederland verdwenen. Het afgelopen jaar moesten gemiddeld vijf bedrijven per dag de deuren sluiten. Het is niet ongewoon voor boeren om hun producten onder de kostprijs te moeten verkopen, terwijl de productiekosten vaak gewoon door blijven stijgen.

Medium boer2

De in Heerlen gevestigde landbouwer Peter Erkens heeft flink geïnvesteerd in de toekomst van zijn bedrijf, legt hij al struinend over zijn modderige erf uit. De boerderij van Erkens ligt ingeklemd tussen de voormalige mijnwerkerskolonie Meezenbroek en de uit de jaren twintig van de vorige eeuw stammende zilverzandgroeve Sigrano aan de rand van de stad. Sinds april 2014 heeft Erkens in samenwerking met de gemeente Heerlen een stadslandbouwproject van één hectare weten op te zetten waarvan de eerste opbrengst afgelopen zomer werd aangeboden aan burgemeester Paul Depla.

In totaal bewerkt Erkens vijftig hectare landbouwgrond, die versnipperd over de verschillende gemeenten van de oostelijke mijnstreek verdeeld liggen. Het glooiende landschap en de hoge urbanisatiegraad van het gebied staan het de boer niet toe om grote aaneengesloten arealen te bewerken, maar hij zit wel dicht in de buurt van de stad. Om die reden is midden op het erf een nieuwe koeienstal in aanbouw, inclusief bezoekerscentrum en boerderijwinkel. Innoveren en nieuwe verbindingen met de consument aangaan is pure noodzaak voor de moderne landbouwer, vertelt hij: ‘Ik verbouw 25 hectare aardappelen en verder staan er op mijn akker ook granen, gras en maïs voor de koeien. Ik heb een stuk of dertig nieuwe kalfjes gekocht. In de nieuwe aanbouw willen we zelf kaas gaan maken en verkopen. Kaas is langer houdbaar dan melk, dus zo kan ik makkelijker direct aan buurtbewoners verkopen en ben ik minder afhankelijk van grote afnemers. Mijn bedrijf ligt direct tegen de stad aan dus ik heb hier wel mooi een afzetmarkt van zo’n tweehonderdduizend mensen waar ik gebruik van kan maken.’

De almachtige supermarkten zijn niet de vijand van de boer, haast hij zich te zeggen. Behalve aan de supermarkten leveren Nederlandse boeren de meeste van hun producten namelijk aan tussenhandelaars, zoals coöperaties en groothandels, of direct aan de verwerkende industrie, legt Erkens uit: ‘Tachtig procent van mijn aardappelen lever ik aan Aviko of Farm Frites. Op hun beurt zijn die bedrijven in concurrentie met elkaar en met de supermarkten die voor de laagst mogelijke prijs hun producten willen inkopen. Natuurlijk heeft het grootwinkelbedrijf veel macht in handen, maar Albert Heijn maakt vaak ook gewoon goede afspraken met boeren over zowel prijzen als kwaliteit. De hele keten concurreert met elkaar. Landbouw is al lang niet meer wat het vroeger was, er gaan tegenwoordig veel grotere bedragen in om.’

‘Het probleem voor de moderne boer is vooral dat hij zo nodig de vrije wereldmarkt op moest’

Het is herfst in Limburg. Op een grijze donderdagmiddag zit een dertigtal leden van de Werkgroep Multifunctionele Landbouw van de Limburgse Land- en Tuinbouwbond (lltb) druk te overleggen in een felverlicht zaaltje in de Roermondse Cultuurfabriek. De lltb maakt deel uit van de Nederlandse koepelorganisatie LTO Nederland, die het grootste deel van agrarisch Nederland vertegenwoordigt. De leden van de Limburgse werkgroep praten over alternatieve verdienmodellen voor de agrarische sector. In groepjes van vijf zitten Peter Erkens en zijn collega-boeren aan vierkante tafels met grote vellen wit papier waarop ze diverse ideeën noteren over hoe ze meer geld zouden kunnen verdienen. Vanaf een groot bord kijkt een enorm kartonnen koeienhoofd de zaal in.

