Het Migrantenmuseum

De boom

Medium museum agac

Lang, lang geleden, in een zeer rokerige kelder waar de muziek oorverdovend was, het zweet op de jonge lichamen een zoete smaak had en de migrantenzonen bij bosjes naar vrouwenlichamen solliciteerden, stak de tiener een sigaret op, verzamelde al zijn moed bij elkaar, stapte op het meisje af en vroeg met een stem die de Eufraat uit mededogen zou doen stoppen met stromen: ‘Wil je met me dansen?’
Het antwoord van het meisje was te pijnlijk om hier te melden, maar een museum is geen museum als de pijnlijke werkelijkheid niet met al haar naaktheid tentoongesteld wordt. Het meisje uit de Lage Landen zei tegen de jongen uit het gebied met de hoge bergen: ‘Je mag de boom in van mij…’
De migrantenzoon heeft jarenlang rondgelopen met de vraag welk soort boom hij in moest. Zou de schoonheid een eikenboom bedoeld hebben? Of een naaldboom? Een populier, een plataan, een kastanjeboom?
We besloten om een boom te planten in de tuin van het Migranten-museum. De pukkelige jongen, die zich al die tijd had afgevraagd welke boomsoort hij nou moest beklimmen, kon niet meer zeggen wat voor eentje in de tuin moest komen. Dus heb ik maar voor een plataan gekozen.
Hij zei een keer tegen mij, met een stem die niet meer zo hartverscheurend klonk als in die discotheek, dat hij na zijn dood wel onder een boom zou willen rusten.
In de herfst vallen de bladeren van onze plataan in de tuin van het museum. In de lente bloeien haar nieuwe bladeren op. De jongen die in zijn hele leven een paar keer naar een discotheek is gegaan en daar niet beloond is met een wit vrouwenlichaam dat naar walnotenvelden ruikt, aldaar wel is verbannen naar de top van een boom, ligt reeds in de tuin van het museum, onder de plataan. De gele bladeren van de boom zijn als een deken boven hem. Bilal, zo heette de jongen, hoeft het nooit koud te hebben.
Een beetje dik was hij wel, Bilal. Hij was geen bangerd, neem dat maar van mij aan. Thuis aten ze vijf dagen in de week macaroni. Als hij lachte smolt het ijs van de top van de bergen in zijn geboorteland. En als hij huilde, huilde ik ook. En toen hij de laatste adem uitblies, huilden zijn zus, ik en misschien zijn moeder om Bilal die geen 23 herfsten had mogen meemaken in deze harteloze wereld.
Bilal droeg schoenen die zo versleten waren dat ze zelfs door de beste schoenenmaker niet een beetje draagbaar gemaakt konden worden. Zijn jas was dun, zijn haren knipte zijn moeder en de sigaretten die hij rookte waren peukjes die hij van ons bietste.
Het nieuwe land was hem niet gegund, beste museumbezoeker. Terwijl wij langzaam voet aan de grond begonnen te krijgen in het vlakke land ging Bilal dood. Toen ik hoorde dat hij dood was gegaan ging ik in die ene kelder, die Astaire heette, zuipen om de pijn te vergeten. Bij het ochtendgloren kocht ik een broodje shoarma en begon te huilen toen ik eraan dacht dat ik en Bilal zo vaak een broodje shoarma hadden gedeeld. Ik betaalde altijd voor dat soort dingen, want Bilal had nooit meer dan drie gulden bij zich.
Onder de boom ligt dus ene Bilal te rusten. De bloemen die net boven Bilal groeien hebben altijd de kleur paars. Dat was ook de kleur van de broek van Bilal. Met zijn volle benen onder het belachelijke, versleten paars was hij op de eerste schooldag met me meegelopen naar mijn nieuwe school, waar ze vier jaar lang genadeloze rode strepen haalden door zinnen met taalfouten.
Nu, bijna twintig jaar later, zit ik in de boom te zuipen. Het meisje in de disco kan het verschil toch niet zien; ik of Bilal in of onder de boom, het zal haar een zorg zijn. Ik dus boven op de boom, een fles wijn in de hand, de mooie nacht die probeert te troosten, dronken geworden door de herinneringen, een duizelig gevoel, een voet die uitglijdt, een vallend lichaam… ‘Bilal, ik val, jongen! Vang me op, de maan is nog steeds te mooi om nu al afscheid van te nemen…’