Sneeuwvlokje past niet in ons wereldbeeld

De boodschap van de witte big

Is het een tam varken, is het een wild zwijn? Sneeuwvlokje, het witte biggetje dat onlangs opdook op de Veluwe, illustreert hoezeer de dieren onze pogingen tot classificatie en categorisering van de natuur altijd hebben gefrustreerd.

Het bonte zwijntje Sneeuwvlokje werd in mei gespot in de bossen rond Vierhouten. Normaal zijn jonge zwijnen bruin gestreept. Waarschijnlijk hebben ooit een wild zwijn en een tam varken gepaard, wat Sneeuwvlokje zijn opvallende voorkomen en de massale aandacht van jagers, de Partij voor de Dieren (PVDD) en ten slotte heel Nederland heeft opgeleverd.

Jagers willen de big tijdens de jaarlijkse jacht in juli afschieten. Volgens de PVDD om de «raszuiverheid» van wilde zwijnen op de Veluwe te waarborgen. De partij stuurde een protestbrief naar Staatsbosbeheer en begon een e-mailactie voor steunbetuigingen. «Bekende Nederlanders» riepen op het dier te sparen. Dafne Westerhof, zelfverklaard «beestenvrouw», heeft voor Sneeuwvlokje al een plekje vrij gemaakt in haar Beloofde Varkensland, een opvangtehuis voor varkens. De PVDD zette in het bos een standbeeld van het beest neer, dat vrijwel meteen gestolen werd. En honderden nieuwsgierigen hebben zich op de voederplekken verdrongen om een glimp van de «Babe van de Veluwe» op te vangen.

Je kunt al voorspellen hoe dit afloopt. Sneeuwvlokje wordt het eerste dier in Nederland dat bij zijn dood een stille tocht krijgt. En als de ironie het voor het zeggen heeft, wordt hij niet geschoten door een jager, maar gegrepen door de recent ontdekte Veluwse poema, die inmiddels net zo beroemd is geworden.

Iedereen weet wat het beste is voor het witte zwijntje. De uitspraken die de partijen in de media doen, wijzen op de diepgevoelde menselijke neiging om een begrijpelijke orde op te leggen aan de natuur. De aannames berusten op een indeling van het dierenrijk in catego rieën, waaronder «tam», «wild», «genetisch zuiver» en «genetisch onzuiver», waaruit vanzelf zou voortvloeien wat er met Sneeuwvlokje gebeuren moet.

De jagers: «Afwijkende biggen worden er tijdens de jacht het eerste tussenuit gehaald. Dat is maar goed ook. Anders kunnen we hier wel tamme varkens gaan houden.» PVDD-voorzitter Marianne Thieme: «Het witte biggetje kan in de natuur een prima leven hebben.» En: «Beheerders mogen raszuiverheid niet laten prevaleren boven het beschermen van dieren.» Dafne Westerhof over de opname van Sneeuwvlokje in het Beloofde Varkensland: «Daar krijgt hij echt een moordleven, want alle typen varkens, van Göttingers tot Yorkshires, leven hier en allemaal hebben ze nog iets van het wilde-zwijneninstinct in zich.» Ze stelt zich voor het zwijntje, als het bij zijn moeder wordt weggehaald, met de fles te voeden. Maar Stichting Faunabescherming ziet dat niet zitten: «Wij willen het dier beschermen tegen jagers én dierenbeschermers. Een wild zwijn hoort thuis in de natuur.»

De reacties variëren van het verdelgen zoals dat typisch wordt voorgestaan door jagers (net zoals bij de wolf die in 2000 verscheen in Zeeuws-Vlaanderen en nu weer bij de poema op de Veluwe) tot aan de «knuffelrespons» van Westerhof. Zij acht het zwijntje varken genoeg voor het Beloofde Varkensland. Maar ze zegt er ook bij dat de uitverkoren varkens daar nog «wilde-zwijneninstinct» hebben. Toch nog een zweempje wild dus, blijkbaar een geruststelling dat Sneeuwvlokje zich er wel thuis moet voelen. Faunabescherming vindt hem echter weer te wild voor Varkensland: «Het is maar de vraag of je dit wilde dier er een plezier mee doet.»