Pieter van Melick woont en werkt in het Midden-Limburgse dorpje Swalmen onder de rook van Roermond. Naast het landbouwbedrijf, dat hij samen met zijn vrouw Bertien runt, verhuurt het echtpaar vakantiewoningen, exploiteert een zorgboerderij en beheert 65 hectare aan natuurgrond. De zoektocht naar andere verdienmodellen is bittere noodzaak geworden voor de Nederlandse boer, constateert hij nuchter. ‘Wil een bedrijf toekomst hebben, dan moet je mee met technische ontwikkelingen. Dat vraagt investeringen en dat kan alleen bij een bepaalde bedrijfsomvang. Maar ik denk dat een landbouwbedrijf niet alleen moet groeien in de primaire productietak maar ook moet verbreden. De prijzen die je als boer krijgt schommelen sterk en zijn momenteel erg laag, de marges zijn vaak beperkt of zelfs negatief. In het huidige boerenlandschap sta je als bedrijf voor de keus om op te schalen of een tweede tak van inkomsten te zoeken, bijvoorbeeld door een zorgboerderij op te zetten.’

De 32-jarige juriste Claire Souren is met haar blonde haar en onmiskenbaar stadse uiterlijk een opvallende aanwezige tussen de druk discussiërende agrariërs. Souren werkt als projectmanager bij het agrarische consultancybedrijf Arvalis, een dochteronderneming van de lltb die zich sinds 2006 positioneert als adviseur voor Limburgse boeren. Souren is onder meer betrokken bij de ontwikkeling van nieuwe ketentrajecten in de agrofoodsector, vertelt ze. ‘Op dit moment ben ik bezig met het ontwikkelen van een businessplan voor een Europees glutenvrij centrum in de regio Venlo, waar alle glutenvrije gewassen onder één dak kunnen worden gebracht om te worden verwerkt tot eindproducten. En onlangs hebben we een landelijk project afgerond waarin de tuinbouwsector erin geslaagd is om van tomatenloof schrijfpapier te maken. Daardoor kunnen tomatentelers nu hun restproduct vermarkten.’

Doordat Souren zelf geen boerin is kan ze met enige distantie naar de Nederlandse agrarische sector kijken. ‘Het is van de zotte’, zegt ze, ‘als je je realiseert dat we in Nederland wel fairtrade chocola in de supermarkt kunnen krijgen, terwijl onze eigen Nederlandse komkommers onder de kostprijs in de schappen liggen. Het zweet van de boer kan niet opboksen tegen het schuim van de handel. Het is eigenlijk raar dat er alternatieve verdienmodellen nodig zijn en dat deze boeren hier moeten overleggen over hoe ze in de toekomst voldoende geld gaan verdienen om hun bedrijf draaiende te houden.’

Lang genoot de boer in Europa een comfortabel beschermde positie. Om na de Tweede Wereldoorlog de Europese voedselvoorziening weer op orde te krijgen koos pvda-politicus Sicco Mansholt er als eerste naoorlogse minister van Landbouw, Visserij en Voedselvoorziening en daarna als eerste landbouwcommissaris binnen de Europese Economische Gemeenschap (eeg) voor om de landbouw op het oude continent te beschermen tegen de wereldmarkt. Vanaf het in werking treden van het Europese Gemeenschappelijk Landbouwbeleid (glb) in 1962 vallen landbouwuitgaven onder Brussel en worden Europese landbouwproducten beschermd door importtarieven aan de grens, een beleid van actief overheidsingrijpen in het geval van al te sterke prijsdalingen en het vaststellen van gegarandeerde minimumprijzen voor boeren.

Maar er zat een keerzijde aan het heel snel heel duur wordende beleid. Door het ontbreken van maatregelen om de productie te beheersen kon de Europese boer straffeloos blijven overproduceren. Ondanks quotummaatregelen die gedurende de jaren tachtig werden doorgevoerd kon het Europese landbouwbudget oplopen tot liefst zeventig procent van de totale Brusselse begroting. Terwijl de wereldvoedselproductie verdrievoudigde bleef Europa een tegen de grillen van de wereldmarkt beschermde enclave.

Totdat de Europese boer in de jaren negentig in relatief korte tijd werd klaargestoomd voor de wereldmarkt. De glb-hervorming van 1992 bracht een structurele ommekeer in het beleid. Interventieprijzen werden verlaagd en het beleid van prijsondersteuning maakte plaats voor inkomenssteun om te compenseren voor de lagere prijzen. Bescherming van de Europese sector voor oliezaden en eiwitrijke gewassen verdween met de ondertekening van het Blair House Akkoord in 1992. In 1995 werd de agrarische sector toegevoegd aan de Wereldhandelsorganisatie (wto) en kwam ook de landbouw onder het liberale vrijhandelsregime te vallen.

Volgens de dissidente Nederlandse Akkerbouw Vakbond (nav) is dat precies het moment dat een fundamentele verandering in het boerenbestaan inluidde. De nav werd opgericht in 1993 uit onvrede met de belangenbehartiging van boeren in Nederland op dat moment. Een goed inkomen voor akkerbouwers op de lange termijn is nog steeds de centrale missie van de ideële en, vergeleken met lto, relatief kleine nav. Daarvoor is het cruciaal dat de opbrengstprijzen stabiel zijn en structureel boven de kostprijs liggen.

Keimpe van der Heide woont op het platteland net buiten Lelystad. In 1984 begon hij als boer, maar hij moest in 2006 vanwege medische redenen stoppen met zijn bedrijf. Desondanks is hij nog steeds actief als bestuurslid van de nav. ‘Het probleem voor de moderne boer is vooral dat hij zo nodig de vrije wereldmarkt op moest’, vertelt hij. ‘Als je naar granen kijkt heb je tientallen miljoenen producenten wereldwijd, tegenover een handjevol machtige afnemers. Je hoeft je dan ook niet af te vragen waar de regie ligt in die voedselketen. Omdat al die aanbieders los van elkaar opereren, produceert iedereen maar raak waardoor er vaak enorme overschotten ontstaan. Dat levert een enorme prijsdruk op.’

De extreem lage aardappelprijs van dit moment is volgens de nav een goed voorbeeld. Volgens cijfers van het Productschap Akkerbouw bereikten frietgeschikte aardappelen begin december 2014 een bodemprijs van twee euro per honderd kilo, oftewel een luttele twee cent per kilo aardappelen. Om uit de kosten te raken moet een akkerbouwer minstens zeventien cent per kilo krijgen, legt Van der Heide uit: ‘De huidige aardappelprijs laat goed zien hoe het werkt op de vrije markt. De prijs in Nederland wordt bepaald door de hoeveelheid aardappelen die in Nederland, België, Frankrijk, Duitsland en Engeland geproduceerd wordt. Blijft die totale productie onder de 22 miljoen ton aardappelen, dan krijg je als akkerbouwer een redelijke prijs. Wordt er meer geproduceerd, dan zakt de prijs snel weg.’

Volgens ramingen van de vereniging van aardappeltelers in Noordwest-Europa is er in 2014 ruim 27 miljoen ton consumptieaardappelen geproduceerd. ‘Nederland produceert gemiddeld zo’n 3,5 miljoen ton consumptieaardappelen per jaar’, zegt Van der Heide. ‘Een deel daarvan gaat naar de supermarkt of naar de regionale export. Maar de bulk gaat naar de vier grote verwerkers McCain, Aviko, Farm Frites en Lamb Weston/Meijer. Die bedrijven concurreren wereldwijd met elkaar, dus de Nederlandse aardappelen gaan de hele wereld over. Die grote bedrijven hebben natuurlijk niet de bedoeling om de boer een te lage prijs te betalen, maar ze willen ook niet meer betalen dan de concurrent.’

Net als de supermarkten is ook de verwerkende industrie dus niet de vijand van de boer. Maar als het mogelijk zou zijn om de aardappelproductie adequaat te beheersen zou dat de positie van de boeren ten opzichte van industriereuzen als Aviko of McCain significant verbeteren, meent Van der Heide. ‘In een situatie van overaanbod staan we als akkerbouwers machteloos tegenover verwerkende industrie, multinationale handelshuizen of supermarktketens. Het is lastig om afspraken daarover tussen al die boeren te coördineren, zeker in internationaal verband. Dat vereist volgens ons politieke maatregelen als marktbescherming.’