Tam varken, wild zwijn, wild varken, tam zwijn – al sinds zijn evolutionaire dageraad wil de mens dieren benoemen en categoriseren, om zo grip te krijgen op het dierenrijk. Volgens de Amerikaanse hoogleraar ecologie Paul Shepard is het categoriseren van dieren niet alleen «intellectueel en esthetisch bevredigend», maar zelfs essentieel voor de evolutie van de menselijke geest en taal. Maar er zijn ook grensgevallen, dieren die zich verzetten tegen eenduidige categorisering. In The Others: How Animals Made Us Human (1996) noemt Shepard als voorbeelden van zulke «marginale dieren» de vleermuis – een zoogdier dat vliegt als een vogel – de vos – uiterlijk een hond, in gedrag meer een kat – en de kikker of pad – die amfibisch zijn en ook nog eens metamorfoseren van larve tot gewerveld dier. Het zijn juist die ambigue dieren die onze orde provoceren en overladen worden met symboliek en projecties van menselijke waarden in folklore en mythologie.

Goed beschouwd is elk dier tot op zekere hoogte ambigu en ongrijpbaar, een uitdager van onze pogingen tot indeling. Indelingen die alleen begrijpelijk zijn als je de criteria erachter kent en deelt. Bekend is de door Foucault aangehaalde, oude Chinese encyclopedie, Het hemels rijk der goedaardige kennis, die de volgende categorieën ter classificatie van dieren voorstelt:

toebehorend aan de keizer

gebalsemde

gedresseerde

speenvarkens

sirenen

fabeldieren

loslopende honden

die in deze indeling voorkomen

die in het rond slaan als gekken

ontelbare

die met een fijn kameelharen penseeltje

getekend zijn

et cetera

die net de kruik gebroken hebben

die uit de verte op vliegen lijken.

Daar zitten best categorieën bij waarin Sneeuwvlokje past, maar duidelijk is ook dat classificaties die volgens het ene systeem zinvol zijn volgens een ander juist onbegrijpelijk zijn.

Hoezeer classificaties tijd- en plaatsgebonden zijn, blijkt ook uit een passage uit het boek Maleo: De kip met de gouden eieren (2001) van de Nederlandse bioloog Marc Argeloo. Hij vraagt jagers op Nieuw-Guinea in zijn vogelgids de grootpoothoenders aan te wijzen die daar volgens hen leven. De jagers bezweren hem dat er, naast de vogel die Argeloo al kent, nog een verwant hoen rondloopt. Argeloo hoopt het verloren gewaande Bruijns boshoen op het spoor te zijn. Maar helaas, de jagers wijzen in het boek een kroonduif als tweede hoen aan.

Duiven zijn in de wetenschappelijke dierclassificatie een compleet andere orde van vogels. Maar de jagers hebben natuurlijk hun eigen classificaties, gebaseerd op voor hen relevante criteria. Wellicht dat de jagers grootpoothoen en kroonduif wel tot één categorie rekenen. Het zijn allebei plompe, uiterlijk niet onvergelijkbare, op de grond scharrelende vogels. En vast allebei eetbaar; één (kook)pot nat voor de jagers.

De moderne, wetenschappelijke indeling van het dierenrijk (onder meer in genus en species) is gebaseerd op morfologie, de lichaamsvormen van dieren. Maar volgens sommige wetenschappers noopt modern genetisch onderzoek naar verwantschappen tussen diergroepen tot een correctie op die classificatie. Waar de olifant en de zeekoe volgens de ene indeling nog ieder netjes een eigen tak op de stamboom hebben, moeten ze volgens de genetici in dezelfde groep vallen, die van de Afrotheria. Afhankelijk van welk ordenend principe we kiezen, slepen we de dieren van het ene naar het andere hokje. In de hoop ze dan eindelijk op hun «natuurlijke» plek vastgepind te hebben.