‘Zolang de consument zo goedkoop mogelijk eten wil, zit de boer klem: we worden gedwongen zo goedkoop mogelijk te leveren’

Maar verregaande politieke hervormingen op het gebied van landbouw lijken onhaalbaar. De belangen in de agrarische sector zijn groot. Zo groot dat het eerste kabinet-Rutte ‘Agro Food’ aanmerkte als economische topsector, waarvan in april 2012 de kennis- en innovatieagenda werd gepresenteerd. Het nogal technocratische document rept vooral over het internationaal leidend blijven in de kennisinfrastructuur en over de rol die goed onderwijs en innovatief ondernemerschap in de agrosector kunnen spelen, om zo grote spelers als Heinz, Cargill en Nestlé naar Nederland te lokken. Volgens overheidscijfers bedraagt de totale agrarische export van ons land in 2013 79 miljard euro, op een totale exportwaarde van vijfhonderd miljard. Nederland is daarmee na de Verenigde Staten de grootste exporteur van voedselproducten ter wereld.

Jaap Haanstra is binnen LTO Nederland de voorman van de werkgroep akkerbouw. Zijn medewerkers werken regelmatig samen met ambtenaren van het ministerie van Economische Zaken in Den Haag. Marktbescherming en productiebeheersing zijn sympathieke ideeën, maar nu onhaalbaar, vertelt hij in de keuken van zijn boerderij in het kleine dorpje Luttelgeest in de Noordoostpolder. ‘Voor akkerbouwers is het buitenland essentieel. Uien, peen of selderij gaan voor een groot deel naar het buitenland toe, evenals consumptie- en pootaardappelen. Ook de glastuinbouw en de melkveehouderij zijn gebaat bij maximale exportmogelijkheden. Er is de afgelopen decennia zo’n enorme stroom van landbouwproducten op gang gekomen dat het onmogelijk is dat weer terug te draaien.’

Op het erf buiten ligt een enorme stapel bieten te wachten op verdere verwerking. Een grote hond rent enthousiast over het terrein. De lage prijzen waar aardappelboeren zich nu mee geconfronteerd zien, horen volgens Haanstra bij het vak. ‘We hebben een aantal jaren een mooie aardappelprijs gekend, dus hebben meer boeren besloten aardappelen te gaan poten. Het weer heeft daarbij grote invloed op de groeiomstandigheden, waardoor de opbrengst maar moeilijk is in te schatten. Daardoor kan het aanbod opeens groter zijn dan verwacht en duikt de prijs naar beneden. Het grootste gevaar van een relatief hoge aardappelprijs is die hoge prijs zelf. Vaak komt er na zo’n periode een klap. Als boer doe je daarom aan risicomanagement, bijvoorbeeld door voor een aantal gewassen van tevoren al een vaste contractprijs overeen te komen met je afnemers. Dan verdien je daar misschien niet al te veel aan, maar als het misgaat met de prijs krijg je toch geld binnen.’

Buiten op zijn erf trekt Haanstra de deur van een grote koelcel open die tot de nok toe gevuld is met kisten knolselderij. ‘Dit hele spul gaat in het voorjaar pas de markt op, dat wordt goud of hout, zeggen we dan. Je kunt er flink aan verdienen, maar als de markt zich op zo’n manier ontwikkelt dat ik hier uiteindelijk niks aan overhoud is dat heel zuur. En als dat voor drie gewassen tegelijkertijd gebeurt, is het een ramp.’ Voor boeren zit er niks anders op dan zich zo innovatief mogelijk op te stellen en goed in te schatten welke gewassen er geplant moeten worden, om zichzelf te kunnen bedruipen binnen het bestaande landbouwregime, vreest Haanstra. ‘Verregaande marktbeschermingen zijn politiek gezien helemaal niet haalbaar in deze geliberaliseerde tijden.’

Naast problemen creëert de wereldmarkt voor Nederlandse landbouwers paradoxaal genoeg ook de broodnodige kansen, zegt Haanstra. ‘lto maakt zich hard voor de best mogelijke leveringsvoorwaarden en productieomstandigheden, zodat boeren zich zo goed mogelijk op de markt kunnen positioneren en een inkomen kunnen verwerven. Maar de boer moet zelf ook blijven innoveren. Sommigen proberen directer contact met consumenten te zoeken door zich bij zo’n Hofwebwinkel aan te sluiten, anderen kiezen ervoor om meer land aan te kopen of om op te schalen. Daar kun je boos om worden, maar het is wel de realiteit.’

Toch is die huidige realiteit van de wereldmarkt geen natuurwet, maar een gevolg van politieke keuzes uit het verleden, meent de nav. Het belangrijkste argument om begin jaren negentig het Europese landbouwbeleid open te breken waren de uit de hand gelopen kosten. Een probleem dat Brussel volgens Van der Heide gemakkelijk had kunnen verhelpen door maatregelen te nemen om de productie in te dammen. In plaats daarvan is de Europese boer de wereldmarkt op gedwongen. Toen in 1992 het Blair House Akkoord werd gesloten tussen de VS en Europa was Van der Heide nog actief als akkerbouwer. Volgens hem was dat akkoord, waarin beide grootmachten besloten hun landbouwsubsidies en tarieven terug te gaan dringen, grofweg het begin van de grote landbouwliberalisering die volgde in de jaren negentig.

In de onderhandelingen ging de EU akkoord met een nultarief op oliehoudende zaden als soja, herinnert hij zich. ‘In die tijd teelde ik voererwten. Binnen een jaar viel alle behoefte aan zulke plantaardige eiwitten volledig weg omdat de Europese markt voor veevoer opeens overspoeld werd door goedkope soja uit Noord- en Zuid-Amerika. Van de ene op de andere dag viel de bescherming bij de grens weg en nu is Europa voor onze plantaardige eiwitproductie volledig afhankelijk van het buitenland.’

Dankzij de in 1992 gemaakte afspraken kon binnen de in 1995 nieuw opgerichte Wereldhandelsorganisatie ook een akkoord over landbouw gesloten worden. Revolutionair: tot dan toe werd landbouw altijd buiten de onderhandelingsrondes over vrijhandel gehouden omdat de sector te belangrijk werd geacht om aan de markt over te laten. Sindsdien proberen Europese boeren met de nieuwe marktsituatie om te gaan door de kostprijs zo laag mogelijk te houden, te werken met grotere eenheden en intensievere productie. Maar voortdurend concurreren op de wereldmarkt is een race zonder einde, zegt Van der Heide. En ondanks de intentie om het landbouwbudget terug te dringen zijn veel boeren nog steeds voor een aanzienlijk deel afhankelijk van de Brusselse subsidiemolen. De Europese agrarische sector ontvangt in 2015 ruim 58 miljard euro aan directe inkomenssteun, aanvullende vergoedingen en bijdragen voor milieudiensten en plattelandsontwikkeling, nog steeds een kleine 38 procent van het totale EU-budget. ‘Uiteindelijk willen boeren gewoon tegen normale prijzen kunnen produceren en niet afhankelijk zijn van subsidies’, aldus Van der Heide.

Het gemiddelde bedrijfsinkomen in de land- en tuinbouw is in 2014 met twintig procent gedaald ten opzichte van 2013, zo blijkt uit de jaarlijkse inkomensraming van het Landbouw Economisch Instituut van de Universiteit Wageningen. Voor akkerbouwers daalde het inkomen vooral als gevolg van de lage opbrengstprijzen van vrijwel alle gewassen. Binnen de grote en kleinere boerenorganisaties is er dan ook de nodige discussie over de vraag hoe de boer zijn hoofd boven water moet houden.

Maar het zijn de boeren zelf die te veel produceren waardoor ze druk op hun eigen opbrengstprijs creëren, foetert Peter Erkens tijdens een autorit van het lltb-congres in Roermond terug naar zijn thuisbasis Heerlen. De lichtjes van het productiecomplex van chemieconcern dsm in de buurt van Geleen geven de avondschemering een bijna apocalyptische gloed. ‘Er schort flink wat aan de mentaliteit in de Nederlandse landbouwsector. Als we meer kunnen produceren, doen we dat. Zelfs als dat betekent dat we uiteindelijk harder moeten werken voor lagere verkoopprijzen. Dat doen we allemaal zelf, maar zo wordt er wel een collectieve dynamiek gecreëerd die ervoor zorgt dat je als boer in die maalstroom mee moet om niet kopje onder te gaan. En zolang de consument zo goedkoop mogelijk eten wil, zit de boer klem omdat we gedwongen worden zo goedkoop mogelijk te leveren.’