De dieren echter hebben eenduidige classificatie door een naar orde strevende mensheid altijd getart. Elke poging tot het opleggen van een samenhangende indeling aan het dierenrijk is in essentie arbitrair en kunstmatig. Ook als er wetenschappelijke redeneringen aan ten grondslag liggen. De dieren blijven plagen, de namen gevende en indelende mens uitdagen en grenzen overschrijden. Dat geldt zeker voor dieren die de soortgrens overschrijden, zoals de bastaard Sneeuwvlokje doet. Het komt in de beste families voor. Neem de leeuw en de tijger, de twee grootste katachtigen, met een uit duizenden herkenbaar uiterlijk. Maar in dierentuinen en circussen kom je soms hun versmelting tegen, een kruising tussen leeuw en tijger. De categorieën vervloeien.

En neem de wilde kat en de huiskat. (Uiteraard zijn juist de katachtigen uitgesproken plaaggeesten van onze orde. Met name de kat is een ambigu wezen: verguisd als hand langer van het kwaad, een dier van de nacht, maar ook heilig, magisch en mysterieus geacht.) Wilde katten kruisen wel met gedomesticeerde katten. Tot groot verdriet van natuurbeschermers, die vrezen voor het voortbestaan van de wilde kat als genetisch zuivere soort. De wilde kat dreigt kopje onder te gaan in de genenpool van huis-, tuin- en keukenkatten, hij wordt er als het ware door geabsorbeerd. Maar dat maakt de katten niet uit, ze verdwijnen zonder pardon uit de hokjes die wij ze toebedeeld hadden. Tam of wild, het antwoord zit niet in het al dan niet «raszuivere» bloed, net zo min als bij Sneeuwvlokje. Neem je niet het DNA maar het gedrag van de dieren als uitgangspunt, dan wordt een vast omlijnde indeling nog moeilijker: ook tamme katten kunnen weer verwilderen, en hun schoteltje melk verruilen voor zelfgevangen prooien.

De menselijke hang naar eenduidige groepering van dieren blijkt ook uit de presentatie van een heuse oeros in het Gaiapark in Kerk rade. De oeros is de wilde stamvader van het Europese gedomesticeerde rund, en al eeuwen uitgestorven. Maar de jongste dierentuin van Nederland pretendeert een oeros in de collectie te hebben. Het betreft een zorgvuldig uit de dichtst in de buurt liggende bloedlijnen van tamme koeien «teruggekruist» ras, dat in DNA en in zijn ruige uiterlijk de originele oeros zo veel mogelijk benadert. Het wilde prototype teruggekeerd uit tam vee, de omgekeerde weg als bij de wilde kat hierboven. Ooit uitgestorven verklaard, nu weer herrezen? Op het bordje in de dierentuin staat simpelweg het etiket «oeros».

Onze pogingen tot orde ten spijt zijn dieren altijd ongrijpbaar gebleven. De categorie waar ze het beste in passen, zoals Shepards boek al suggereert, blijft die van de Ander. Mysterieuze wezens die ons fascineren, uitdagen, plagen, inspireren, en een belangrijke rol spelen in onze mythologieën, folklore, religies en verhalen. Misschien dat we in het rijk van de verbeelding, van de mythe wel een oplossing kunnen vinden voor het begrijpen van Sneeuwvlokje.

Witte dieren zijn meestal een enigma, een rariteit, en daarom nog meer dan «gewone» dieren dankbare dragers van symboliek en sacraliteit. De heilige witte olifant uit boeddhistisch Zuidoost-Azië, de heilige witte bizon van de Noord-Amerikaanse indianen, de witte kameel als statussymbool in het Midden-Oosten, de witte potvis als Melville’s wreker uit de diepte, de witte duif als boodschapper van vrede. En nu onze eigen witte big als herinnering aan de ongrijpbaarheid en sublieme anders-heid van de dieren. En als herinnering aan wat we de dieren verschuldigd zijn, als onmisbare actoren in ons denken en verbeelden.