Nederland is een landbouwnatie en dat zal niet snel veranderen, zegt Erkens terwijl hij zijn auto weer het stedelijke gebied van de oostelijke mijnsteek in rijdt. ‘De omstandigheden zijn hier goed om landbouw te bedrijven. Maar de boer wordt te veel gezien als een ondernemer en niet als een producent van voedsel. Volgens de Autoriteit Consument en Markt is een boer hetzelfde als een multinational, een bedrijf. Maar die multinational hoeft zich niet bezig te houden met hoe de aardappelen er precies bij staan. Boeren zijn allemaal kleine jongens en mogen van de samenleving niet te groot worden omdat we met dieren of op open veld werken. Zowel de consument als onze ketenpartners verwachten dat de boer alles heel goedkoop levert, terwijl we tegelijkertijd aan steeds meer eisen wat betreft dierenwelzijn en milieu moeten voldoen. Ondertussen mogen boeren zich niet organiseren tegen de macht van het grootbedrijf, want dan is het volgens de Autoriteit Consument en Markt kartelvorming. Dus produceren we allemaal zo veel mogelijk omdat we voor de wereldmarkt moeten groeien.’

Hij vervolgt: ‘Probleem is dat een tekortsituatie met hoge prijzen en een overschotsituatie met dumpprijzen erg kort bij elkaar liggen, omdat de vraag naar voedsel constant blijft en nauwelijks reageert op meer of minder aanbod. De consument gaat echt niet meer eten als het goedkoop is of minder eten als het duur is. Tegelijkertijd weten die consumenten niet meer wat boeren precies doen op hun boerderij. Ik stond laatst bestrijdingsmiddelen te spuiten op mijn akker en toen kwam een mevrouw mij vragen of ik me wel realiseerde dat dat slecht was voor het milieu. Als ik dan op mijn beurt vraag of ze bij de supermarkt iets meer wil betalen zodat ik meer tijd kan steken in milieuvriendelijke onkruidbestrijding, is het antwoord nee.’

‘De marktstructuur in de Europese Unie voor voedingsmiddelen is een gigantische zandloper van veertien miljoen boeren in Europa die het voedsel produceren, naar twaalf organisaties die de producten inkopen voor de supermarkten, die het in de schappen leggen voor vijfhonderd miljoen consumenten’, schrijft Kamerlid Jaco Geurts in zijn nota, waarover andere fracties op 29 januari vragen hebben kunnen stellen.

De scheve ketenverdeling in de voedselproducerende sector zal niet beter worden door de goedbedoelde voorstellen van het cda-Kamerlid, vreest Van der Heide: ‘De keten zelf gaat het verschil niet maken, want al die tussenschakels zijn ook in voortdurende concurrentie met elkaar. Natuurlijk maken de supermarkten gebruik van hun ketenmacht om extra prijsdruk uit te oefenen, maar dat is niet de kern van het probleem. Kwaliteit in ons voedselmodel is enorm gestandaardiseerd, dus er wordt geconcurreerd op prijs. Consumenten willen goedkoop voedsel en daardoor staan de boerenprijzen altijd onder druk. Zeker in een overschotsituatie. En die overschotsituatie wordt in de hand gewerkt doordat we te maken hebben met een enorme wereldmarkt waarin miljoenen aanbieders met elkaar moeten concurreren. Voor sommige individuele boeren kan het buitenspel zetten van de supermarkt door weer direct te leveren aan de consument wel verschil maken. Maar voor de sector als geheel is dat geen oplossing. De productie kunnen beheersen op een meer regionaal georiënteerde markt is dat wel. Maar dan heb je weer te maken met heel andere machten, die verder gaan dan het boerenbelang alleen.’


Beeld: (1) Aardappels rooien in Boerdonk, Oost-Brabant. (Marcel van den Berg / HH). (2) Medewerker van ‘Uit Je Eigen Stad’, een project in Rotterdam waar groenten en fruit direct van het land aan de klant worden verkocht. (Hans van Roon / HH).